Belevenissen en mijmeringen onderweg van Den Bosch, via Vézelay, Le-Puy-en-Velay en saint-Jean-Pied-de-Port naar Compostela

c-oranjemannetjeloopt

dit is het verhaal van
ANDRÉ WITLOX
op zijn weg naar Santiago de Compostela

Pelgrim, wie is het die je roept, of de geheime kracht die je trekt?
Het is niet het sterrenveld en ook niet de imposante kathedralen.
Het moet de roeping zijn van de pelgrim in je
.’

naar E.G.B. ___________________________________________

André©Witlox gebruik de foto’s en tekst enkel om je eigen ervaringen te verrijken

contact: pelgrimstochtcompostela@outlook.com  Om misbruik te voorkomen moet u deze link overnemen

 

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties

INLEIDING

cid-95342381025012007-0b4a   2005

                 EEN PELGRIMSTOCHT NAAR COMPOSTELA

e9ea37f6cc

                                           ’s -Hertogenbosch

    Orval _ Plateau van Langres  _  Vézelay  _ Cîteaux _ Taizé _ Cluny _  le Puy-en-Velay _  Saint-Jean-Pied-de-Port  _

                                    Santiago de Compostela

5d3f1f151e

Ga door pelgrim, ga door op je eigen weg en vervolg je zoektocht. Laat je niet enkel door het aankomen beheersen, want wie naar het doel reist moet op zijn weg letten. De weg immers leert je om er te komen. Neem jouw deel van de zon en jouw deel van het stof met een waakzaam hart en vergeet al wat vluchtig is. Alles is vergankelijk; alleen de liefde is waarachtig. Hecht je hart op je tocht dus niet aan wat is gebeurd en zeg bij aankomst niet mijn moeite is beloond, ik ben geslaagd. Een pelgrimstocht is als het leven zelf. Een zoeken naar verbindingen tussen heden en verleden, voortdurend gericht op de toekomst, onthechten, ordenen en relativeren. Inzien hoe betrekkelijk bezit, status en het leven is. Onzekerheden ervaren en daarvan sterker worden. Jezelf tegenkomen en telkens opnieuw de balans opmaken. Volledige vrijheid ondergaan en ten diepste beseffen dat je met weinig ook ver kunt komen. Ervaren dat mystiek geen begrijpen, beweren of  weten is, maar beleven, invoelen en ondergaan.

De waardevolle contacten en gesprekken onderweg spreiden gevoelens en meningen uit over de hele wereld. Het in wandeltempo ondergaan van zoveel moois aan bouwkunst, cultuur, natuur. Het zijn ervaringen die je leven verrijken en tot een gelukkig mens maken.

Bereid je voor, het is een lang verhaal.

Voor mijn ,,verhalen, sagen en legenden langs de Camino” die op de site van het Catharijneconvent staan klik hier:    André Witlox op Catharijneconvent

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

WESTWAARTS IN MIJN EIGEN SCHADUW01_3_meter_schaduw_12e_etappekopie

Voettocht naar Santiago de Compostela

mijn Camino onder de Campus Stellae

Ubi caritas et amor, Deus ibi estWaar vriendschap is en liefde, daar is God.

Het was Peter zijn idee, inmiddels ruim tien jaar geleden. Zodra we tijd kregen zouden we gaan pelgrimeren naar Santiago de Compostela. Ik kreeg uiteindelijk steeds meer tijd, hij steeds minder. Ik de vrijheid van een VUTter, hij gebonden door zijn gelofte en een stabilitas loci aan Orde en plaats. Dus ging ik me er op voorbereiden alléén op pelgrimstocht te gaan. Daar was niets tegen, ik zag het als een ,,rite de passage” nadat ik zou stoppen met mijn werk om me daarmee  wat los te maken van de status en inhoud van mijn leven tot dan toe, mezelf te beproeven en voor te bereiden op een nieuwe levensinhoud waarin status en plichten als minder dominant gelden. Het verlangen om op pelgrimstocht te gaan begon in mijn eigen hart met de bedoeling om belangrijke momenten in mijn eigen leven opnieuw op het spoor te komen en te markeren in mijn leven. Ik wilde de pelgrimstocht, het wandelen en het onderweg zijn, benutten om het leven tot dusver te overdenken en de toekomst te wegen. Vrijheid ondergaan en onderwijl filosoferen of het leven mijn leven was zoals ik het gewild of bedoeld had. Op een werkelijkheid terugzien en zoeken naar de overeenkomst met mijn eigen droom, mijn legende, mijn eigen verhaal. Terugzien op mijn leven als in een spiegel die de werkelijkheid enkel weerkaatst en de consequenties weergeeft. Alles om er sterker door te worden. Door te gaan zwerven naar Santiago de Compostela wilde ik ontdekken of het nieuwe leven begerenswaardig zou kunnen blijven en voldoende uitdagingen en dromen kon bevatten. Tegelijk besefte ik dat dromen worden gesmoord en verdrongen omwille van beloften, zekerheden en leven in een keurslijf. Steeds dezelfde mensen om je heen die deel uitmaken van jouw leven en zich inspannen om dat leven bij te sturen in de door hen goed geachte richtingen. Alles met de beste bedoelingen. Ik kan er geen vrede mee hebben dat zoiets je lot zou moeten zijn. Een lot kun je niet begrijpen, want het is wat het is. Een lot is dus ook niet te rechtvaardigen of te verdedigen. De keuze om iets wel of niet te doen wel. Zo zijn er misschien wel 50 redenen te bedenken waarom ik niet op pad zou gaan. Ik zou er evenwel ook 50 kunnen bedenken om juist wel op pad te gaan. De dwaasheid echter om op pad te gaan, komt me altijd nog wijzer voor dan de wijsheid om thuis te blijven. Als pelgrim ben je vreemdeling, naar de werkelijke betekenis van het woord. Een homo viator, mens onderweg. Als mens ben je immers voortdurend onderweg, veelal op weg met een doel. Zo kan een pelgrimstocht eveneens doel zijn van zingeving in je bestaan; gewoon maar onderweg zijn. De verrijking beleven van het, louter op eigen kracht, onderweg zijn naar je doel, naar jezelf. In werkelijkheid liggen je beweegreden zeker dieper wanneer je als pelgrim op wandeling gaat. Ben je op zoek naar jezelf, naar wat je niet hebt gehad of wat je hebt achtergelaten. Ik hoopte het allemaal te vinden en te ervaren in de contacten met anderen, de belevenissen onderweg, al het mooie en minder mooie. In het dromen van mijn eigen droom. Ik zag het wandelen als volkomen vrijheid ondergaan en voortdurend nieuwe mensen ontmoeten die wat met je hebben te delen. Los zijn van zekerheden en sturing, agenda en afspraak, tijd of plaats. Vrijheid ondergaan als de wind die om obstakels heen gaat en zich niet laat belemmeren. Besef vinden dat mijn  leven ook zo vrij zou kunnen zijn, terwijl niets anders me zou kunnen tegenhouden of bijsturen dan ikzelf. Zorgeloosheid ondergaan. Elke dag zorgeloos voortgaan op een eigen kompas dat mijn leven vrijheid, richting en sturing geeft zonder argumenten te hoeven bedenken om dat gevoel van zorgeloosheid te rechtvaardigen. Leven als in een ultieme legende.

Het wandelen naar Compostela werd de droom die me lang bezighield. Lezend in boeken en op het Internet. Pratend met anderen. Fysieke training, steeds vaker wandelen vanuit Orthen de Maas langs, linksom en rechtsom via Bokhoven en Bern om te wennen aan lange afstanden. Bergwandelingen tijdens onze verblijven in de Provençe om mijn on-Nederlandse spieren te trainen. Wandelen met steeds meer gewicht in de rugzak om te ervaren hoe de hernia in mijn rug zich hield. Wegnemen van zekerheden die bij je binnensluipen. Door de tijd raakten steeds meer mensen op de hoogte van mijn voornemen. Het afscheid als algemeen directeur van mijn zorgcentra en Welstaete waren ermee doorspekt. En dan ontstaat het moment waarop je niet meer terug kunt. Je wilt ook helemaal niet terug, het plan moet worden waargemaakt, je eigen legende beleefd, je droom werkelijkheid. Tegelijk met het verlangen om aan zo’n monstertocht te beginnen, groeit de twijfel. Gevoed door wat je hoort en leest check je voortdurend bij jezelf of dat het is wat je wilt, wat je denkt aan te kunnen, hoe je het denkt te redden in je eentje. Maar de uitdaging en de gedachten om maandenlang door pure natuur en historie te wandelen in een tijdsbeleving van meer dan 1000 jaar terug winnen het uiteindelijk. Het voelt als een roeping, het obsedeert je en gaat steeds intenser bezit van je nemen. Maar wat ben ik eigenlijk, wandelaar, pelgrim? Vooralsnog stel ik vast weinig meer te hebben met de Kerk en het geloof en voel ik me wandelaar: homo viator, mens onderweg.

Van Tom, architect aan ons nieuwbouwproject in Zeeland kreeg ik het boek ‘Bouwkunst langs de Camino’ te leen. Het leerde me hoeveel moois aan architectuur er is aan de camino. Tijdens een bijeenkomst van onze Familia Augustiniana vertelde Jeroen Gooskens over de belevenissen op zijn tocht naar Compostela. Het leerde me in een aantal gesprekken daarna met Jeroen dat er nog andere waardevolle zaken zijn als alleen maar lopen en je einddoel bereiken. Dat lopen voor sommige niet eens telt, omdat zij zich focussen op het aankomen. Jeroen, geobsedeerd door de camino die zich tot mijn verrassing ontpopt als een soort super pelgrim. Onze uitwisseling verrijkte zijn en mijn verhaal. Truus schonk me het boek ‘Santiago de Compostela, geschiedenis, reizen, kunst, muziek, bezinning, cultuur’ bij mijn afscheid waardoor ik ernaar uitzag zelf alle moois aan de Camino te kunnen zien en beleven. Van Brigitta kreeg ik het boek ,,De Alchemist” van Paolo Coelho ten afscheid om daarmee aan onze denkbeeldige friettent terug te blijven denken. Het boek was rijke voeding voor mijn eigen droom. Het zette me aan tot filosoferen en mijn eigen droom te ontdekken. Door alle onzekerheden heen deed het me beseffen dat enkel nog de angst om te falen mijn droom zou kunnen verstoren. Mijn verlangen om op weg te gaan IMG_4950groeide er door.

Tegenwoordig ziet een pelgrim er iets anders uit dan deze heilige Jacobus die hier, samen met mijn naamgenoot Andreas, rechts van het Noorderportaal van de Sint-Jan argeloze bezoekers begroet. Al is het niet direct aan hem te zien, ook toen al was een pelgrim een vrijwillige banneling. Pelgrimeren is alles en voortdurend loslaten. Het maakt je los uit je dagelijkse omgeving, werpt je volkomen terug op jezelf en doet je daarin beseffen hoe klein je eigenlijk bent. Pelgrimeren is ook je willen voegen in eeuwenoude tradities. Onderweg zijn met Compostela als bestemming. Onderweg zijn in omstandigheden die niet alledaags heten; afstanden, onzekerheid, het weer, afhankelijk van de goedheid van mensen, leven als een zwerver. Maar ook iedere dag genieten van de vrijheid, de natuur, architectuur, mensen, leven met de omstandigheden en de waan van de dag. Leven met het absolute minimum. Zoiets ten diepste zelf beleven en onderdeel maken van je innerlijk wezen vormt je uiteindelijk tot wie je bent.

CAMINANTE
Wandelaar, het zijn jouw voetsporen die je weg maken, jouw eigen voetsporen, anders niets. Wandelaar, er is geen weg, de weg moet nog worden begaan.
Je weg maak je zelf en steeds wanneer je achterom kijkt zie je het pad
dat je nooit eender zult begaan.
Wandelaar, er is geen pad
enkel een kielzog in zee.
vrij naar: La Obra poëtica de Antonio Machado – Los Caminos; proverbios y cantares CC-CXXXVI-xxxl met dank aan Etiënne.

04_credencial_a

Pelgrims moeten zich onderweg als zodanig kunnen legitimeren. De huidige Credencial del Peregrino is een officiële vouwkaart die je ontvangt als lid van het Genootschap van sint-Jacob en die je o.a. in Spanje toegang verschaft tot refugio ’s om te overnachten en daar wordt afgestempeld als uiteindelijk bewijs in Santiago de Compostela dat je daadwerkelijk de Camino, de weg, hebt afgelegd. Dit bewijs, de Compostela, werd in de 13e eeuw ingevoerd om bedrog tegen te gaan. Zowel wandelaars, als fietsers en paardrijders dienen over een Credencial te beschikken. Voor elke groep afzonderlijk geldt een minimum af te leggen afstand. Zo moeten wandelaars tenminste 100 kilometer hebben afgelegd en fietsers 200. Het is niet nodig de route aaneensluitend achtereen te hebben afgelegd.

Ultreia et Sus eia, Deus adjuva me. ,,Steeds verder en steeds hoger, God sta me bij.” Het was een wens van pelgrims onderling op weg naar Santiago de Compostela. Tegenwoordig wensen pelgrims elkaar ‘Buen Camino’, ‘Goede Weg’. Ondanks dat pelgrimeren een verouderd verschijnsel lijkt, is het springlevend. Angstig levend misschien, wanneer je de getallenreeks over jaren bekijkt op de website van het secretariaat van het Aartsbisdom in Santiago de Compostela. Het lijkt voor velen enkel nog een sport te zijn geworden om naar Santiago te lopen. Maar elk tijdperk, elke cultuur heeft motieven voor het pelgrimeren gekend. Waarom niet nu? Zoals met veel belangrijke feesten en heiligenplaatsen in de rooms katholieke traditie het geval is, zo moeten er ook bij Compostela en het graf van de heilige Jacobus vraagtekens worden gezet. Santiago de Compostela is van oorsprong niet christelijk. Kelten en Romeinen trokken al naar Cabo Finisterra aan de westkust van Spanje, dat zij op hun platte aarde als het eindpunt van de wereld beschouwden en daar hun goden eerde. De christelijke traditie eigende zich gebruiken en rituelen toe van Animisten en Kelten en schiep, naast Jeruzalem en Rome, Compostela als derde voornaam pelgrimsoord. Onder invloed van de machtige monniken van Cluny werden in de 11e en 12e eeuw bedevaarten naar Compostela gestimuleerd als middel om een bolwerk te vestigen tegen de Moren, die een bedreiging vormden voor de christelijke noordelijke gebieden van Spanje.

DE LEGENDE

Jacobus en zijn jongere broer Johannes zijn bekend als de zonen van Zebedeus. Ze werden door Jezus van Nazareth geworven als apostel. Na de hemelvaart van Jezus, die ook Christus wordt genoemd, blijft Jacobus in Jerusalem om er de Boodschap van Jezus van Nazareth te verkondigen. Onder Herodus Agrippa worden de vroege christenen vervolgd en wordt Jacobus op middelbare leeftijd ter dood veroordeeld in het jaar 42. Veel later, in de 5e eeuw, komt een apocriefe apostelgeschiedenis tot stand onder de naam ‘Pseudo Abdias’. In het vierde boek hiervan gaat het over Jacobus, zijn predikingen in Judea en Samaria en zijn dood door het zwaard. Pas in de 7e eeuw verschijnt een Latijnse versie van de apostelgeschiedenis in Galicië onder de naam ‘Brevarium Apostolorum’. Daarin wordt verteld dat Jacobus gepreekt zou hebben in het Westen van Spanje, omkwam door het zwaard van Herodus en begraven werd op een oud Romeins kerkhof, op de plaats die later Compostela werd genoemd. In de 8e eeuw gaan opnieuw verhalen als zou Jacobus in het Westen van het Iberisch Schiereiland hebben gepreekt. De jonge Asturische kerk greep deze legendarische versie grif aan als verdediging tegen Adoptianisme en Islam om daardoor haar oorsprong te kunnen verbinden aan een apostel van Jezus van Nazareth. Zo kon het vermeende graf van Jacobus in Galicië worden ‘herontdekt’. Verhalen werden in die tijd van generatie op generatie mondeling doorgegeven. Het was geen uitzondering dat aan een verhaal een andere wending werd gegeven wanneer dat beter uitkwam. Ook kon het gebeuren dat een verhaal geleidelijk aan een andere inhoud kreeg, ondanks de geoefendheid van mensen in het verhalen vertellen. Waarheid en fictie gingen vaak geleidelijk aan in elkaar over. Het meest waarschijnlijke is dat Jacobus is begraven op de Olijfberg. Maar de legende ging een eigen leven leiden in Spanje. In 1077 wordt in de ‘Concordia de Antealtares’ over het ontdekken van het graf van Jacobus in Spanje verteld. De eremiet Palagus wordt in zijn droom ingelicht over de plaats van het graf, een oude Romeinse begraafplaats in Compostela. De plaats van het graf werd aangewezen door een ster. Dit was aanleiding tot de naamgeving Campus Stellae: Compostela, Sterrenveld. De Melkweg (Via Lactea) speelt hierbij een rol. Gelijktijdig met de ontdekking van het graf ontstond de legende van de overbrenging van het lichaam van de apostel naar Galicië. Om het verhaal geloofwaardig te maken wordt het door paus Leo in een brief van gezag voorzien. Het verhaal wordt opgenomen in de Codex Calixtinus waardoor er nog meer gezag van uitgaat en daardoor waarde krijgt. Het gezag van bedoelde paus Leo is overigens gefingeerd. Sinds de (vermeende) ontdekking van het graf van de heilige Jacobus in Compostela echter ontwikkelden zich diverse pelgrimsrouten. Dit pelgrimeren naar het graf van de heilige Jacobus (San Iago) in Compostela beleefde zijn bloeiperiode van de 12e tot de 15e eeuw. In de 16e eeuw breekt de periode aan van afnemende populariteit. Het is moeilijk te achterhalen wanneer precies de eerste pelgrims toestroomden naar de plaats van het graf van de apostel Jacobus. Informatie over de eerste bedevaarten dateren uit de 10e eeuw. De eerste buitenlandse pelgrims die we uit bronnen kennen waren Godescalk, bisschop van Le Puy in het jaar 950 en rond 959 wordt de abt Caetarius van de abdij Montserrat vernoemd. Pelgrims waren niet anoniem en moesten zich kunnen legitimeren. Daartoe droegen ze onder andere aanbevelingsbrieven bij zich van pastoors, abten en bisschoppen. Onder Lodewijk de XIV werd het bij wet verplicht dergelijke documenten bij zich te dragen. Er waren twee categorieën pelgrims. Mensen door godsdienstijver aangespoord en boetelingen die verplicht waren tot een bedevaart. Pelgrims werden door Kerk en Staat beschermd. Er bestond een internationale wetgeving die van toepassing was op pelgrims om hen te beschermen. Ze reisden vaak met een vrijgeleide. In toenemende mate ontstonden er onderkomens aan de pelgrimsweg waar pelgrims konden overnachten. In de loop van de 11e eeuw kregen de Jacobuslegende en de Jacobusverering hun definitieve vorm en betekenis. In de tweede helft van de 11e eeuw groeide het aantal pelgrims dan ook aanzienlijk. Door deze groei nam Compostela een steeds arrogantere houding aan van verzet tegen Rome. De pausen vreesden een opbouw van macht en invloed ten aanzien van westerse kerken door de kerk van Compostela. Oorzaak hiertoe was het belang wat aan een apostel als patroon werd toegekend, zoals de kerk van Rome dat zelf deed dankzij haar apostel Petrus. Rome was pas gerust, toen tegen het einde van de 11e eeuw de Rome gezinde cluniasenser monnik Dalmatius de bisschopsstoel van Compostela bezette. Compostela zou een belangrijke Europese bedevaartplaats worden en daarin gelijk komen staan met Rome en Jeruzalem. Een bepaalde passage dienaangaande in de ‘Gids voor de pelgrim’, een onderdeel van het ,Liber Sancti Iacobi’ dat in 1140 werd voltooid, bevestigd dat de drie bedevaartplaatsen als gelijkwaardig moesten worden beschouwd. Het is in het midden van de 11e eeuw dat de Sint-Jacobustraditie en de Compostelabedevaart de beperkte sfeer van de Mozarabische kerk verlaat en zich opent voor het christelijke Europa. Verschillende factoren zijn hierop van invloed geweest zoals: – Spaanse vorsten als Alfons VI (1072 – 1109) – invloeden van de monniken van Cluny bij de organisatie van de pelgrimswegen – de vestiging van Franse koop- en handwerklieden in de steden langs de pelgrimsrouten – aansluiting bij de grote Frans-Romaanse bouwstijl van het christelijke Westen. Cluny had een relatief belangrijke invloed op religieus vlak. Het had de aspiratie Spanje te saneren, dat door de Sarracenen bedreigd werd. Cluny zou een religieus netwerk uitbouwen dat zich uitstrekte van Bourgondië tot aan Santiago. Daarnaast bepaalde Cluny sterk de politiek en de toekomst van Spanje vanuit raadgevingen die de cluniasenser monniken gaven aan de Spaanse prinsen en doordat ze goede relaties onderhielden met Frankrijk en Spanje.

02 klaar voor vertrek 3 juni 2005

Bij de Jacobskerk hier in Den Bosch heb ik het eerste stempel in mijn credencial laten zetten. De Sint-Jacob is onlangs aan de eredienst onttrokken en ondergaat aanpassingen tot museum voor werken van Jeroen Bosch en concertzaal voor religieuze concerten. Geen echte ‘Bosch’-werken, want daar heeft Nederland er nagenoeg geen van. De voormalige koster/beheerder draagt nog altijd netjes de zorg voor het uitreiken van stempels en is blij dat er weer eens iemand komt.

Witte donderdag. Om 04:00 uur loop ik naar de Trappisten in Berkel-Enschot om er de plechtigheden mee te maken. Andere jaren loop ik er ’s woensdags heen en blijf dan tot eerste paasdag voor een paastriduum. Maar dit jaar vind ik het niet zo passen om Henny zo kort voor mijn vertrek alleen te laten. Het is stralend weer om te lopen en de rust van het Brabantse landschap en de abdij doen me goed. Absolute stilte en inkeer leiden je tot de diepste grond van je bestaan.
Goede vrijdag.Vandaag eens geen live Matthäus Passion. Voor het eerst sinds jaren is deze traditie doorbroken om gewoon een eindje te wandelen en thuis te zijn. Maar natuurlijk gaat Bach ’s Matthäus de hele dag door mijn hoofd. Het past ook in de sfeer van mijn pelgrimstocht. ‘Een dag zonder Bach, is een dag niet geleefd’. Bach zijn muziek en tekstverbindingen, waarin hij als geen ander subtiel emoties weergeeft in alle gradaties waardoor je naar je eigen bron wordt teruggebracht.Duidelijk spirituele invloeden die religieus getint zijn. Ik wil me niet rekenen tot de groep die om pure geloofsmotieven naar Compostela gaat, al ben ik vanaf mijn geboorte met geloof grootgebracht en ervan doorspekt. God was overal, al zagen wij hem niet anders dan op plaatjes en hoorden we over hem in vage verhalen.
Onderweg werd ik me ervan bewust hoe ’n geloof, dat in de vroege levensjaren wanneer het brein nog ontvankelijk is voortdurend werd ingeprent, bijna de status van instinct verwerft. De essentie van instinct is dat het wordt gevolgd, zelfs tegen de ratio in. Dankzij mijn erg Rooms Katholieke opvoeding en opleiding, ben ik soms teleurgesteld en boos op God dat hij maar een verzinsel is en niet bestaat. Het zou zoveel eenvoudiger zijn als dat wel het geval was. Jezus, dat gaat nog wel. Die heeft werkelijk bestaan en getracht de mensen iets te leren en naar een hoger plan te brengen. Helaas kwamen er meer jesusachtigen en ging ieder zijn deel en vooral zijn gelijk opeisen.
De Kerk ziet zichzelf graag als unieke spreekbuis van Boven en legitimeert haar gezag over de gelovigen met een zelfinterpretatie over dat geloven wat in een eeuwenlang proces over de inhoud van dat geloven binnen die Kerk tot stand is gekomen en verder is uitgebouwd tot een instituut. Het instituut zoals we dat nu kennen, een zelfbeschermend instituut wat er enkel nog op is gericht dat instituut in stand te houden. Binnen dat instituut worden ambtsdragers en leden van de Kerk bewust en onbewust beroofd van hun vrijheid tot denken en het maken van keuzen. Een simpele opvatting dat enkel de ambtsdragers beschikken over absolute kennis van God en al hun spreken van Boven komt is niet meer acceptabel in deze tijd. De leer die de Kerk daarmee uitdraagt slaat niet meer aan bij mensen van onze tijd. God bestaat enkel en alleen in de gedachten van mensen en komt uit die gedachten voort. Eerst was de mens, pas toen ontstonden er religies en godsbeelden. De vanzelfsprekendheid van een God en godsdienst in mijn jeugd is geëvolueerd en bestaat niet meer. Wat bleef is de loyaliteit aan die godsdienst die ik heb behouden vanuit mijn opvoeding. Alle dogma’s en opgelegde godsbeelden heb ik verlaten. Het klinkt misschien aanmatigend, maar ik heb ze niet nodig om te leven als een goed mens.
En toch reken ik mij nog steeds tot de religieuze mensen. Ik zou echt niet kunnen uitleggen wat dat precies betekent; zoals ik ook niet kan uitleggen wat echte liefde is. Ik denk ook dat het niet is uit te leggen of te verklaren, het heeft te maken met je er aan over kunnen geven. Het toelaten. Ik geef mij over aan iets wat buiten mijzelf is en laat het toe waardoor het me inspireert en energie geeft. Ik heb teveel om me heen gezien en meegemaakt dat geloof mensen tot steun en troost was en mensen er hoop uit putten. Zo laat ik geloof ook toe, zonder er zelf actief nog iets bijzonders mee te doen dan ernaar te leven.
Daarbij valt het me op dat, terwijl ik wandel, er vrijwel uitsluitend liederen uit mijn katholieke traditie door me heengaan. Vooral de teksten van Oosterhuis doen het blijkbaar goed in mijn muzikale brein, met daarnaast het hele areaal aan gregoriaanse gezangen en de baspartijen uit de tijd dat ik zong in het vocaal ensemble ‘Markant’. Maar het gaat me te ver om daarmee uitsluitend een link naar geloofsmotieven voor mijn pelgrimstocht te leggen.

Zo vertrek ik tweede paasdag na de hoogmis vanuit abdij Koningshoeven met de zegen. Maar ook dat is een ankerpunt en het past in de traditie van het pelgrimeren.
Mijn pelgrimszegen vertaalde ik uit het Duits.

God, eens hebt Gij Uw knecht Abraham op al zijn wegen onvoorwaardelijk behoedt. Eens hebt Gij de zonen van Israël over een droog pad door de zee gevoerd. Door de ster hebt Gij de Wijzen uit het Morgenland de weg naar Christus gewezen. Geleidt ook mij, die als gelovige op pelgrimstocht naar de heilige Jacobus vertrekt. Laat mij Uw aanwezigheid ervaren, vermeerder mijn Geloof, versterk mijn Hoop en vernieuw mijn Liefde. Bescherm mij voor alle gevaren onderweg en voor ieder ongeval. Breng mij gelukkig aan het doel van mijn pelgrimstocht en laat me ongedeerd weer naar huis terugkeren. Sta mij tenslotte toe, dat ik veilig het doel van mijn aardse pelgrimstocht bereik in verlangen naar het eeuwig leven. Daarvoor bid ik U door Christus Jezus onze Heer. Amen

Paaszaterdag. Vandaag heb ik wat aangerommeld en definitief de inhoud van mijn rugzak samengesteld. Ondanks dat ik eigenlijk zowat alles thuislaat wat enige luxe zou kunnen bieden, wegen rugzak en inhoud toch nog ruim 13 kilogram. Daar kan echt niets meer af. Mijn streefgewicht was 14 kilogram, dus dat heb ik aardig gered. Sommigen vinden dat een pelgrim teveel zekerheid meeneemt, waardoor een rugzak onnodig zwaar beladen is. Met die kennis kijk ik nog eens kritisch naar de inhoud. Anderen beweren met de helft te zijn rondgekomen. Zekerheden kun je onderweg altijd nog inwisselen. De regen die er nu valt kan dinsdag niet meer vallen, de temperatuur mag gerust iets lager voor een wandelaar. Ik heb mijn route nog eens doorgekeken en op Internet toch nog twee mogelijke slaapplaatsen ontdekt. Slaapplaatsen en verstaanbaarheid, de onzekere factoren. Pasen; heb je de moed om op te staan, of blijf je in het graf liggen? Vol goede moed tel ik verder af naar dinsdagmorgen. Vannacht is de klok een uur vooruit gezet. Het geeft me nog net de tijd om mijn bioritme op orde zien te krijgen. Mijn rugzak staat nu definitief gepakt. Morgen om 11:00 uur bij de Trappisten naar de hoogmis en na afloop de zegen. Op hoop van zegen. Tweede paasdag. Vanochtend de hoogmis in de abdij, mijn laatste leesbeurt als lector voor de komende maanden. Buiten verwachting zijn er veel familieleden en vrienden. Tijdens de voorbede wordt extra aandacht aan mijn pelgrimstocht geschonken. Vanaf dat moment eigenlijk is alles werkelijkheid en verdwijnt de twijfel. 02_pelgrimszegenkopie_a Na afloop in de grote refter geeft Isaac me zijn zegen in aanwezigheid van familieleden en vrienden. Een kop koffie tot afscheid en ik besef dat het nu echt begint en alleen op mij aankomt.  Thuis in ’s -Hertogenbosch komen Ruben, Anneloes en 1_koningshoevenkleinJetje afscheid nemen. Ze konden vanochtend niet in de hoogmis zijn omdat ze uit Genéve moesten komen. De laatste die nog even bellen. De vele kaarten die op de schouw staan. Het zijn allemaal blijken van meeleven en ondersteuning.

cid-95342381025012007-0b4a

Geplaatst in Geen categorie | 7 reacties

DEEL 1 ’s -Hertogenbosch – Stenay

route 3 den bosch - le puykopie En zo vertrek ik op 29 maart vol goede moed op weg voor de eerste etappe naar Veghel. Henny loopt mee deze dag. Onderweg in Middelrode wacht zus Jo om een eind mee te lopen.

05_henny_jo Motregen en zon wisselen elkaar die dag af, uiteindelijk wint de zon. In Veghel eten we wat en gaan ze met de bus terug. Ik loop door naar mijn zwager, waar ik eet en de avond en nacht doorbreng. Het begin is gemaakt. De dag erop is een heerlijk frisse dag met volop zon. Zingend in mijzelf loop ik richting Erp en Handel. Onderweg van Veghel over Het Ham houdt de ziekte en het overlijden van zus Jeanne, inmiddels alweer vier jaar geleden, me voortdurend bezig. Haar jarenlange ziekteproces waar ik zo bij betrokken was en de bewonderenswaardige manier waarop ze met haar ziekte en toenemende beperkingen omging. ,,Ook mijn zwaarste uur duurde maar 60 minuten”, moest ik op haar gedachtenisprentje schrijven. Ze was de tweede van ons gezin met negen broers en zussen die relatief jong stierf. Vorig jaar september overleed de derde, mijn jongste broer plotseling tijdens zijn marathontraining. IMG_3513 André Witlox_Jacobsschelp roodkoperVlak voor zijn overlijden gaf hij me zijn advies als edelsmid toen ikzelf uit roodkoper een jacobsschelp ging maken die ik op mijn rugzak mee zou gaan dragen. Ik droeg de schelp uiteindelijk als gedachtenis aan hem naar Compostela. Het doet me pijnlijk beseffen hoe betrekkelijk alles is en hoe belangrijk om iedere dag uit het leven te halen wat erin zit. Door Erp lopend filmt mijn betrokkenheid bij Simeonshof door me heen, de vele jaren van hard werken, stimulerend leiding geven, er voortdurend willen zijn voor anderen en de geweldige mensen die er met me samenwerkte om een ideaal van mens nabije zorg te verwerkelijken. Wat ik er heb kunnen betekenen voor mensen werd duidelijk bij mijn afscheid. Opnieuw voel ik me rijk. Was het Kierkegaard die zei dat een leven voorwaarts geleefd wordt, maar achterwaarts wordt begrepen?

07 kapel Esdonk  Voorbij Boerdonk kies ik ervoor om langs het ,,Spijkerkapelleke” van Esdonk te lopen en er een grote noveenkaars te offeren op het goede verloop van mijn tocht. Soms is het nu eenmaal verstandig vooraf ruim te investeren, ook heb je zo je twijfels. In de rust van het oude kapelletje moet ik denken aan onze goede pater Leopold Verhagen O.S.A., die er jarenlang zijn preken hield op die ene dag in het jaar dat gelovige boeren en burgers uit de omtrek er een openluchtmis kwamen bijwonen. Leopold paste in dat geheel, zoals hij eigenlijk in elk geheel paste. Hagepreken, lijken het vandaag de dag. Zo ging dat nog in die tijd met dit soort mensen die als factotum golden en daar voor wilde uitkomen ook. Al herinner ik me levendig uit die tijd dat zijn eerwaarde medebroeders nogal misnoegd deden over zijn speciale televisiehabijt. Ook monniken is niets menselijks vreemd. Bij Maria in Handel leg ik mijn verzoek om een behouden tocht neer en bezegel het met een bescheiden kaarsje. Samen met de Christoffel ooit door mijn moeder uit Lourdes meegebracht die zus Toos me gaf, de Christoffel van zus Tine, de Christoffelprentjes van Isaac en zijn moeder en de gelukssteen van Marie-Claire moet het toch een eind gaan lukken. Ik overnacht gastvrij bij Truus en Jack. Ze verwennen me met een heerlijke maaltijd en een gezellige avond, waarin we kunnen delen wat ons bezighoud. De volgende morgen laat ik bij de schoenmaker in Gemert eerst mijn nieuwe inlegzolen beter op maat maken, ze zitten niet lekker. De plensbui van Gemert naar Bakel deert me niet. Ik kan mijn poncho uittesten en bevestigen dat ik eronder net zo nat word als erboven vanwege de condens. Na regen komt altijd zonneschijn, ook tussen Bakel en Deurne. Zingend trek ik Deurne binnen en ga op zoek naar eten. Terwijl ik op een terrasje in het centrum van Deurne koffie drink voel ik me opnieuw rijk. Ik moet er denken aan dokter Wiegersma die er woonde, werkte en op zijn eigen wijze invulling gaf aan zijn huisartspraktijk waardoor mensen hem nu nog bewonderen. Een legende bijna, waar tref je ze nog. Vrijheid en genieten van alles wat ik tegenkom, ik voel me zo rijk. Ontmoeten, ont- moeten en niets moeten. Meneer Van der Eijnden, die aan de schelp op mijn rugzak de conclusie trekt dat ik onderweg ben naar Santiago, vraagt me om hem een kaartje te sturen als ik eenmaal ben aangekomen. Ik heb het uiteindelijk natuurlijk gedaan. Aan een spontaan verzoek voldoe je. Alleen al daarom zou je naar Santiago de Compostela lopen. Schooljongens vergezellen me van Deurne tot Liessel. Ze hebben nog nooit iemand met zo een zware rugzak zien slepen en hij loopt ook nog zo hard vinden ze. Van Compostela hebben ze nog nooit gehoord. Hevig geïnteresseerd naast me fietsend, absorberen ze het verhaal van de sterrenweg en de apostel die aanspoelt waardoor al 1200 jaar mensen overal vandaan naar Compostela lopen. Ze zijn zichtbaar trots dat deze pelgrim hun dorp heef uitgekozen om er te overnachten. Ze vinden dat ik een boek moet schrijven over de tocht, de sterrenweg, de apostel en of zij er dan ook in mogen voorkomen. Natuurlijk. wanneer het een boek zou worden zouden zij er zelfs prominent in voorkomen als geïnteresseerde ,,Peelreuzen”.

07_schooljongens_liessel_a Parmantig en broederlijk poseren ze voor de foto die in het boek moet komen. Bij de Liesselse kerk nemen ze gehaast afscheid om hun ongeruste moeders te gaan vertellen waarom ze zo laat thuis zijn en wat ze hebben meegemaakt onderweg. In een vreemde streek verwacht je geen bekenden tegen te komen. Als dat dan toch gebeurt, is de verrassing des te groter. Wim, bekend vanuit mijn vroegere werk en zijn vrouw, toevallig een nicht van Henny, fietsen me achterop en kijken verbaasd naar de wandelaar met zijn grote rugzak. Om dan tot de ontdekking te komen wie er schuilgaat achter die rugzak. Het hoort bij de eerste verrassingen. De boerencamping biedt me gelegenheid in een appartementje te overnachten. Een verbouwde varkensstal met kamertjes als in een verzorgingshuis. Maar comfortabeler dan de tent, dus neem ik het aanbod van de vriendelijke eigenares met graagte aan. De weg naar Weert is lang maar afwisselend. Het peellandschap verandert geleidelijk van karakter. De voorjaarszon geeft alles een vriendelijke uitstraling. Vlak voor Nederweert wordt ik van achter aangeroepen. In hoog tempo komen twee mannen aangestapt om te informeren waarheen de tocht gaat. Mijn stevige rugzak heeft hun interesse gewekt. Zelf gaan ze over enkele dagen op weg naar Rome. Dat het mijn tweede bekende is in twee dagen moet als volgend toeval worden bijgeschreven. Sommigen zeggen dat toeval niet bestaat. Ik zou geen betere uitleg weten te bedenken als dat toeval, toeval is. Al lopend heb ik erover nagedacht en ben tot de slotsom gekomen dat je kunt aannemen, geloven, dat toeval niet bestaat. Dat alles is voorbestemd, maar dat is mij te simpel. Toeval moet je gewoon toeval laten. Letterlijk: het valt je toe. Iets bestaat omdat het bestaat, niet omdat je erin gelooft. Van diverse kanten, zojuist nog door de twee wandelaars, is me het klooster van de Franciscanen in Weert als goede overnachtingplaats aanbevolen. Het was al mijn plan om daar aan te kloppen en dus voel ik me versterkt. Ik heb me voorgenomen nergens gebruik te maken van mijn telefoon om zo een slaapplaats te regelen, dan stop ik er nog liever mee. Om de franciscanen duidelijk aan te geven wat ik aan het doen ben, doe ik de jakobsschelp om mijn nek. Vol vertrouwen meld ik me aan een balie bij de receptioniste van het klooster. Een groot deel van het kolossale pand is als kloosterbejaardenoord verbouwd merk ik. Gelijktijdig met mijn aanmelding komt een pater op mij af, om op niet al te vriendelijke toon te informeren wat ik kom doen. Blijkbaar is de rugzak en de schelp die ik draag niet voldoende. Dus leg ik uit op weg te zijn naar Santiago en het klooster heb aanbevolen gekregen om te overnachten. Ter bekrachtiging en op zijn vraag wie me verwees laat ik de geloofsbrief van Dom Korneel, abt van Koningshoeven, zien. Waarop een hel losbarst aan onduidelijke verwijten aan het adres van de trappisten en afwijzingen. Verbouwereerd wacht ik af, maar de pater blijft grommen en mopperen en weigert me onderdak. Ik heb de verkeerde vraag gesteld merk ik bescheiden op en vertrek. Vergezeld van de ,,eerwaarde” die intussen mopperend zijn afwijzing probeert goed te praten, terwijl hij aan het poortgebouw gekomen een deur opent om er binnen te gaan. Naast de deur een bord ,,gastenverblijf”! Wat zal zijn stichter hiervan vinden? Mijn vertrouwen in de clerus was al verzwakt door alle perikelen in de Kerk, maar heeft er nu een forse deuk bij gekregen merk ik aan mezelf. Als ik God was, bedenk ik me, zou ik mezelf het meest ergeren aan hen die beweren namens Mij te spreken. Het zijn vaak de grootste godlasteraars, preken het goede en doen zelf het verkeerde. Ik vind onderdak bij bijzonder aardige mensen via mijn lidmaatschap ,,Vrienden op de fiets” en breng er een gezellige avond door met een goede maaltijd. Een hekel aan fietsen, maar wel lid. ’s -Avonds in bed houdt de affaire me steeds bezig, maar troost ik me in het verhaal van de Indiaan die bij God aankomt en zegt: ,, het spijt me, maar ik heb nooit van U gehoord, ik heb mijn hele leven de zon aanbeden”. Waarop God antwoord: ,,geeft niet, wat je voor de zon deed, heb je voor mij gedaan”. Ongetwijfeld zijn er ook veel indiaanse franciscanen.

De weg naar Maaseik is weinig afwisselend. Voortdurend langs de autoweg, hoewel er in alle vroegte nog weinig verkeer is. In de bibliotheek van Kinrooi mag ik van de bibliotheek mevrouw de computer gebruiken en kan ik de eerste bladzijde aan mijn web-log toevoegen zodat het thuisfront mijn belevingen kan volgen. Het is stralend mooi weer. Het lopen gaat goed, al weegt de rugzak vandaag zwaarder dan gister. Met hetzelfde aan gewicht wisselt dat gewichtsgevoel per dag. Op het middaguur bereik ik Maaseik. Ik neem aan dat de zusters eten op dit moment. Dus drink ik eerst koffie en eet een broodje op een van de gezellige terrassen in de oude stadskern onder het toeziende oog van een standbeeld van de gebroeders Van Eyck. De zusters hebben onlangs een refugio geopend en maken reclame in ,,De Jakobsstaf”. Maar mijn eerste poging me aan te melden levert niets op. Misschien dutten ze inmiddels, ik loop een rondje door het stadje. Ook even later krijg ik geen leven in het kloostercomplex. Misschien is het complex te groot. Ook de derde, vierde en vijfde poging brengen geen leven in het complex. Even overweeg ik aan te kloppen aan het complex van de Kruisheren, maar de uitstraling van het gebouw alleen al doet me besluiten het maar niet te proberen. Via de VVV vind ik onderdak bij aardige mensen in hun bungalowtje even buiten het stadje. Mevrouw is blij met haar gast. Manlief is voortdurend van huis om te bridge en zij zit alleen thuis, terwijl ze zo toch graag met mensen praat. Een geweldige maaltijd en koffie zijn de dank voor het urenlang aanhoren van mevrouw haar verhalen. Met de grootste moeite kan ik me in de avond vrijmaken om te gaan slapen. In alle vroegte verzorgt mevrouw mijn ontbijt. Uitgebreid. Te uitgebreid eigenlijk voor een pelgrim die verder wil. ,,Allee, ge moet goe eten”. De afstand naar Maastricht is groot en het zal een warme dag worden. De rugzak hangt zwaar tegen mijn bezwete rug. Maar de Maas die met regelmaat opduikt en het afwisselende landschap zorgen voor voldoende afleiding.

05 Maastricht kerk en ballonIn de middag bereik ik Maastricht. Een plein vol kinderen herdenkt er Toon Hermans door het oplaten van ballonnen en het meezingen van Toon zijn pakkende liedjes. Ik meld me aan de Kathedraal voor een stempel op mijn Credencial en hoor van de man dat paus Johannes Paulus II vandaag is overleden. Gelukkig. Daarmee komt er een eind aan de zielige vertoning van deze zieke man op het bordes van het Vaticaan en alle speculaties rond zijn mentale bekwaamheden. Deze paus heeft de Kerk in zijn lange regeerperiode weten te restaureren tot een bolwerk van conservatisme, waarin mensen die zelf kunnen nadenken geen plaats meer vinden. Zijn Kerk miste elke aansluiting bij ons tijdsgewricht, ontwikkelingen en werkelijke behoeften van mensen die in hun aard behoefte hebben aan religie en geloof. Het veranderend geloven in onze Westerse samenleving leidde ertoe dat hij zijn Kerk verplaatste naar arme landen waar mensen gemakkelijker aannemen wat de Kerk wil dat ze aannemen. Hij is de paus van de gemiste kansen, hoewel hij en de zijne van mening zijn dat mensen ooit zullen terugkeren tot een geloof zoals de Kerk dat voor hen bedenkt en voorhoudt. Gewoon, omdat de tijd zich herhaalt en mensen al zolang er mensen zijn, intrinsiek de behoefte hebben gehad in mystiek te geloven. ,,De tijd zal ons zoals altijd in het gelijk stellen”, zei de aartsconservatieve bisschop Ter Schure eens tegen me in een persoonlijk gesprek. Een soort Wet der Wederkerigheid. Zijn paus en hij zullen waarschijnlijk gelijk krijgen, al zal ik het niet meer meemaken. Zij trouwens ook niet. Dogma’s raken mensen nu eenmaal niet in hun harten. En aangezien het nu eenmaal niet mogelijk is dat elke religie het gelijk aan zijn kant heeft, lijkt de enig juiste conclusie dat ze allemaal ongelijk moeten hebben.
Anderzijds was het evenwel ook de paus die het Oostblok deed instorten en bruggen bouwde tussen de verschillende religies. Eenrichtingsbruggen, waarbij hij jammer genoeg niet naliet te benadrukken dat het Roomse geloof het enig ware geloof is. Toenemende afkeer, ongeloof en ontkerkelijking zijn een antwoord op de starheid en behoudzucht binnen de Kerk. Ik houd het dan liever bij de uitspraak van Mgr. Bluyssen: ,,Als de Kerk niet menselijker wordt, worden de mensen niet kerkelijker”.
Wat me zo tegenstaat in de Kerk zijn mensen als paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en kloosterlingen die hun waarheid uitdragen alsof ze met God of Jezus op school hebben gezeten en zojuist nog hebben gesproken. Geef mij dan maar mensen van het soort Bluijssen of Peerke Donders.
De man aan de kathedraal vraagt me terug te komen. Op vertoon van mijn Credencial mag ik gratis het museum bezoeken. Ik ga op zoek naar het hostal waar ik wil overnachten. Op Internet maken ze goede reclame. Na enkele pogingen krijg ik te horen dat ze geen zin hebben mensen te ontvangen. Of ik het enkele straten verderop wil proberen. Daar lukt het voor 50euro een ongezellige kamer te bemachtigen. Een stalen douchebak zonder gordijn staat in de kamer en is het enige sanitair. Even overweeg ik de kloosters te proberen in de stad. Maar kloosters geven me geen goed gevoel meer, de gedachte alleen al maakt me ongelukkig en onzeker. Ik was mezelf en ga de stad in. Het is koopzondag, stralend weer. De stad wemelt van mensen op zoek naar alles wat ze al hebben, maar wat juist op zondag gekocht moet worden. De terrasjes op het Vrijthof zitten vol, er is van alles te doen. Het is er gezellig. Goverdien belt hoe het gaat. Voor het eerst voel ik me alleen. Ik eet wat en ga vroeg slapen. Morgen wil ik voorbij Luik geraken en de Ourthe oppikken.

09 maretak aVroeg verlaat ik Maastricht en kom langs bomen die volhangen met maretak. Met de trein omzeil ik een stuk van Luik. Vanaf het station zoek ik de boorden van de Ourthe op en blijf de rivier zoveel mogelijk volgen. Even buiten Luik raak ik verstrikt in snelwegen en viaducten. Het lukt me uiteindelijk om via mijn landkaartje en de zon de boorden van de Ourthe terug te vinden. Een man en zijn vrouw spreken me aan. Hij wil in augustus naar Compostela lopen en wil nog enkele tips. Zekerheden. Vlak voor Esneux volg ik het eerste het beste bordje wat naar een camping verwijst in de hoop dat deze niet al te ver uit de richting ligt. Een vriendelijke restauranteigenaar verteld me dat de camping zowat om de hoek ligt. Ik drink koffie en zoek de camping op. Behalve een echtpaar in hun caravan met twee zonen in een tent is het hele terrein leeg. Ik kan kiezen en sla mijn tentje op aan de zoom van de Ourthe, vlak aan de achteruitgang. Mensen om wat mee te praten zijn er niet. Ik besluit het maar eens in de kantine te gaan proberen. Behalve de eigenaresse is er niemand. Terwijl ik koffie met haar drink verteld ze me dat ik de andere morgen het best rechtsaf tegen de stroom in kan gaan om op mijn route naar Hamoir te komen. Een mooie route en niet om. Ik kan er krant lezen en het journaal kijken in de kantine. Maar het interesseert me niet zo. De overleden paus en het journalistieke gedelibereer over zijn opvolging houden mij niet bezig. Journalisten hebben zelden gelijk als het conclaaf moet kiezen. Ik houd me beter bezig met de route van morgen en lig wat in de tent naar de wind te luisteren. Het is precies als vroeger bij de verkenners, alleen heb ik nu de tent voor mijzelf alleen. Alleen. Het houdt me aldoor indringender bezig. De hele dag alleen te lopen is niet erg. Je loopt je eigen tempo, kijkt naar dingen die je interesseren, stopt wanneer je wilt. De dag zit vol afwisselingen. Maar de tijd die je niet loopt vergaat traag. Hoe mooi was het vandaag door Zuid Limburg en langs de oever van de Ourthe te lopen. Maar tegen wie kan ik dat zeggen en met wie overleggen? Mijn Frans is abominabel en Franse conversatie is vanaf nu een must en tevens dus een fors probleem. Mijn aantekeningenboekje is geduldig. Ik besef dat het niet mee zal vallen om zo maanden alleen rond te dolen. Maar misschien verandert dat morgen. Ik zag het toch als een uitdaging om alleen op pad te gaan? Ik was toch van mening best drie maanden alleen aan te kunnen, zonder gebonden te zijn aan anderen? Zag ik er niet naar uit? Maar knaagde de onzekerheid die me nu steeds vaker overvalt niet aldoor? Nadat ik bij de vriendelijke restauranteigenaar heb gegeten begint het in de vooravond te regenen. Pas tegen de ochtend houdt het op. Mijn lichtgewichttentje heeft de regen goed doorstaan. Alleen is de binnenkant vochtig van het condenseren, maar rugzak, kleren en schoenen zijn droog gebleven. De ontluchtingsflappen hebben maar ten dele hun werk gedaan. Ik heb goed geslapen en voel me fit. In alle vroegte zodra het licht begint te worden breek ik op en breng alles naar het toiletgebouw waar ik mijn rugzak inpak. Ook een ontbijtje in een toiletgebouw kan goed smaken.

10_ourthe_stroomversnelling_kl Het advies van de campingeigenaresse was een goed advies wat het landschap betreft. De begroeide heuvels waardoorheen een snelstromende Ourthe haar weg zoekt zijn prachtig in de onluikende ochtend. Water genoeg, op weg om de Maas te voeden. Een slecht advies wat mijn tijdberekening betreft. Pas na anderhalf uur flink doorstappen kom ik terug in Esneux waar ik, was ik linksom gegaan, in een kwartier zou zijn geweest. Maar ach, ik zie wel hoever ik vandaag kom. Nergens wordt ik verwacht, nergens heb ik een verplichting. Ik betrap me erop dat ik niet oplet. Verdwalen is niet mogelijk, de Ourthe is mijn geleider. Vogels doen hun best om me wat op te vrolijke, maar het lukt niet goed. Ik begin te piekeren en me onzeker te voelen. Het lopen gaat automatisch, maar ik mis mijn drive. Ik besluit om in Hamoir toch maar te zien of ik in het klooster kan slapen of anders een gîte kan krijgen. Hamoir is niet groot, maar de supermarkt is goed voorzien. Ik koop mijn lunch en vindt een parkje langs de spoorlijn waar af en toe een boemeltrein langsrijdt om te eten. In het plaatselijke Office de Tourism spreken ze Nederlands en Duits naast het eigen Frans, tenminste volgens het bord aan de deur. Niet dus. Ze ontraden me stellig om bij het klooster aan te kloppen, ze nemen daar geen gasten. De paters leven liever alleen in hun luxe châtheau. Het komt pijnlijk bovenop de deuk die ik eerder opliep. Voor 40 euro kan ik in bij particulieren slapen. Een net adres, vriendelijke jonge mensen. Ik kan er met hen eten en ontbijten voor 15euro en mijn tent mag aan de waslijn te drogen hangen. Mijn kleren zijn niet echt bezweet of vies, wassen is dus niet nodig vandaag. De vriendelijke mensen spreken uitsluitend Frans en dat op de bekende Franse manier: snel als een mitrailleur. Pogingen om er de ,,handrem” op te zetten mislukken keer op keer. Gelukkig is oma opgetrommeld vanuit Awaylle, zij spreekt gebrekkig Vlaams. Zo lukt het toch om te converseren, het is vermoeiend en het geeft weinig hoop op de toekomende maanden zonder een oma in de buurt. Op mijn kamer zit ik me af te vragen wat de zin is van in je eentje pelgrimeren zonder mensen waar je wat mee kunt praten. Ik besef dat ik de Franse taal zwaar heb onderschat hetgeen lastig is op mijn route waar men amper ooit een pelgrim ziet. En mijn zelfbedachte route zou verder doorlopen tot aan Le Puy-en-Velay door een gebied wat ik als attractief heb uitgezocht, maar waar ik zowat dagelijks zal moeten leuren om een slaapplaats en eten. Ik bedenk dat ik naar Orval zou kunnen lopen en daar enkele dagen in de abdij blijven om na te denken of dit het is wat ik wilde. Abdij. Tevoren aanmelden, gastvrijheid? Ik ken abbaye d ‘Orval niet.
De onmacht en onzekerheid die me telkens overvalt en overmeesterd ken ik niet van mezelf. Erkennen van zwakheid zal leiden tot begrip, maar hoe doe je dat? Gewoon I.Q. op nul en blik op oneindig? Dat kan ik niet. Ik besluit te gaan slapen en de volgende ochtend te beslissen hoe ik verder ga. Tenslotte heb ik niet jarenlang toegeleefd naar deze onderneming om het niet af te maken. Zoiets zit ook niet in mijn aard. Hoeveel betrokken mensen volgen me en kijken uit naar het slagen.  Waarom zou ik eigenlijk niet kiezen? Is voor het maken van een keuze niet veel meer moed nodig dan uitstellen, of niet kiezen? En voor wie maak ik de keuze om wel of niet door te zetten, voor anderen of voor mijzelf? Wie moet ik wat bewijzen? Moet ik wel iets bewijzen?
Het slapen lukt niet goed, er zijn teveel dilemma’s die me wakker houden. Uit hoeveel dilemma’s moet een mens tijdens zijn leven eigenlijk kiezen en wat voor keuzen maakt hij daarbij om tot zijn eigen leven, zijn eigen weg te geraken? Is leven niet dagelijks ontelbare keren kiezen? Keuzen die gemakkelijk zijn en onopvallend en keuzen die zoveel impact op je hebben dat ze je altijd bijblijven. Keuzen die pas achteraf bleken goed of verkeerd te zijn. Hoe vaak heb ik privé en in mijn werk niet voor moeilijke keuzen gestaan? Durven kiezen en in je eigen keuze geloven was het dan waar het op aankwam. Het zijn uiteindelijk al die keuzen bij elkaar die je weg vormen, die jou vormen. De weg die je gaat in je leven, die weg ben je zelf. Leven is voortdurend keuzen maken en besluiten. Ook verkeerde keuzen en verkeerde besluiten.
Delen van mijn leven trekken aan me voorbij als in de spiegel die zijn waarheid weerkaatst en het verhaal van mijn leven, mijn dromen en legenden vertelt met zijn obstakels, achteraf beoordeelde vergissingen en verkeerde zijwegen.
Mijn jeugd, onbezorgd als op één na jongste in ons grote gezin, een warm nest waar de waarden en normen alleen maar werden bepaald door de Kerk en een kleine dorpsgemeenschap. De fröbelschool, lagere school, misdienaar, koorknaap, welp, verkenner. In het jongenskoor zongen we gregoriaans, als misdienaar spraken we Latijns als volleerde. Al wisten we op geen stukken na wat we zongen of zeiden. Het legde mede een grondslag onder een groeiend intern gevoel wat we als roeping aanduiden. Roeping gaat verder dan de aandrang om een taak te willen volbrengen. Het is meer een indringend verlangen op basis van ervaringen of gedachten over, in dit verband, het religieus zijn. Je indringende verbintenis met een groep mensen die er eveneens voor hebben gekozen om hun leven in gemeenschappelijkheid en in gelijkgerichtheid met elkaar vorm en inhoud te geven op basis van een kloosterregel en de voorspelbare riten van de dag met gebed, studie en arbeid.
Dat mijn keuze daarbij op de Augustijnen viel had alles te maken met mijn oudere zus die Augustines is en mijn ontmoetingen met pater Sebastianus van Nuenen OESA. Eenmaal ingetreden bij de augustijnen voelde ik me er aanvankelijk erg thuis en opgenomen.
Intreden betekende afstand nemen van je vroegere leven en deel uitmaken van een aparte groep met een aparte status. Een andere naam aannemen en andere kleding dragen die je status bevestigen. Je gaat je taal aanpassen en je lichaam en geest onder controle houden. Door te voldoen aan dit soort voorwaarden, word je deel van een groep waar onderlinge solidariteit en eensgezindheid heersen en waartegen wordt opgezien. Mensen gaan je anders benaderen en je gedraagt je daarnaar. Het moest er allemaal aan bijdragen je persoonlijkheid bij te sturen en een ander mens, als buitenstaander buiten mensen, te worden.
Fraters, de priesterstudenten, kenden meer de onderlinge solidariteit dan broeders. Dat had waarschijnlijk te maken met de jeugdige leeftijd van intrede zo direct na het gymnasium, het jarenlang bijeenblijven als groep, het gemeenschappelijk moeten voldoen aan alles wat het nieuwe leven van hen vraagt en oplegt, de gemeenschappelijke doelen als studie – ontspanning – gebedsgetijden et cetera.
De ommezwaai begin jaren ’60 haalde deze gemeenschappelijke waarden geleidelijkaan onderuit. Ook fraters en paters konden/mochten er een eigen mening op nahouden. Het betekende een afbrokkelen van de gemeenschap, zonder dat aanvankelijk de onderlinge solidariteit erdoor teloor ging. Wel ontstonden er individuen die groepen van gelijkgerichte gingen vormen.
Zelf deed ik nooit gelofte. Door de gelofte zou ik me mijn leven lang moeten verbinden aan een leven waaraan ik steeds meer was beginnen te twijfelen. Opvattingen over geloften en beloften zijn een voortvloeisel uit mijn opvoeding en zijn heilig in mijn ogen, je doet ze voor je leven, kunt je er nooit helemaal van losmaken of je eraan onttrekken.
Dat ik uittrad had alles te maken met de veranderingen in de Kerk die weliswaar veel meer vrijheden toeliet, maar er tevens de oorzaak toe was dat het convent uiteengroeide en mijn twijfels over het doen van geloften voor het leven alleen maar groter maakte.
Door uit te treden brak je met de groep en de onderlinge solidariteit. Het werd misschien niet gevoeld als verraad, maar het confronteerde de andere groepsleden sterk met hun eigen twijfels en onzekerheden. Het heeft na mijn uittreden dan ook een hele tijd geduurd voordat ik me weer onder augustijnen wilde begeven. Anderzijds legde het nieuwe leven vrijwel meteen beslag op me.
Vrijwel direct na mijn uittreden moest ik in militaire dienst.Als kloosterling hoefde je niet in militaire dienst en daardoor had ik enkele jaren uitstel gehad zodat ik ouder was dan de doorsnee soldaat. Het soldatenleven was volkomen anders dan het groepsleven wat ik gewend was. Het klakkeloos opvolgen van, in mijn weldenkende geest, vaak absurde opdrachten en bevelen een probleem dat vaak tot confrontaties met meerdere in rang aanleiding was. Niet verstand en weldenkendheid, maar rangorde maakte de dienst uit. Ik kwam in de onderofficiersopleiding en daarmee in een goed milieu terecht. Nadeel was dat ik voor 21 maanden aan mijn dienstplicht vastzat.
In de opleidingstijd leerde ik een verpleegkundige kennen. We sloten een echte vriendschap en wisselden onze gevoelens uit in ellenlange brieven, dag na dag omdat ik in Duitsland gelegerd was en maar ééns in de zes weken met verlof naar Nederland kon. Een vriendschap waaruit ik wegvluchtte vanuit de vervelende omstandigheid dat haar oudere broer zijn handen niet van me af kon houden. Ik kon het haar onvoldoende uitleggen en dat heeft mij altijd dwarsgezeten en beziggehouden. Opnieuw een belofte niet aangegaan of waar kunnen maken.
Verkering en getrouwd. De belofte voor het leven aangegaan.
Vriendschappen, hechte vriendschappen soms die ik los moest laten vanwege mijn belofte.
Loslaten en onthechten werden begrippen in mijn leven die er schijnbaar aan bijdroegen dat dromen de leemten gingen compenseren. Dat dromen en legende elkaar gingen raken.
Vreemd genoeg waren het in deze situatie die me onzeker maakte hoofdzakelijk deze feiten uit mijn leven die me intens bezighielden, gevoegd bij het feit dat ik tot de slotsom kwam dat mijn Franse conversatie absoluut ontoereikend was om me intensief met mensen te kunnen verstaan onderweg. En ik wilde me zo graag met mensen, kloosterlingen, en wie op mijn weg kwamen verstaan.
Ook hoe je op weg gaat is een keuze, voortdurend kiezen, besluiten nemen en juist daardoor ontdekken, stap voor stap. Ontdekken dat je uiteindelijk toch altijd weer bij jezelf uitkomt.
Mijn gemijmer en gepeins eindigen in het besluit om de andere dag naar Den Bosch te reizen en met Henny afspraken te maken om direct samen verder door Frankrijk te gaan en nu rustig te gaan slapen. Tenslotte is Henny haar Frans vele malen beter dan het mijne door haar verbondenheid met de Alliance Française en ze wil er zeker de tijd voor gaan vrijmaken. Met een gerust hart geniet ik alsnog een voortreffelijke nachtrust.
Om 12 uur de andere dag ben ik in Den Bosch en wandel op mijn gemak richting Orthen, waar ik met open armen word ontvangen. De reacties zijn heel verschillend. Hoe dichterbij of beter bevriend, hoe begripvoller de reactie. Uitblijven is ook een reactie. De vrijheid waarvan ik droomde bleek betrekkelijk, taal een barrière.
We denken vaak dat het ons doel is om een bepaald plan te volgen. Weinigen die zich daarbij afvragen of dat plan wel het hunne is en daarmee vergeten ze hun dromen. Hoeveel mensen moeten niet zeggen tegen zichzelf dat ze nooit hebben gedaan of geprobeerd te doen wat ze eigenlijk hadden gewild, gedroomd. Ze leven hun plan op geleide van anderen en vergeten hun dromen. Mijn droom is dezelfde gebleven, alleen mijn plan is veranderd. De enkele dagen die volgen breng ik door met mijn routekaarten die ik vooraf zo zorgvuldig elkaar overlappend uit de Michelingids had gehaald en ingeseald tegen de regen. Direct besluiten Henny en ik om samen het deel door Frankrijk verder te gaan.
Het eerstkomende weekend is alles geregeld en pakken we samen de draad op door naar La Roche-en-Ardenne te lopen. Werkelijk een schitterend landschap de Ardennen. Rustige binnenwegen volgend zonder hinder van auto’s, stukjes GR57, pittoreske plaatsjes waar oude huizen uitgestrooid lijken. Ieder gehucht met zijn eigen kerkje. Af en toe een sneeuwbui, maar heerlijk fris stralend wandelweer. De buizerd, zwevend door het zwerk op zoek naar prooi. De prachtige vos in de slootkant, morsdood gereden. De rust van het glooiende landschap, waar je als vanzelf een ruime blik krijgt en je toch naar binnen doet keren in jezelf. We genieten nu dubbel van al het moois onderweg. Al blijft me het me toch een dubbel gevoel geven.

 12_abbaye_orval_a De abdij van Orval straal macht, pracht en praal uit wanneer je van afstand nadert. Als een geweldig machtsblok domineert ze het dal in de eenvoudige streek tussen Semois en Maas. Begin 1900 herbouwd op de resten van het oude klooster uit de 12e eeuw. In volle pracht domineert een gigantisch Mariabeeld de Westgevel van de abdijkerk. De architect Henri Vaes heeft de Romaanse bouwstijl op zijn eigen wijze teruggebracht in kerk en klooster, die zijn opgetrokken uit okergele steen. Het bier wat overal wordt aangeprezen, de kaas en het vee legt de monniken bepaald geen windeieren zo te zien. Het geweldige complex, waarin de ruïnes zijn opgenomen, straalt een rust uit die direct bezit van je neemt. Vaes is geslaagd in zijn opdracht.

We gebruiken de tijd om alles rustig in ons op te nemen.

cid-95342381025012007-0b4a

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

DEEL 2 Stenay – saint-Jean-Pied-de-Port

Bij Stenay pikken we de Maas op, zoals in mijn routeschema is opgenomen. De Maas, het is hier nog niet veel meer dan een veredelde sloot. Scheepvaart is niet mogelijk, anders dan met heel kleine bootjes. Hierdoor blijft veel van de totale 925 km lengte behouden voor de natuur. Pas na Huy zal er zoveel water uit de Ardennen zijn bijgekomen dat het plotseling een bevaarbare rivier wordt.
Via ,,witte weggetjes” gaan we stroomopwaarts. Ze liggen er toevallig, niet door ingenieurs uitgedacht maar ontstaan. Geen kortste verbindingen tussen plaatsjes en gehuchten waarvan iemand toch ooit de naam bedacht moet hebben. Altijd bevind je je ergens, alles heeft een naam. Al direct bij Dun sur Meuse is duidelijk dat we in voormalig krijgsgebied komen. De vele oorlogskerkhoven uit de 1e en 2e wereldoorlogen, waarin de kruizen in schier eindeloze slagorde staan opgesteld en aan beide zijden namen van gesneuvelde dragen, tonen de zinloosheid van het oorlog voeren. Absolute menselijke waanzin.

14_maasdal_koolzaadkopie_a Soms wat ruimer, vaak sober meandert de Maas door het land. Slechts gevoed door regenwater en enkele zijriviertjes schijnt ze geen enkele moeite te doen om te groeien. Haar stroomgebied door de verschillende departementen als Meuse, Vosges en Haute Marne vormt een grote verscheidenheid en rijke afwisseling. Prachtige vergezichten en wolkenmassa’s vormen continue een panoramisch geheel. Hier ervaar je eens te meer dat de horizon niet meer is dan het einde van je gezichtsveld, maar rijk gevarieerd omdat er telkens een nieuw gezichtsveld en een nieuwe horizon verschijnt. We genieten met volle teugen, beschaamd bijna dat dit alles zich zomaar kosteloos voor niks aandient. Langzaam veranderd het landschap, waarbij weidsheid en kleurrijke afwisseling de boventoon in het palet vormen. Het opkomende voorjaar. Nieuw groen in de weidse oppervlakten wedijveren er met het goudgele koolzaad. Als een grove lappendeken kleuren ze het land. Gehuchten, dorpjes, stadjes, een enkel landgoed of kasteel ze zijn schijnbaar achteloos in het rond gestrooid om nieuwe kleur aan het palet toe te voegen.

En door dit alles heen meandert La Meuse, door de zon beschenen tot een blinkend lint temidden van bomen en struiken haar loop verradend door een zilveren schittering en grote trossen maretak in de bomen. De maretak, die bomen wurgt en als staketsels laat voortbestaan. Maretak, vanaf Limburg tot aan het Plateau van Langres zullen we haar onafgebroken tegenkomen. Goed voor hectoliters toverdrank, als er nog druïden bestonden tenminste. Eenvoudige stadjes als Verdun, Neufchâteau (Fr) en Langres waar de tijd schijnt stil te staan. De nóg eenvoudiger dorpjes, waar het leven zich langzaam uit lijkt terug te trekken. Het verval van huizen, het ontbreken van voorzieningen. De schreeuwende borden overal langs wegen die erop wijzen dat de Supermarché zich slechts op 10 kilometer afstand bevindt. Je zou hier maar oud en versleten zijn. De toevallige ontdekkingen.  13 Domrémy geboortehuis Jeanne d 'Arc In Domremy sur Meuse aan de boorden van de Maas stuiten we op het geboortehuis van Jeanne d’Arc. Mooi gerestaureerd wacht het op toevallige bezoekers. De gemeente Domremy is niet uit op massatoerisme blijkbaar en doet er nauwelijks haar voordeel mee. Iets verderop ontdekken we dat de Kerk zich de waarde van Jeanne d’Arc beter bewust was. Een gigantische kathedraal troont hoog op de oever boven het landschap uit. De standbeelden voor Jeanne en haar ouders moeten de eenvoud uitdrukken, maar dragen enkel bij aan een uitstraling van pracht en praal. Met monumenten, standbeelden en een toeristisch verkoopcentrum exploiteert zij zo haar heldin. Vanaf dit oord heb je een schitterend uitzicht beneden je, om te genieten van de eenvoudig gebleven Maas die meanderend door het weidse land kringelt en zichzelf een weg baant en daarbij elk obstakel omzeilt. Misschien is daar iets uit te leren vanaf de hoogte?

Bij Langres hebben we de draad weer opgepakt. De snelle wisselingen van zon en bewolking geven het landschap met regelmaat een ander aanzien. Een landschap dat op zichzelf al veel wisselingen ondergaat. Van grazig groene vlakte naar bebossing of uitgestrekte wijngaarden met overal daar tussendoor gestrooid de schilderachtige dorpjes. De ene XIIe eeuwse kerk volgt de andere XIIIe eeuwse op. Elk gehucht heeft wel zijn kasteel of weertoren. Wat een eenvoud, wat een genot. Grasland en koolzaadvlakten vlijen zich tegen de hemel, waar doorheen de zon brede stralenbundels uit het gestapelde wolkendek naar de aarde stuurt. Je verwacht er ieder moment de hand van God uit. Michelangelofiguren tekenen zich af in het wolkenspel. Het zwerk is één beschilderd gewelf. De typisch Bourgondische daken hier en daar, met hun in mozaïekvorm gelegde kleurige tegels. Het stoere, geheel omwalde Langres met de kathedraal van saint Mammés, die als een opgezette pop in zijn schrijn ligt. De vele, vele eenvoudige wegkruizen onderweg. Een geringe omweg. Een rijke beloning. Het plateau van Langres. Oorspronggebied van rivieren met betekenis. Gebied waar rivierstromen zich scheiden naar Noord en West. ,,Wie tegen de stroom inloopt, komt altijd bij de bron”. Zoektocht naar je eigen bron, zoektocht naar de diepte in jezelf. Een weids uitgestrekte vlakte waar hemel en aarde elkaar voortdurend lijken te raken. Een gebied om met een grasspriet in je mond naar luchten te gaan liggen kijken en fantasiefiguren de revue te laten passeren, zoals we dat als kind al deden. De ruïne van de cisterciënzerabdij van Morimond aan de rand van het plateau. Niet overeind gebleven na de terugval van het machtige Cluny. Een beetje tot pretpark voor de zondag geworden. Het kapelletje en rondslingerende stenen ornamenten getuigen van een rijker verleden. Zo ook de Romaanse kerkjes die hier mogelijk nog rijkelijker door het land gezaaid liggen. Schijnbaar vergeten geschiedenis. Juweeltjes.

Het gehucht Pouilly-en-Bassigny, waar ’n eenvoudige wijzer tegen een even eenvoudig huis ons de richting naar de bron wijst. Hier op deze vlakte komt voorzichtig het eerste water uit de grond borrelen dat voortaan Maas zal heten.

Bron Maas stroompje en Poully De inwoners van Pouilly en gezagsdragers hebben hun best gedaan er een gedenkplaats van te maken met diverse zuilen en plaquettes die de roemruchte daden van het water en henzelf doorgeven. De grootste plaquette geeft het hele verloop van La Meuse weer, met belangrijke plaatsen die zij aandoet op haar 925 kilometer lange weg voordat ze de Noordzee heeft bereikt. Voor chauvinistische inwoners uit Hedel aanleiding om hun woonplaats met viltstift toe te voegen. Hun dorpje moet immers ook op de kaart blijven na de herindelingdriften van Gerard Schampers. Kilometers lang is de beroemde Maas na haar oorsprong gedoemd om als sloot langs de weg slechts langzaam te groeien. Het zal nog even duren voordat mensen dit zuivere water bezoedelen. Ik spuug erin, niet uit misnoegen, maar met de vraag of en hoelang het duurt voordat mijn bijdrage aan Den Bosch en Hedel voorbij zal komen? Het geeft een aandoenlijk gevoel bij zo’n nietig stroompje te staan en te weten dat dit water ooit schepen zal dragen waar een flatgebouw bij in het niet valt. Bronnen maken wat in me los. Oorsprong, nietigheid, zuiverheid en onbezoedeldheid. Het begon ooit met de bron van de Schelde. Ik heb al vele jaren wat met bronnen. Het blijft me mateloos boeien. We gaan verder over binnenweggetjes van bron naar bron, door gebieden waar slechts her en der een toevallig gehucht is gestrooid en mensen zeldzaam zijn. De uitgestrektheid van het landschap waar een dagetappe bijna in één oogopslag is te overzien en het gele koolzaad afwisselt met de zwart-witte koeien in het grasland. De nachtegaal in het bosje heeft er schijnbaar het alleenrecht. Alsof hij zich aan ons moet bewijzen zingt hij zijn hoogste lied. Magnificat! We zoeken de bron van de Marne. In alle eenvoud ontspringt ze vlak onder Langres. De tralies van het hekwerk kunnen haar niet belemmeren uit de grond op te borrelen en direct als kronkelend watertje haar loop door het bos te beginnen om daarna door het akkerland als sloot verder te gaan. Het lijkt een beetje op de Quellen van Ahr, Sieg en Lahn waar ook mensenhanden hebben geprobeerd enig cachet te geven aan iets wat geen cachet nodig heeft. In mijn gevoel zijn het bronnen waaraan geknoeid is waardoor ze een deel van hun maagdelijkheid en oorspronkelijkheid hebben verloren.

15_vzelaykopie_a   De omweg over binnenweggetjes naar Vézelay is de moeite meer dan waard. Wat een landschap en hoe mooi zijn de dorpjes en gehuchten erin gesitueerd. Wat doen wij toch met onze bouwkundigen en landschapsarchitecten die het ene gewrocht na het andere produceren en daar nog trots op gaan ook. Hier onderga je de vanzelfsprekendheid waarmee mensen hun omgeving hebben ingericht door de jaren heen.  IMG_8506%   Al van verre steekt de basiliek van Sainte-Madeleine zijn toren als een waarmerk ten hemel, hoog gelegen op de heuvel La colline Eternelle. De stad wenkt je liefelijk naderbij. Het stadje is nog kleiner dan ik me had voorgesteld. Vanaf de camping waar we ons tentje hebben opgezet, loop je opnieuw prachtig aan op het stadje en de basiliek. Opnieuw een plaats waar de tijd heeft stilgestaan. Tempus fugit. In de basiliek vinden we weer het verhaal van de heilige Maria Magdalena, zoals we dat in de Provençe aantroffen in Saintes-Maries-de-la-Mer en de grot bij Saint-Maximin-la-sainte-Baum. Schijnbaar heeft Vézelay de strijd om het vermeende gebeente gewonnen. We lezen er dat rampspoed het plaatsje niet heeft gespaard. In 1120 brandde de kerk af en meer dan duizend pelgrims zouden er de dood hebben gevonden. Zesentwintig jaar later preekte Bernardus van Clairvaux de start van een tweede kruistocht die totaal verkeerd afliep en het stadje heeft de twijfelachtige eer startplaats te zijn van nog meer kruistochten.

10_vzelayklein Echter vandaag de dag doet het plaatsje uitermate liefelijk aan, zeker met het mooie weer wat we er troffen. Hoogtepunt is toch wel de basiliek.

Vzelay_kerkschip Ondanks invloeden van Cluny een juweeltje van Bourgondische bouwkunst, eenvoudig en uiterst sober maar met een stil makend heldere evenwichtige uitstraling, grootsheid en schoonheid. Een basiliek, opgetrokken in helder witte zandsteen. De rijke beeldhouwkunst aan timpanen boven het portaal buiten en het portaal binnen de kerk. De vele rijk versierde kapitelen zijn waarlijk juweeltjes. De voorstellingen zijn miniaturen in steen. Als je de beeldtaal wilt begrijpen zou je tegenwoordig alles over iconologie moeten weten. Des te wonderlijker dat steenhouwers destijds die kennis uit zichzelf hadden. Om van dit alles onder de indruk te raken is het niet vereist om gelovig te zijn. Nederig word je er wel door.
Trekkend door de Morvan blijf je lang nagenieten van de indrukken die Vézelay op je heeft achtergelaten. Bebossing is beslotenheid, kortzichtigheid.
Bij Saint-Seine l’Abbaye vinden we de bron van de Seine. Hier lijkt het of ,,Ville de Paris” een claim legt op de plek waar het water van haar belangrijkste waterader nog helder en schoon uit de grond vandaan komt. Onder een stenen beeld van de waternimf vandaan borrelt het water op. Een gemetselde grot van natuurstenen brokken moet de indruk van een bron versterken. Het smeedijzeren hekwerk moet voorkomen dat iedereen zomaar bij de bron kan komen. Al na amper 50 meter stroomt het watertje onder een namaak Romaans miniatuurbruggetje door. Een keurig aangelegde picknickplaats zorgt voor de afwerking. Het ,,Eftelingeffect” wordt met dit alles alleen maar versterkt. Deze bron zou kunnen wedijveren met de Donaubron in Donaueschingen.

52c source de la Seine bronbeeld

Onbekend en onbemind ontspringt op enkele kilometers van de Seine, in de diepte van een dal de L’Ignon tussen bomen en struiken vandaan. Hier geen spectaculair metselwerk of tralies. Geen nimfen of Romaanse bruggetjes. In alle zuiverheid en levenskracht, ontdaan van alle franje stuwt het water zich uit de rotsbodem los, om al binnen enkele meters tot een snelstromend riviertje te zijn uitgegroeid. Eeuwenlang sprankelend nieuw en fris. Eenvoud van vitaliteit, leven. Zo hoort het voor een bron. De L’Ignon zal nooit een bekende rivier worden, maar haar eenvoud siert haar. Saint-Seine-l’Abbaye. Een dorpje van niks eigenlijk, verscholen in het dal. Oud en stil getuigt het van zijn verleden. Geen koffie ook. Op dit uur van de dag is Frankrijk in ruste. Ook op zondag. Gelukkig heeft monsieur le curé de kerkdeuren opengelaten. CD-gezang van de monniken van Solesmes dringt door tot het plein. Maar niemand heeft interesse. De enige bewegende figuren zijn wij en de jongen op zijn mountainbike die bijna de nek breekt in zijn pogingen het meisje waarmee hij is te intimideren met zijn acrobatiek. Denk de drie knalgele autootjes bij La Poste weg, de zeven andere auto’s op het plein; denk er zeven Romeinse legionairs voor in de plaats en je bent millennia terug in de tijd. Jammer van de mooie fresco’s in de eeuwenoude parochiekerk die meer aandacht verdienen.

Met een stukje GR7 tot aan Nuits-saint-Georges omzeil je Dijon. Het rustige gebied rond het Forét de Cîteaux, waar landweggetjes de verschillende gehuchten aan elkaar proberen te rijgen.

Citcoatofarm Het eens zo geweldige Abbaye de Cîteaux met zijn vriendelijke monniken. Veel is er niet overgebleven van wat Robert de Molesme in 1098 eens begon. Wat rest zijn oude gebouwen en een tanende communiteit. De oude monnik die de elektronische kassa in het winkeltje moet bedienen is duidelijk nerveus en ongelukkig met zoveel techniek. De eigengemaakte kaas vindt er ’s -morgens voor tien uur al grof aftrek. De nieuw gebouwde kerk, die indruk maakt door haar eenvoud, soberheid en sprekende architectuur, zoals Cisterciënzers dat eigenlijk vanuit hun oorsprong altijd hebben gekend. Evenals de gastvrijheid, zoals door Bernardus in zijn Regel opgelegd aan zijn volgelingen. Het schijnbaar sluimerende stadje Beaune, waarbinnen het echter bruist aan toerisme en de Parijse club van oude autobezitters de pleinen en straten voor zich inneemt. Onder elke auto een fors stuk karton tegen de lekkende olie. Zo’n zorgvuldigheid. Waar vind je zoiets nog in Frankrijk, waar het er meer op lijkt dat mensen hun afgedankte spullen ter plekke droppen om ze aan de tand des tijds over te geven.
Dan de overgang van Cote d’Or naar de streek die Saóne-et-Loire wordt genoemd.
18_taiz_bordjekopie_a Wanneer je het gehucht Taizé nadert merk je niets van wat zich in het hart van de heuvel, even buiten het oude dorpje, afspeelt. Het is middaguur, de kloosterplaats ligt er verlaten bij. Klokken in de klokkenstoel galmen nog na. Een meisje dat een bord ,,Silencio” draagt staat voor de kerkdeur te posten om de laatste bezoekers tot stilte te manen. Alleen het overvolle parkeerterrein en het druk bezette tentenkamp doen vermoeden dat hier veel mensen bijeen zijn. En in de kerk blijkt dat ook. De grote duistere kerkruimte is tot de laatste plaats gevuld met mensen, bijna uitsluitend jongeren, middelbare scholieren. Ze zijn er dus toch; de jongeren die zich aangesproken voelen door een kerk, een religie. Van overal vandaan zijn ze hier bijeen. In grote eensgezindheid zingen ze de typische Taizégezangen mee; gedragen, invoelend, eensgezind vooral. Ubi cartitas et Amor, Deus ibi est. Het zal me voortdurend bij blijven en me duidelijk maken dat het daar inderdaad om gaat in ons leven. In alle eenvoud, hoe moeilijk die eenvoud misschien ook mag zijn. Eeuwen van christelijke cultuur, kloosterregels en monnikendom zijn erop gebaseerd. Augustinus put dan weliswaar uit de Handelingen der Apostelen, hij begint niet voor niets zijn Regel met te verwijzen naar het belang van Liefde en eensgezindheid in een gemeenschap. Helaas, nog steeds leren wij gewone mensen en vaak ook kloosterlingen niet hoe dit in alle eenvoud is waar te maken. Verder gaan we, naar Cluny. Eens hét geestelijke en culturele centrum van Europa. Het moeten wijze abten met handelsgeest zijn geweest die het in de 11e eeuw voor elkaar kregen om ruim 1200 kloosters te stichten door geheel Europa. Tegenwoordig zouden we deze abten managers noemen en hun onderneming een holding. Maar monniken en grote luxe gaan niet samen. Luxe en macht waren grotendeels de oorzaak tot het oprekken en niet naleven van strenge leefregels, waardoor het tot verval leidde. Geleidelijk aan verviel Cluny tot wat er nu van rest; een schamel stadje met wat oude overblijfselen uit een rijk verleden. Ligt hier misschien een les naar onze tijd, waarin kloosters zich ,,stuiptrekkend” willen profileren op andere niveaus dan kennis en werkelijke belangstelling gericht op anderen? Het lijkt me de kunst om vita contemplativa en vita activa zodanig met elkaar te verbinden dat ook de mensheid er iets aan heeft. Met alle eerbied en respect voor hen die hun leven in dienst hebben gesteld en veel, heel veel voor anderen hebben over gehad. Bewonderenswaardig vaak.

Vanaf de GR7 noodzaakt een doorsteek om op de GR3 te komen die naar Le Puy voert. Aiguilhe en Le-Puy-en-Velay laten zich ook al van verre zien. Dominant torenen kerken, kathedraal en het beeld van de Notre Dame de France op de rots Corneille vanuit de diepte van het Loiredal boven het stadsbeeld uit. 

  21_le_puyenvelay_nd In Le Puy meldt een bordje ons dat we op de ,,Via Podensis”, de grote route naar sint Jacobus van Compostela zijn aangekomen. De vlakte van Le-Puy is miljoenen jaren geleden ontstaan door een grote verzakking bij het ontstaan van de Alpen. Le-Puy-en-Velay is een moderne stad met een mooi, goed bewaard oud stadscentrum. De stad was een van de belangrijkste bedevaartoorden in Frankrijk. Met  name de verering van de ,,Notre Dame de la Montagne” en een Zwarte Madonna vergrootte de roem van de stad. De kathedraal stamt uit de 12e eeuw en is streng Romaans met Moorse invloeden. Het beeld van de Zwarte Madonna trok veel belangstelling. Een voortdurende stroom pelgrims, vrouwen het hoofd bedekt met een doekje, trok langs het beeldje. Boven op de Rocher Corneille torent het holle beeld van de Notre Dame de France over de stad. Het beeld werd gegoten in 1860 uit 230 omgesmolten kanonnen. Een attractie. Opvallend is de kerk van Saint-Michel, die hoog op de Mont Aighuile troont. Het bouwwerk volgt de contouren van de rots waarop het is gebouwd en vormt zo een eenheid met de Mont Aiguilhe. In de pelgrimstraditie neemt Le-Puy een belangrijke plaats in. Het was immers bisschop Godeschalck van Le-Puy die te boek staat als oudst vermeldde pelgrim. Behalve startplaats voor vele Fransen die aan de Jacobsroute beginnen of de GR65 als een soort Pieterpad lopen, komen ook Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse pelgrims via Le-Puy op de GR65 op hun weg naar Compostela. De weg is één van de vier hoofdroutes naar Roncevalles, zoals deze vermeld staan in ,,De Gids voor de Pelgrim” van Aymeric Picaud, auteur uit de Codex Calixtinus.

Route_4_le_puy_saint_jpdpkopieb

De Jacobsroute doorkruist vele verschillende en vooral afwisselende landschappen, zoals we merken. Het oostelijk deel van het Massif Central bestaat uit grillige, vulkaanachtig gebergte. De Gorges van de rivier de Allier zijn glooiender, deels bebost en rijkelijk voorzien van granietblokken. Het dal bij Aumont Aubrac is de opmaat voor het bergplateau van de Aubrac. Via toepasselijke straten als ,,Rue de Saint-Jacques”, ,,Rue des Capucins” en ,,Rue de Compostelle”, loop je Le-Puy uit. De route is opmerkelijk goed bewegwijzerd met voornamelijk de rood-witte GR-tekens en de gestileerde jacobsschelp. Het wandelt een stuk rustiger en ontspannen wanneer je niet telkens in een wat kriebelige routegids of op de kaart hoeft te kijken. Al snel merk je dat de streek dun bevolkt is, alles komt verlaten over. Af en toe een Hameau kan daar geen verandering in brengen en dat hoeft ook niet. Fantastisch zo. Het liefelijke landschap is een lust om te wandelen. Even buiten Saint-Privat d’Allier is er mooi uitzicht op de Allier, die zich als een zilveren lint diep in het dal tussen de beboste hellingen slingerend zijn weg zoekt. Het hoog gelegen gotische kerkje viel in 1280 onder de priorij van La Chaise-Dieu. Het blijkt de enige plek om ontvangst op onze GSM te krijgen en niet alleen wij hebben de juiste plek gevonden blijkt er. Enkele kilometers voorbij Saint-Privat, als op een uitzichtpunt, ligt het sint-Jacobskerkje van Rochegude. Het stamt uit 1328.

83 IMG_0943 Rochegude Jacobuskapel  Slechts enkele huizen een eind van de bewoonde wereld en het kerkje, direct weer te gebruiken. Klok, kruis en altaar zijn nog aanwezig. De deur gastvrij open. Volgens verhalen diende de klok niet alleen om het begin van een eucharistieviering aan te kondigen, maar werd ze ook geluid bij mistig weer om pelgrims de goede richting te wijzen. We komen dit verhaal vaker tegen. Rochegude was ooit een vestingplaats en had een kasteel, waarvan nu nog een ruïne en de kapel resteren. De GR65 loopt hier nu en dan over delen van het eeuwenoude traject. Ook de Romaanse kerk van Monistrol behoorde tot de priorij van La Chaise-Dieu. Op de stam van het kruisbeeld in de kerk is de pelgrimsstaf en het pelgrimsembleem afgebeeld. Bij Monistrol d’Allier komen Allier en Ance samen en vormen gorges vanaf het bekken van Monistrol. De weg gaat er behoorlijk steil op en af. Bij de kapel van La Madeleine treffen we opnieuw de geschiedenis aan van Maria Magdalena, zoals we die in eerder tegenkwamen op onze vakanties in de Provençe bij Saint-Maximim-la-Sainte Baum en nu in Vézelay. Basaltblokken hier tot ,,basaltorgel” genoemd vormen het decor. Het plaatsje Sauges ligt hoog in de Margeride en doet van afstand massief aan. Van verre valt de Tour de Anglais op en de achthoekige kerktoren. Een dagafstand verder ligt Saint-Alban-sur-Limagnole. We passeren de kapel van sint Rochus, patroon van alle pelgrims. Rochus werd ca 1200 geboren in Montpelier, hij was geneesheer. Op zijn pelgrimstocht naar Rome brak de pest uit en verzorgde hij onderweg veel pestlijders. Zelf raakte hij ook besmet, maar een hond likte hem de wonden schoon, waardoor hij genas. Terug in Montpelier verdacht men hem van spionage en werd hij gevangen gezet. Onder erbarmelijke toestanden stierf hij in het gevang.

Het wandelpad gaat door prachtige landschappen van de Margeride met weide,  bossen, heide en pijnbossen. Het voert langs verschillende stenen en gietijzeren kruisen, die als geloofstekenen in het land zijn geplaatst. Saint Alban-sur-Limagnole ligt verzonken tussen de Margeride en de Aubrac. De Romaanse kerk van Saint Alban was eveneens gelieerd aan de priorij van La Chaise-Dieu. Op het plateau van Aubrac grazen de forse runderen die hun naam aan dit gebied hebben te danken. Stoer en sterk maken ze het landschap tot één geheel. De Aubrac is een bergplateau op een hoogte van zo’n 1000 tot 1500 meter met grote hoogteverschillen, waar de winters lang kunnen zijn. De streek met haar weidse vergezichten maakt een on-Franse indruk. Je wordt je ervan bewust hier in een middelgebergte met vulkanische invloeden te zijn gekomen. Aumont Aubrac bezit nog een kerk die van oorsprong romaans was en is voortgekomen uit een Benedictijner priorij. De fraaie kerk nodigt uit tot inkeer en genieten. Het landschap heeft ook wel wat van een kathedraal, weids en toch omsloten door het heuvelachtige. Weilanden met her en der verspreid een bosje, een verdwaalde boerderij. Prachtige vergezichten. Genieten en in je opnemen! De foto’s zijn om dit moois niet alleen voor onszelf te houden. Een dagtocht verder ligt Nasbinals. De plaats zou al in de 8e eeuw een priorij gehad hebben. Mooi is de romaanse kerk uit de 11e eeuw, die is gebouwd van robuuste bruine basalt en grijze graniet. Opnieuw een plaats om tijd te nemen.

Het is de geschiedenis van Aubrac die tot de verbeelding spreekt. Ooit was het een gebied met donkere bossen en uitgestrekt bergland waar het behoorlijk kon spoken. Het overkwam er de Vlaamse burggraaf Adalard in 1120 dat hij, op pelgrimstocht naar Compostela, door rovers werd overvallen en in een sneeuwstorm terechtkwam. Hij beloofde een pelgrimshospitaal te stichten op wat hij noemde:  ,,In loco horroris et vastae solitudinis” ,,een plaats van verschrikking en grote eenzaamheid”. De stichting van Adalard in Aubrac was een Domérie, een gemengd klooster. Men leefde er de Regel van Augustinus na. Van de oorspronkelijke Domérie is slechts een klein deel bewaard gebleven. De ,,Klok der Verdwaalden” diende om reizigers de weg te wijzen en draagt nog altijd haar naam.

Het ruige landschap van de vorige dagen gaat geleidelijk over in groene liefelijkheid en panoramische uitzichten zijn vaak je loon. Espalion ligt strategisch aan de rivier de Lot. De burchtruïne van Calmont-d’Olt domineert het stadje al van ver. Espalion heeft een mooie oude pelgrimsbrug. In een bocht van de Lot torent een machtige 15e eeuwse burcht van het geslacht Estaing. Of de voormalige president van Frankrijk Valéry Giscard d’Estaing veel met de plaats van doen heeft weet ik niet. De overeenkomst van namen doet het vermoeden. Via een pelgrimsbrug kun je de Lot kunt oversteken. Het verhaal van de heilige Floregius, Fleuret of Saint-Flour die hier wordt vereerd is weer zo’n bizar verhaal van wonderdoening. Maar hij wordt er nog steeds vereerd blijkbaar. Neem dan Sainte-Foy (bij ons de heilige Fides), die in de gelijknamige plaats even verderop wordt vereerd. Zij volhardde zo in haar geloof dat ze werd onthoofd en in stukken gehakt. Waar gebeurt hedentendage nog zoiets in Roomse kringen? De route gaat door wouden en over kuitenbijterige heuvels.

27_conques_van_bovenaf_a  Conques ligt diep verscholen in een dal, als een schelp, zoals haar Latijnse naam ook zegt. Alleen vanuit de hoogte heb je prachtig uitzicht op de kerk als geheel die het stadje domineert. De leien daken van alle gebouwen en huizen vormen een bijzondere eenheid. Ook hier stond de tijd stil. Het was de kluizenaar Datus die zich in de 9e eeuw terugtrok aan de bron van de Plö. Anderen sloten zich bij hem aan en zo werd een abdij gesticht die uiteindelijk de Regel van Benedictus aannam. Het was de abt Odolric die in de 11e eeuw met de bouw van een basiliek begon, die begin 13e eeuw werd voltooid. Conques was een verplichte halte op de route naar Compostela, kerk en pelgrimszalen waren geregeld vol. Echter in de 12e eeuw begon de achteruitgang en in 1424 werd de abdij geseculariseerd. Het pelgrimeren naar sainte-Foy was tot een lokale devotie verworden en Conques vergeten. Het geluk hiervan is dat alles in redelijk oorspronkelijke staat is behouden. Sinds de 19e eeuw is de abdij in handen van de Norbertijnen. De timpaan van de basiliek is een belangrijk beeldhouwwerk uit de romaanse kunst. Het bestaat uit 117 personages, die vroeger ooit kleurrijk geschilderd waren zoals dat bij de kathedraal van Reims bijvoorbeeld ook het geval was. De compositie is een uitbeelding van het Laatste Oordeel en erg evenwichtig van opbouw. Van de kruisgang en de eetzaal van het Benedictijnenklooster is nog slechts een deel over.Op een zonnige dag als vandaag is het druk met toeristen in Conques. Het was aldoor een gewilde plaats voor bezoekers en pelgrims. De refugio biedt er nog altijd onderdak aan pelgrims. Even buiten Conques is een kapelletje met een bron aan welk water geneeskracht wordt toegeschreven voor ooglijders. Zo hadden mijn voorvaderen het ook moeten aanpakken; de Witlox-wouwer (wouwer is vijver) bij Quirijnstok aan de rand van Tilburg moet toch ook bekend zijn geweest in haar tijd, maar is helaas nooit uitgegroeid tot genadeoord. Overigens, deze bron ook niet. Weer een gemeenschappelijkheid.

Leven is pelgrimeren en genieten. Vooral ook genieten.
Met die kennis hebben Henny en ik ons de afgelopen tijd aan de schoonheid van het Franse binnenland gelaafd. Het landschap, de weldadige rust, de afwisseling doen meteen vertrouwd aan.

Het is er druk op de GR65. De route is gewild bij jong en oud om actieve vakanties door te brengen. Gîtes zijn vaak overvol in deze tijd, tevoren telefonisch besproken en wandelaars van korte stukken van de GR65 kiezen daarnaast gemakkelijk voor de luxe van reserveringen van de gîtes en hotels. Landschappelijk is de streek opnieuw bekoorlijk, de route gaat voornamelijk over zandpaden met slechts geringe hoogteverschillen met een plateau voorbij Limogne-en-Quercy. De oude Romaanse kapel van Guirande is toegewijd aan Sainte Madeleine. Het is een rustpunt in het land. Vroeger vanaf de 12e eeuw behoorde ze toe aan de augustijnenabdij van Chalard. Binnen in de kapel word je opgenomen in het verleden. De overgebleven muurschilderingen uit de 14e eeuw bevestigen dat. Grotesk in eenvoud geven ze het kerkje allure. Het Marcussymbool, de stier, de tronende Christus met de arend als Johannessymbool in het absis, in hun eenvoud blijven het getuigen van geloof door de eeuwen heen. De groep wandelaars met hun ezel zijn duidelijk afhankelijk van de wil van de ezel. Één ezel heeft de zeggenschap over de hele groep. Het doet me aan de tegenwoordige politiek denken. Ook het kerkje van Saint-Felix toont direct haar oudheid.

31_st_felix_tympaan_adam_eva_a Het timpaan(tje) boven de toegangsdeur dateert uit de 11e eeuw, het is een afbeelding van Adam en Eva aan de boom met daarin een slang. Op een raam staat de heilige Jacobus afgebeeld. Het plaatsje Saint-Jean-Mirabel maakt een evenwichtige, bijdetijdse indruk. Ook daar weer een oude timpaan boven de kerkdeur, ditmaal een uit de 13e eeuw met Maria en Johannes die de gekruisigde Christus flankeren. Het kleine kerkje van Lunan ligt diep verscholen in het dal, de weg erheen is steil. Onbereikbaar lijkt het. En toch was het plaatsje niet gering. Er was ooit een klooster en de eerste kerk moet zijn gesticht door Clovis. De vijf huizen vervolmaken het dorpje. Figeac heeft het iets verder geschopt. De plaats is rijk aan gotische huizen en gebouwen. De kerk van Saint-Sauveur stamt uit de 11e eeuw, de Notre-Dame du Puy stamt uit de 12e eeuw. Een benedictijnenabdij, verbonden aan Cluny was in de 11e eeuw verbonden aan de oorsprong van Figeac. Op de pelgrimsroute gold de stad als belangrijke etappeplaats. Voorbij Figeac lijkt het land lichtelijk bezaaid met casella’s en dolmen. De casella’s, perfect opgestapelde stenen vormen een (meestal) rond huisje met stenen dak. Een kunst hoe de casella’s zijn gemaakt en hoe ze de tand des tijds hebben doorstaan. Een boer onderweg vertelde dat ze nog aldoor gebruikt worden om bij slecht weer te schuilen. In de Provençe en de Vaucluse troffen we ze ook, daar heten ze overigens Borie.

De streek begint meer eigenheden te tonen, bebost, vruchtbare gronden ertussen en gehuchtjes die als door een zaaier zijn uitgestrooid. Genieten! In Mas del Pech leren we dat Pech hetzelfde is als Puy uit de streek die we achter ons hebben. Beiden betekenen ,,top”. De grootste boerderij (Mas) geeft hier in de streek vaak haar naam aan het gehucht leren we erbij. Limogne-en-Quercy is een Caussedorp, er is truffelconserve en een lavendeldistilleerderij. De rust van het platteland komt je er tegemoet. Fransen stralen de rust zelve uit totdat ze beginnen te praten of in een auto zitten. Gelukkig gaat de route snel over in zandpad. Varaire was ooit een heerlijkheid van een belangrijke familie. Al vanaf Limogne wijst ons een pijl met daaronder de echte jacobsschelp naar een refugio van het nonnenklooster Monastére des Filles de Jésus. Hoe klein het plaatsje ook is, het straalt voornaamheid uit. Waarschijnlijk draagt het kloostergebouw eraan bij. Waarschuwingen voor adders blijken hier niet overbodig. Voor het eerst ontdekken we er eentje terwijl we onze boterham eten. Het beestje steekt vanuit de diepte vervaarlijk zijn kopje omhoog, terwijl zijn giftige tong snelle bewegingen in onze richting maakt. Maar wanneer je het gevaar zo in de ogen kunt zien, is het eigenlijk al geen gevaar meer. In de 16e eeuw stonden er in Varaire nog twee herbergen aan de oude ,,Cami Gasci”, de oude weg. Het moet al in de  13e eeuw zijn geweest dat pelgrims werden opgevangen in het hospitaal annex kerkje van Saint-Jacques-de-Peyronése. Een kruis markeert de plek waar het hospitaal eens stond.

045 ezels bij guirandeHet plaatsje Bach heeft natuurlijk wel een héél bijzondere aantrekkingskracht op mij als Bach-fan. Ofschoon het dorpje is genoemd naar een Duitse familie die hier ooit woonde, is er geen verwantschap met Johann Sebastian of diens familie. Minpuntje natuurlijk. De weg naar Caussace loopt uit op een Romeinse weg, de ,,Cami Ferrat”, de IJzeren weg naar Cahors. Cahors, ééns een welvarende stad onder de Romeinen, is nog altijd een plaats met aantrekkingskracht die welvarendheid uitstraalt mooi gelegen op een schiereiland aan de boorden van de Lot. Een indrukwekkende stadspoort met vestingbrug over de Lot, de Pont Valentré uit het begin van de 14e eeuw kent ook weer zo’n typische legende waaraan de route zo rijk is.

36_cahors_detail_pelgrim_a  De kathedraal van Saint Etienne met twee grote opmerkelijke koepels stamt uit het einde van de 11e eeuw. Een portaal met timpaan uit de 12e eeuw is prachtig. Het interieur van de kerk doet nogal verwaarloosd aan. Een koor oefent er de Krönungsmesse van Mozart voor een concert. In het zijstraatje van de kathedraal eten we voortreffelijk en kunnen onderwijl de kopjes onder de dakrand bestuderen.Cahors heeft veel te bieden, het is een vriendelijke plaats. Op de camping ontmoeten we een enthousiast Belgisch gezin met enkel zonen. De drooglijn die we er vergaten hebben ze zeker meegenomen en bewaard tot ze ons ooit nog eens zullen tegenkomen. Goed volk.

Reeds van verre torent de plompe vierkante donjon met zijn 30 meter en resten van een burcht uit de 13e eeuw hoog boven het plaatsje Montcuq uit. Ook Lauzerte is reeds van ver te zien, hoog gelegen op een steile heuvel. Het is een plaatsje waar opnieuw de tijd verloren lijkt. Alleen de grote hoeveelheid Duitse auto’s doen vermoeden dat hier een groep wandelaars nestelt of van hieruit vertrokken is. Het stadje ademt rust en ontspanning. De pastelkleurig geverfde huizen geven de straatjes een ,,Anton Pieck” karakter. Hoe toepasselijk; op de heuvel in de tuin rond de ruïne is een foto expositie ingericht van belangrijke plekken op de Spaanse camino. Het uitzicht op het achterland is rustiek.Moissacklein  Moissac is de zoveelste parel. De stad ademt een mediterrane sfeer, die je al van ver tegemoet komt. De Tarn is er breed. Het Canal latéral á la Garonne splijt de stad. Niet alleen in de middeleeuwen was Moissac een belangrijke plaats aan de voetweg naar Compostela, ook nu nog onderga je het belang door de uitstraling en de indruk die de plaats op je maakt. 

    40_moissac_kloostergang_kapitelen_a   098 Moissac kapiteel 5 De abdijkerk van Saint-Pierre, waarvan het indrukwekkend portaal reeds van verre lokt. Gebouwd in de 11e eeuw is de abdij tot in de 15e eeuw uitgebouwd. De rijk gebeeldhouwde timpaan blijft boeien door de vele zeer fraaie ornamenten, versieringen en de uitbeelding van een verhaal uit de Apocalyps. Ook de kruisgang en het museum zijn meer dan de moeite waard, het is smullen van begin tot eind.

Het is duidelijk dat je hier in een stroomgebied bent. Vlakte en weidse uitzichten hebben bijna iets Hollands. Toch veranderd het gebied snel om over te gaan in de Gascogne, een deel van de Gers. Gascogne doet ons natuurlijk direct aan de daden van de Drie Musketiers denken, waarvan d’Artagnan een echte Gascogner was. De streek maakt dan ook graag gebruik van de helden door allerlei gerechten en hun Armagnac aan te prijzen. De grote hoeveelheid foie gras die overal langs de weg wordt aangeprezen zal niet bij alle Nederlanders in goede aarde vallen, bedenken we. Auvillar heeft een typisch ronde markthal en een mooi uitzicht over de Garonne te bieden. De kerk van Miradoux is late gotiek met een allegaartje van renaissance en een toren die blijkbaar ooit van het kasteel werd overgenomen. Ook Lectour heeft minder te bieden dan verwacht, ofschoon het stadje tot een van de oudste in de Gers behoort en voor pelgrims van grote betekenis zou zijn geweest. Toren en kerk steken van verre af op een heuveltop, waarop het plaatsje ligt. Ook Condom tekent zich al van verre af door het silhouet van de kerk met de huizen eromheen. Al voor de Kelten was Condom van betekenis. Aan betekenis heeft de stad schijnbaar verloren, het is een sluimerig Gascogner provinciestadje, waarvan het oude centrum en de oevers van de Baïse rustiek en gezellig zijn. Het oude pelgrimskerkje van Saint-Jacques aan de boorden van de Baïse bleef gesloten. Larressingle verheft zich machtig en fors. Het blijkt een Bastide, een versterkt dorpje, waar de weinig mensen die er wonen zich toeleggen op het houden van oude ridderspelen om het volk te trekken en te vermaken. Geen idee of het ook echt mensen trekt. Het plaatselijke restaurant echter doet goede zaken met zijn Gascognse menu’s, rijkelijk voorzien van stevige plattelandskost en foie gras. We laten het ons eens goed smaken en denken er maar niet bij na  hoe het tot stand komt. Alleen in Frankrijk kan zo’n gehucht over een eigen gemeentehuis beschikken en omdat dit niet in de oude bastide paste hebben ze het er maar buiten gebouwd. Even na Larressingle overspant een oud Romaans bruggetje de Osse. Het bruggetje getuigt van het vakmanschap van de Romeinen, restaureren is tot heden niet nodig geweest. Ingegroeid met alle soorten van kruiden (onkruiden bestaan immers niet) laat het een constante stroom zandkleurig water onder zich doorstromen. De naam Montréal-du-Gers doet meer vermoeden dan de plaats kan waarmaken, het gehucht Rome kan daarin ook al geen verandering brengen. De moeite om via Síviac te gaan is betrekkelijk. De opgravingen van een Romeinse villa met thermen en enkele mozaieken uit de 4e eeuw hoeven niet iedereen te bekoren. Via Eauze, Manciet, het in het bos verstopte kerkje van Sainte-Christine en Nogaro komen we net op tijd aan in Aire-sur-l’Adoure, waar regen en onweer even geduchtig van zich doen gelden. Ook hier weer zo’n typisch ronde markthal. Ook hier weer zo’n wonderlijk katholiek verhaal, dit keer achter de heilige Quiterie, wiens hoofd men afhakte en die vervolgens met haar hoofd onder de arm de heuvel opwandelde. Het heeft haar op die plaats een kerk opgeleverd en een sarcofaag met haar gebeente. Helaas was de kerk gesloten en ook de volgende ochtend zouden we moeten wachten tot de opening. Geen bewijs dus. Maar ja, geloven vergt eigenlijk geen bewijs.

,,Santiago de Compostela 946 kilometer”, goed om te weten.

141 Pimbo rest abdij   Ooit in Pimbo geweest? Nou, wij wel. Contouren van het dorpje steken van afstand af tegen de blauwe lucht. De hoge kerkmuur, een weergang met resten van een oud klooster doen heel wat vermoeden. De werkelijkheid is een klein, stil en eenzaam plaatsje waar de vrijwilligster haar tafeltje met stempel strategisch heeft opgesteld op het pleintje voor de kerk. Ze moest eens iemand missen. Pimbo blijkt ook een bastide. Uitgebouwd in de 13e eeuw op de plaats waar in de 8e eeuw een benedictijnenklooster werd gevestigd. Even voorbij Arzaq beginnen de Pyreneeën zich in de verte af te tekenen. Tekens dat het einde van dit deel van de tocht in zicht komt. Ondanks de aanduiding ,,Basse-Navarre” krijgen kuiten het hier harder te verduren. Opmaat tot de echte Pyreneeën. Vanaf hier trekken de weergoden zich van niemand meer iets aan. Warme zonnestralen kunnen zich in korte tijd laten verdrijven door een snijdend koude wind en regen, om even plotseling weer te wijken voor de kracht van een augustuszonnetje. Mijn idealistische voorstelling van Ostabat zal waarschijnlijk meer zijn aangezet door het magische van de laatste etappe voor Saint-Jean-Pied-de-Port, want veel stelt het dorpje niet voor. Volgens verhalen zouden er tot zo’n 5.000 pelgrims plaats in een herberg hebben kunnen vinden. Ik kan het er nu even niet aan ontdekken. Duidelijk tekenen de Pyreneeën zich nu af. Het einde van dit deel, het einde van ons samen wandelen.

In Saint-Jean-Pied-de-Port belanden we in een circus; kramen met allemaal meer van hetzelfde, mensen die zich van alles laten aansmeren wat ze waarschijnlijk niet nodig hebben. Ineens in een heel andere wereld. Saint-Jean-Pied-de-Port is hoofdstad van Basse-Navarre, het is er Frans Baskenland. Als citadel met versterkte stadsmuren en -poorten doet het een minder vredelievend verleden vermoeden. Aan de oude straat, Rue de la Citadelle waarin zich het pelgrimsbureau van ,,Association des Amis de Saint-Jacques de Compostelle” bevindt, staan vele huizen uit de 17e en 18e eeuw. Merendeels zijn het winkeltjes, waardoor hun oudheid minder in het oog valt.

Ultreia, ultreia, et sus eia, Deus adjuva me. Verder, verder en alsmaar verder. God sta me bij 

044_routebordje   Op vrijdag 3 juni 2005 vertrek ik zonder Henny met Eurolines vanaf Utrecht C.S. via Tours naar Bayonne en Saint-Jean-Pied-de-Port voor de Spaanse Camino. Henny heeft haar normale leven en haar werk weer opgepakt, op de camino vormen taal en onderkomens geen probleem meer.  Op zondag 5 juni zal ik aan de Spaanse Camino beginnen. De Spaanse Camino is de aloude pelgrimsroute die vanaf de Pyreneeën westwaarts naar Santiago de Compostela voert. Pelgrims liepen aan op deze route vanaf diverse plaatsen en vanuit diverse landen om via de pas bij Somport of Saint-Jean-Pied-de-Port de Pyreneeën over te trekken. Dat doen dan ook vele honderden, duizenden pelgrims nog ieder jaar. Daarvoor worden diverse motieven bedacht, religieus, spiritueel, cultureel of sportief. Statistieken laten zien dat het er steeds maar meer worden. Volgens de site van het Aartsbisschoppelijk paleis van Santiago de Compostela waren er dat in 2004 (jubeljaar) in totaliteit maar liefst 179.944. Zo’n 76% hiervan was beneden de 50 jaar. Fransen, Spanjaarden, Italianen en Duitsers vormen de hoofdmoot aan pelgrims. (voor gegevens over 2005 zie aanhangsel) Op de Camino is aan mensen geen gebrek. Het vinden van een slaapplaats is echter vooralsnog en met een beetje geluk nog geen probleem, hooguit kan het er soms te vol zijn in de refugio’s.

Maar wat ben ik eigenlijk; Wandelaar? Pelgrim? Zoeker? Dromer? Of gaan deze vier samen, kómen ze ergens samen? Ik denk dat ze ergens samenkomen. Niet in de doelen die ik me stel op weg naar iets. Ik denk dat ze samenkomen onderweg en via die weg in het hart, waar alles verwerkt wordt wat ik op deze tocht ondervind. De weg is belangrijk. Als pelgrimsweg, als levensweg. Om dan uiteindelijk, opnieuw, bij mezelf uit te komen. Caminante, no hay Camino, leerde Etiënne me.

Virila_img_9001a  Dit beeldje stelt de monnik Virila voor, staande onder een boom, luisterend naar de zang van het vogeltje in de takken. Ik maakte het enige jaren geleden. Het was één van mijn eerste werkjes als aankomend Vutter op weg naar een loopbaan als fulltime wandelaar en ,,beeldhouwer”. Lezend in een boek over bouwkunst op de route naar Compostela kwam ik de legende tegen van Virila, abt van het klooster San Salvador te Leyre, die mediteerde over het raadsel tijd. Hij ging totaal op in het gezang van een vogel en terug in de abdij werd hij niet herkend omdat hij driehonderd jaar lang in de ban was geweest van het vogelgezang. Het verhaal intrigeerde me. Het is ontleend aan de tekst van Psalm 90. De antifoon van psalm 90 luidt: “Leer ons onze dagen naar waarde te schatten en zo te komen tot wijsheid van het hart”. De strofe waar de legende op is gebaseerd luidt: “Voor U zijn duizend jaren als één dag, als gisteren dat al voorbij is, een uur van slaap in de nacht”. De les: ,,ALLES IS BETREKKELIJK”.

In deze betrekkelijkheid ga ik onderweg op de aloude pelgrimsroute om mensen te ontmoeten, moois te zien en te ervaren, verdieping en balans te vinden. Te ont – moeten. Te leren dat beperkingen mogelijkheden zijn en omgekeerd mogelijkheden beperkingen hebben. Te ervaren dat onze horizon niet meer is dan de grens van ons gezichtsveld, in zien en denken. En te zingen, veel te zingen in mijzelf en de open ruimte, de vrijheid.

Op 4 juni in de namiddag kom ik aan in Bayonne. Het laatste uur is het gezelschap in de bus teruggelopen tot zes personen. Een jong stel uit Canada, een Duits ingenieur en een Duitse vrouw uit de buurt van Trier die een jaar of zes geleden haar goede baan opzegde om als geitenhoedster in Wallis te gaan werken maken het stel compleet. De zesde medereiziger is vrijwilliger van de refugio L’Esprit de Chemin in Saint-Jean-Pied-de-Port. Ik spreek met hem af dat hij er onderkomen voor ons zal regelen. We drinken samen koffie en wachten op de trein. Hoe snel kunnen banden ontstaan op de gezamenlijke weg naar onzekerheid. In nog geen uur tijd lijkt het of we elkaar al lange tijd kennen. De besmuikte boemel van Bayonne naar Saint-Jean-Pied-de-Port staat niet toe iets van het landschap te zien. Dus hebben we het met elkaar over de tocht, zekerheden, onzekerheden, verwachtingen en geeft de vrijwilliger ons nog enkele ervaringsadviezen. In de keurige refugio zijn we via hem verzekerd van een slaapplaats. De Duitse Bettine loopt acht kilometer verder om haar volgende dag te verlichten. Het Nederlandse stel, Arno en Huberta dat de refugio beheerd heeft met veel moeite en hulp van vrijwilligers een oud huis opgeknapt tot een mooi en sfeervol onderkomen voor pelgrims. Dat beiden mijn oudste broer Jan goed hebben gekend en in Heemstede bij hem hebben gewerkt is een zoveelste toevalligheid.

cid-95342381025012007-0b4a

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

DEEL 3 saint-Jean-Pied-de-Port – Azofra

Saint_jean_pied_de_port_santiago_de_comp_1 

98f851a6481In het Accueil les amis du chemin de Saint-Jacques is het druk. Twee vrijwilligers die de inschrijvingen verzorgen nemen ruim de tijd voor iedere nieuwe pelgrim. Pelgrims moeten hier onthaasten. Laatste adviezen worden gegeven, de stempel en datum in het credencial gezet en ik ontvang een lijst met onderlinge afstanden tussen alle refugio’s aan de Camino. Die zal me de hele tocht goed van pas komen. Ik ga het kleine stadje verkennen en drink koffie op een terrasje. Het zijn vrijwel uitsluitend pelgrims die langs komen wandelen. Je ziet het aan hun kleding. Intussen wordt door de mensen van ,,L’Esprit du Chemin” een voortreffelijke maaltijd bereid en later met alle pelgrims genuttigd aan een gezellige eettafel. Lekker en boordevol kracht voor de eerste etappe. Ik ontmoet er Willem uit Limburg. Willem heeft de Fransman Claude ontmoet en afgesproken met hem samen te wandelen. Herbert uit Osnabrück wil graag dat wij samen lopen en om hem ter wille te zijn stem ik uiteindelijk toe het te proberen. Eigenlijk wil ik liever alleen lopen en eventueel afspreken in welke refugio we elkaar s’avonds treffen. Ik ben teveel individualist en wil me hier vrij voelen.

152a Bettina en Herbert Sant-Jean-Pied-de-Port  De volgende ochtend een stevig ontbijt, een lunchpakket en de eerste etappe naar Roncevalles kan beginnen. Het is net licht en een frisse ochtendbries maakt het lopen comfortabel. Door de Porte d ‘Espagne verlaten we Saint-Jean-Pied-de-Port. Ik besef dat ooit Napoleon en eerder Karel de Grote hier het stadje verlieten. De Pyreneeën laten me meteen al flink klimmen. Niet zozeer in grote hoogten, maar de duur van de stijgingen, zo’n vijf en een half uur achtereen, maakt het lopen inspannend. Ook het lopen met de rugzak moet weer even wennen. Omdat er onderweg tenminste één bron is volgens mijn gids, heb ik minimaal water meegenomen. Het lunchpakket van Huberta en de twee verse bananen zijn mijn krachtbronnen voor deze bergetappe. Aan gewicht voegt het niet veel toe aan de 11 kilo zware rugzak. Het gebied lijkt soms op de Allgäu, alleen worden de vergezichten er minder door bomen belemmerd. Amper 1400 meter hoogte en toch groeit er nauwelijks iets. In Frankrijk ligt de boomgrens blijkbaar lager dan in Duitsland. Herbert loopt met zijn twee stokken alsof hij aan het Nordic wandelen is. Zijn rugzak bungelt ongemakkelijk en is verkeerd beladen. Herhaaldelijk moeten spullen uit de rugzak en op een andere manier worden ingepakt. Behalve de zware rugzak torst hij privé zware lasten mee in de verwachting op de Camino verlichting te vinden. Als hij het zo maar volhoudt, het zou een nieuwe last erbij zijn want hij is gevoelig voor ,,afgaan” heb ik bemerkt. Op de Pas van Ibaniëta moet in het begin van de 11e eeuw het klooster San Salvador hebben gestaan en iets hoger staat de bron van Roeland, de Frankische ridder die het leven liet in zijn strijd tegen de ongelovigen. Prompt komt het ,,Klokke Roeland” mij in gedachten om er niet meer uit te gaan en zuchtend onder het klimmen neurie ik het lied wat we vroeger thuis en bij de verkenners uit volle borst zongen en waarvan ik het rijm nog altijd onbegrijpelijk vind:

Boven Gent rijst, eenzaam en grijst’
’t Oud Belfort, zinbeeld van ’t verleden;
Somber en groots, steeds stom en doods,
Treurt de oude Reus op ’t Gent van heden;
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt,
Zijn bronzen stemme door de stede:
Trilt in uw graf, trilt Gentse Helden,
Gij Jan Hyoens, gij Artevelden:
Mijn name is Roeland, ‘k kleppe brand,
en lui de storm in Vlaanderland!

Met deze Roeland zal het niet veel méér van doen hebben dan dat de klok in Gent wél tijdig waarschuwt denk ik. Hruotland (Roeland) streed samen met Karel de Grote toen deze met zijn leger de Pyreneeën overtrok om zoveel mogelijk Spaans gebied te veroveren. Toen het leger zich in de nauwe pas bevond, lieten de Baskische strijders hen passeren en vielen het leger in de rug aan. Uit ridderlijke trots weigerde Roeland lange tijd om op zijn hoorn ,,Olifant” te blazen en daarmee hulp in te roepen. Toen hij uiteindelijk toch op zijn hoorn blies was het te laat. Keizer Karel kwam hem te hulp maar iedereen bleek gedood. Volgens de legende werden allen begraven in het Silo de Carlomagno, het dodenhuis van Karel de Grote, in Roncevalles. Zingen leidt af, geeft moreel en het loopt goed. Met het Roelandlied voortdurend in mijn gedachten en een korte forse afdaling bereik ik Roncevalles in de middag. Het is nog vroeg, de refugio zal pas om vier uur opengaan. Tijd genoeg voor koffie en een eerste verkenning van de gebouwen van het monumentale Benedictijnenklooster van Roncevalles dat dateert uit het begin van de 12e eeuw. De abdijkerk stamt uit de bloeitijd van de gotiek. Onder een baldakijn op het altaar staat het genadebeeld van de Moeder Gods van Roncevalles (Orreaga in Baskenland), dat uit de wijde omtrek mensen aantrekt. De refugio wordt dit keer beheerd door een viertal oudere heren uit Nederland, een nieuwe toevalligheid met de heer uit Laren. Het gebouw dateert uit de 17e eeuw en heeft dat karakter goed bewaard. In de grote ruimte staan de stapelbedden opgesteld in drie rijen; vrouwen rechts, echtparen in het midden, mannen links. In een grote kelder onder het gebouw bevinden zich douches, toiletten, een keuken en wasruimte. Het is overal opvallend zuiver en schoon. Vrijwilligers moeten toch behoorlijk wat werk verzetten om de nagebleven troep van het leger pelgrims op te ruimen en alles in de middag weer schoon te hebben. ‘s-Avonds is er eucharistieviering met vier heren in de abdijkerk en een pelgrimszegen na afloop. Hoewel er niets van is te verstaan, maakt het geheel toch indruk. Ondanks de grote massa mensen, op enkele bedden na zijn ze alle 80 bezet, slaap ik als een roos. Vroeg in de ochtend word ik wakker van de eersten die hun rugzak aan het pakken zijn. Ik wacht liever tot het licht begint te worden. De dag is nog lang genoeg.

Een legende van sint-Quiteria: In de daling vanaf Roncevalles, aan de camino naar Santiago, ligt het dorpje Zubiri. Het is in de 11e eeuw dat de dorpelingen van Zubiri het de pelgrims makkelijker willen maken om de Rio Arga over te steken door een stenen brug over de rivier te bouwen. Maar een vreemde vloek lijkt het werk aan de brug te verhinderen. Zonder afdoende verklaring mislukt het plaatsen van de middelste pilaar keer op keer. Uiteindelijk besluiten de bouwers dat er niets anders opzit dan de rots waarop de pilaar moet steunen weg te hakken. Op de plaats van de weggehakte rots kwam het stoffelijk overschot tevoorschijn van een mooie jonge vrouw, rijkelijk geparfumeerd. Het bleek het lichaam van Sint Quiteria te zijn, de beschermheilige die wordt aangeroepen tegen hondsdolheid. Besloten werd het heilige gebeente op een muilezel te laden en in processie onder begeleiding van de bisschop naar de kathedraal van Pamplona over te brengen. Maar vlak voor Pamplona weigerde de muilezel om verder te gaan, wat men ook probeerde. Daarop besloot de bisschop dat dit een teken van Boven moest zijn, waarop de stoet omkeerde en Sint Quiteria voor altijd in Zubiri zou blijven. Sindsdien heeft de middelste pilaar van de Puente de la Rabia over de Rio Arga in Zubiri een magisch genezende kracht. Bij aanraking geneest en voorkomt hij bij mens en dier Rabiës, hondsdolheid.

De route naar Larrasoaña belooft afwisselend te worden volgens mijn wandelgidsje. Tegen de dageraad stap ik op, samen met Herbert die uiterst traag op gang komt en opnieuw veel moeite heeft zijn rugzak te ordenen. Het gotische Roelandkruis even buiten Roncevalles is net te onderscheiden onder de donkere bomen. Het is fris, maar fantastisch mooi wandelweer. Iedere stap geniet ik van de wereld om me heen en het veranderende landschap. Onderweg ontbijten we in een bar. Als we weer opstappen lopen we Bettina, de geitenhoedster, achterop tot genoegen van Herbert die idolaat van haar is. Voor wie niet weet waar hij naartoe wil, zijn alle wegen goed, bedenk ik me. Gedrieën lopen we de etappe naar Larrasoaña. Maar wandelen met drieën over smalle bergweggetjes gaat niet goed, waardoor ik veel alleen kan lopen. Het is behoorlijk warm vandaag. De route stijgt en daalt minder dan gisteren. Het landschap is erg afwisselend. Een boer maait zijn grasland met de tractor. Achter de maaimachine, op veilige hoogte vliegt een roofvogel mee op zoek naar vluchtende hazen of konijnen, ik vermoed een wouw. In de bar/winkel van Zubiri drinken we koffie en koop ik een blik linzen voor het geval ergens geen eten te krijgen is. Kraakhelder stroomt het water onder de eeuwenoude brug door. Mijn gidsje vermeldt geen eetgelegenheid in Larrasoaña. Tegen twee uur zijn we in het kleine dorpje Larrasoaña, waar de burgemeester zelf ons opwacht en zijn vrouw ons inschrijft in het register. Naast het bureau dat dienst doet als gemeentehuisje is de refugio gevestigd. Klein maar uiterst gezellig. Er is zelfs een computer met Internet. Na de douchebeurt en het doen van de was ga ik het dorpje verkennen. Daar ben ik vlug mee klaar. Het kerkje is gesloten en staat te vervallen. De twee straten lopen achter het kerkje om en komen daar bijeen. Gelukkig is er een bar waar wat te drinken is en waar ik me zelfs kan inschrijven voor een avondmaaltijd. De slimme waard drijft ook een winkeltje waar ik vers fruit, hazelnoten en een chocoladereep kan inslaan voor het ontbijt morgenochtend. Hij heeft het alleenrecht. Bij terugkomst in de refugio zijn er aardig wat mensen bijgekomen. Veel jonge mensen valt me op. Ze komen uit alle windstreken en maken gebruik van de tijd die ze hebben na hun afstuderen om samen de Camino of een deel ervan te bewandelen. Voor velen is het een bevlieging zoals blijkt uit de slechte conditie en uitrusting. Uitgeteld liggen de meeste op bed na de tweede dag van hooguit 27 kilometer voor velen. En Compostela is nog zo ver. Voor het eerst tref ik er de moeder die met haar dochter het eerste deel van de Camino loopt tot aan Burgos. Ik schat moeder boven de 80 jaar, dochter rond de 60. Later zal ik beide vaker tegenkomen. Ze vertrekken al heel vroeg ‘s-morgens en moeder stapt zo flink door dat ze regelmatig op haar dochter staat te wachten die blijkbaar niet zo’n goede conditie heeft als moeder. De twee dagetappen van 27 kilometer doen me nog niets. Ik heb geen spierpijn, ben ‘s-morgens niet stijf en ben bij aanvang snel ingelopen. Soms voel ik mijn rugzak zitten maar meestal niet. Op tijd vertrekken, alles zien wat er te zien valt, op tijd in een refugio aankomen, het lichaam en de spieren tot rust laten komen en op tijd gaan slapen, dat vind ik belangrijk. Ik merk aan mijn spieren dat ik meer moet drinken. Door het transpireren verlies ik veel vocht. Ik neem me voor op te gaan letten dat transpiratie de urineproductie niet uitschakelt. Ik ben nu eenmaal een slechte drinker. Na het eten bekijk ik de route voor morgen. Pamplona ligt op de route en ik laat het afhangen van de bezienswaardigheden hoeveel tijd ik in de stad zal doorbrengen en er zal blijven. Het is laat donker in Spanje. Vlak achter de refugio staat het frónton, waar de jeugd uit het dorp pelota speelt. Een balspel waarbij een harde bal met een soort houten racket tegen een hoge wand wordt geslagen. Het duurt dan ook even voor ik in slaap ben gevallen.

Herbert heeft teveel tijd nodig vandaag om zijn zaakjes op orde te krijgen. Ik beloof aan de oude toegangsbrug van Pamplona op hem te zullen wachten en vertrek alleen. Weldra nadat ik de oude boogbrug van de Rúo Arga ben overgestoken gaat het asfalt over in een pad dat de boorden van het riviertje volgt. De hoge eikenbomen zorgen voor frisse schaduw, het is al warm zo vroeg in de ochtend. Voor het eerst loop ik helemaal alleen op de Camino, geen pelgrim te zien. Hardop begin ik Attende Domine, et miserere te zingen, in de hoop dat er iemand is daarboven die naar mij wil luisteren en me genadig wil zijn. Het blijft de hele tijd in mijn hoofd hangen en er blijkt een goed marsritme in te zitten. Luistert er niemand daarboven, dan loopt het toch goed. Wat een gevoel! Dit is toch heel wat anders dan het gestuntel in Wallonië. Herhaaldelijk kruis ik de Rúo Arga en de Rúo Ulzama, waar steenresten een oude watermolen en een klooster verraden. Het klooster is schijnbaar zo groot geweest dat het veel mensen uit het dorpje Villava werk bezorgde. De bordjes en gele pijlen wijzen me als vanzelf naar Pamplona, de hoofdstad van Navarra. Schijnbaar heeft het jubeljaar 2004 en een forse subsidie uit de kas van de Europese Gemeenschap voor extra bewegwijzering gezorgd. Soms heb ik de indruk dat een blind paard zich niet zou kunnen verlopen. In Burlada tekent de kathedraal van Pamplona zich al af. Twee zigeunervrouwen zijn met elkaar in gesprek. De éne vanuit het eerste stockwerk van een soort woonkazerne, de andere vanuit de zesde verdieping hangend uit het venster. Hun schelle geschreeuw draagt ver over de straat. Spanjaarden praten allemaal met elkaar of ze ruzie hebben. Daarbij maken ze gebaren of ze zwemmen leren. Op de Magdalenabrug wacht ik op Herbert, zoals beloofd. Wachten duurt altijd lang en al die tijd geniet ik van de mensen die langs komen. Opvallend veel fietsende pelgrims waaronder twee Nederlandse, maar zij hebben geen oog voor een eenvoudige wandelaar. Als Herbert eenmaal is aangekomen overleg ik wat we zullen gaan bekijken in Pamplona. Maar de kathedraal blijkt alleen toegankelijk via het museum dat is gesloten. Ondanks het vroege tijdstip is het druk in de stad. Voor het stadhuis staat een legioen van stakende ambtenaren, die op een politiefluitje blazend hun ongenoegen ergens over uiten. Het doet me besluiten snel uit deze hectiek te verdwijnen. Het stadhuis maakt een on-Spaanse indruk, het doet me aan iets denken maar wat; Alkmaar? In het hoofdpostkantoor koop ik alvast een aantal postzegels. Kaarten zijn op de meeste plaatsen wel verkrijgbaar, maar postzegels is een groter probleem. Alle jarige en feestelijke gebeurtenissen tijdens mijn afwezigheid wil ik niet laten passeren. Eigenlijk ben ik te trouw in het bijhouden van dit soort zaken bedenk ik me, maar ik kan het nu eenmaal niet nalaten, ondanks dat ik me telkens voorneem ermee te stoppen wanneer er wéér geen reactie op komt. Misschien hecht ik me wel teveel aan anderen. Maar ach, soms moet je blijven investeren. We lopen de stad uit door straten met klinkende namen als ,,Calle del Carmen” en ,,Rúa de los Pellegrinos”, halen nog vlug een stempel in ons credencial bij de kerk van San Saturnino en lopen door het park de stad uit. De aanwijzing dat bij de portier van de universiteit een stempel is te verkrijgen kunnen we niet weerstaan. De portier is zichtbaar verheugd, blijkbaar hebben de meeste pelgrims dit extra rondje van 600 meter er toch niet voor over. Als we Cizur Menor naderen zien we de Malthezervlag wapperen op het kleine plompe kerkje. Ons einddoel deze dag is de refugio van de johannieters naast deze oude kerk. Het is erg heet geworden in de middag. Na een douche en mijn dagelijks wasje, zoek ik de koelte op van het oude kerkje. Oude kerken zijn altijd koel, zelfs in het warme Spanje. Het is er aardedonker en ik zoek de lichtbundel van het Romaanse venster op om mijn dagboekje bij te werken. Wonderlijk hoe de sfeer van zo’n oude kerk bezit van je neemt, je terugvoert tot jezelf en je wonderlijk tevreden stemt. Maar wat wil je op zo’n tocht, in zo’n geweldige vrijheid en elke dag met stralend mooi weer door een landschap lopend als zit je naar een film te kijken. De dankbaarheid die bezit van je neemt zou je heel goed kunnen toeschrijven aan een hogere macht. Maar opnieuw besef ik me dat dit een te simpele uitleg is voor millennia evolutie en mensenwerk. God bestaat, áls je erin gelooft.

In enkele uren tijd is de refugio aardig bezet. Er begint eenzelfde groepje te ontstaan waarvoor dagafstanden tussen de 25 en 30 kilometer liggen. Willem, Claude uit de Elzas, Jacqueline en Hubert uit Grenoble, horen er ook nog bij. Ze zijn in Le-Puy-en-Velay aan de route begonnen. Willem begon in Saint-Jean-Pied-de-Port. Tony en Claudia uit Canada. Met het groepje praten we bij, gaan we koffie drinken en eten samen. Zelfs moeder en dochter halen deze afstand blijkbaar, ze blijven op zichzelf en mijden contact. Geen idee waar ze eten. Spanjaarden gebruiken hun avondeten pas op zijn vroegst om half negen ‘s-avonds. Voor ons noorderlingen wel laat, want met een volle maag en enkele glazen wijn gaan slapen lukt me niet goed. Ook is er iemand die geweldig snurkt. Al erger ik me er niet aan, het bevordert het slapen niet. Uiteindelijk val ik toch in slaap.

Met het opkomende licht vertrek ik. Moeder en dochter zijn al een poos vertrokken, ook het jonge stel uit Canada vertrekt elke morgen vroeg. Vanaf vandaag loop ik alleen. Voor Herbert gaat het allemaal te snel, hij kan beter zijn eigen dagritme en wandeltempo aanhouden. Voorzichtig heb ik het hem verteld. Hij begrijpt het. Onderweg voel ik me schuldig, maar troost me met de gedachte dat ik hem tenminste enkele dagen heb begeleid en heb kunnen voorhouden dat hij zichzelf overal mee naar toeneemt en dus ook zijn problemen. Vluchten voor jezelf heeft geen zin. Morgenrood begint het veld te kleuren, een afwisselend landschap dat steeds heuvelachtiger begint te worden. Op de achtergrond tekent zich de Sierra del Perdón af  met over de hele bergkam een lang lint van windmolens. In Nederland zou zoiets ondenkbaar zijn met alle fanaten die verstand van natuurbeheer menen te hebben. Maar de Spaanse natuurfreaks zijn blijkbaar nog niet zo actief. Aan het begin van mijn klim naar de hoogte van de Sierra passeer ik de dochter. Moeder zit even verderop op een steen op haar dochter te wachten. Dochter zal de conditie van vader wel hebben geërfd.

 IMG_9098 Puerto del Perdón monument 4e etappeOp de Sierra del Perdón kom ik bij een pelgrimsmonument. Uit plaatstaal gesneden figuren, mannen met lange stokken, vrouwen, kinderen, paarden en ezels die allen achter elkaar aan op weg zijn naar Compostela. Alleen de fietsende pelgrim ontbreekt, maar ja fieters kunnen hier niet komen. Het tafereel tekent zich prachtig af tegen de blauwe hemel. Ik doe verwoede pogingen te achterhalen hoe de zelfontspanner van mijn fotoapparaat ook alweer werkte. Ik wil mezelf op de foto zetten tussen de stalen figuranten, maar ik kom er even niet achter. Het uitzicht naar beide kanten is adembenemend mooi. De nieuwe morgen kleur het groene land wat ik heb achtergelaten fris en fleurig. Een vruchtbaar land. Het land wat voor me ligt kleurt goudgeel en droog. Het is duidelijk dat hier een natuurgrens loopt. De bergketen is weliswaar niet hoog, maar vormt toch een klimaatscheiding. Tijdens het afdalen loop ik door een bosje met steeneiken. De grond is dor en droog. Enkele druivenvelden en aspergevelden wisselen elkaar af. Amandelbomen en olijven beginnen deel uit te maken van de vegetatie. Werkers op het land groeten me. Elke eerste blik op een nieuwe dorpskerk leg ik vast met mijn camera. Zo krijg ik later een beeld van alle kerken en kerkjes langs de Camino. Maar de kerkjes zijn oud en slecht onderhouden. Een dorpje van 15 huizen heeft soms wel drie kerken. Die kunnen onmogelijk door een kleine parochie worden onderhouden. Bij Obanos kom ik op het oude knooppunt van de Camino Francés. Vroeger kwamen hier de Jacobsrouten van Navarra en Aragón bij elkaar. Nu markeert een sullig pelgrimsmonument deze plaats. Het valt me op dat pelgrimsmonumenten en schilderijen op de route bijna allemaal een sullige pelgrim afbeelden. Zouden pelgrims misschien voor sullig versleten worden?

Legende van het vogeltje: Txori of Chori is in Baskenland een klein geel vogeltje.
Het was omstreeks het jaar 1834, ten tijde van de eerste Carlisten oorlog dat een grote groep inwoners van Puenta la Reina zich verzameld had bij het kapelletje op de Romaanse brug waarin het beeld van de Heilige Maagd Maria van Le Puy stond. Hier zagen zij een wonderlijk schouwspel. Een klein vogeltje vloog af en aan om water in zijn snaveltje uit de Rio Arga te scheppen om vervolgens met dat water en zijn vleugeltjes het beeld van de Madonna af te stoffen. Een graaf, die als legeraanvoerder met zijn troepen bij Puenta la Reina was gelegerd, dreef de spot met de bewondering van de dorpsbewoners. Vervolgens kwaad geworden om de beledigingen die de dorpsbewoners hem naar het hoofd slingerden, voerde hij een schijnvertoning op door zijn manschappen hun kanonnen te laten donderen. Toen hij dan ook twee weken later bij de rotsen van San Fausto werd verslagen door de troepen van Zumalacárregui en door de Traditionalisten werd gefusilleerd, waren de inwoners van Puente la Reina het erover eens dat dit zijn verdiende straf was, omdat hij de spot had gedreven met hun geliefde txori.

54_puenta_la_reina_mooie_spiegeling_4e_e  Puente la Reina, de dubbelnaam verraad Baskische invloeden. Ooit was de plaats een de van de belangrijkste op de pelgrimsroute. Puente la Reina is vooral bekend vanwege de brug waaraan de plaats haar naam dankt. De brug van de Koningin, een koningin die in de 11e eeuw opdracht gaf tot de bouw van deze brug speciaal voor pelgrims. Met zijn zes bogen en een knik op het hoogte punt van de brug overspant ze de Rúo Arga. De gotische kerk van Santa Maria el Mayor in het centrum van het kleine stadje is gewijd aan de heilige Jacobus. Ik ontbijt en geniet van de rust op een terrasje. Het is nog vroeg en ik besluit door te lopen naar Cirauqui. Daarmee benut ik deze dag en bekort de route van morgen. Ik loop door een dal waar de hitte van de dag blijft hangen. Na een lichte stijging kom ik op de heuvelrug waar tenminste een lichte bries waait en mijn bezwete rug kan drogen. Met de eerder opgedane kennis heb ik er vandaag voor gezorgd mijn waterzak goed te vullen. Hoe meer ik drink, hoe lichter ik word. Al van verre zie ik Cirauqui liggen. Als een taartpunt ligt het dorpje boven op de bergtop. De kerktoren wijst dominant de weg naar de hemel. Het nadeel van dorpjes die je al van verre ziet liggen is dat het lang duurt voordat je het hebt bereikt. Maar het uitzicht is wondermooi en afwisselend. ,,Wat je van ver haalt is lekker” zou mijn vader zeggen. Lopen is een feest op deze manier! Ik loop te zingen van plezier. Vandaag is het Oosterhuis zijn repertoire waarmee ik bezig ben, zing en overdenk. In de ochtend wisselen ,,Attende Domine”, ,,Licht dat ons aanstoot in de morgen” en ,,Zo vriendelijk en veilig als het licht, zo als een mantel om mij heengeslagen” elkaar af. Zingen en nadenken gaan goed samen. Het is een soort Lectio Divina. De steile smalle steegjes van Cirauqui zijn bloedheet. De warmte blijft tussen de huizen hangen. Verveeld zitten oudjes op een bankje te wachten op de pelgrims die hier moeten langskomen, zoals ieder dag waarschijnlijk. Vriendelijk groeten ze terug, in afwachting of ik een praatje kom maken. Een eeuwenoude stéle staat nonchalant tegen de stadspoort. De route loopt hier onder het gemeentehuis door, de stempel staat op een tafeltje gereed voor wie wil. Zelfbediening. Cirauqui telt maar liefst twee refugio’s, één gemeentelijke en één parochiale. De gemeentelijke is luxe en er zijn maaltijden verkrijgbaar. De refugio paroissial is aanzienlijk minder luxe, er is enkel een klein keukentje. Het is de eerste paroissale albergue die ik tegenkom en ik besluit hier uit te proberen hoe het bevalt. Op de stoep zit een vrouw van voor in de dertig te wachten op pelgrims die met minder luxe genoegen willen nemen. Ze heet Andrea en komt uit Berlijn. Voor drie weken beheert ze als vrijwilligster de refugio. Ik douche en doe mijn was. Omdat er geen buitenplaatsje is vraag ik aan bouwvakkers in de straat of ik mijn waslijntje aan hun bouwhek mag bevestigen. Ze gaan toch rusten, dus vinden dat geen probleem. Wanneer ze weer verdergaan met hun werk hopen ze dat mijn was droog is want ze maken nogal stof, waarschuwen ze. Het komt allemaal goed. Intussen ga ik het dorpje verkennen. De kerk op het hoogste punt is de San Román, een Romaanse kerk met een opmerkelijk trechterportaal boven de hoofdingang. De versieringen doen denken aan oriëntaalse invloeden, er zijn in het geheel geen figuren op afgebeeld. Zoals met nagenoeg alle kerken die ik tegenkom is ook deze gesloten. Ook een tweede kerk blijft potdicht. Op een stenen bankje in het lommer van enkele oude tamme kastanjebomen, geniet ik van het weidse uitzicht over de heuvels voor de volgende dag en werk mijn dagboekje bij. In de bar tegenover de refugio ontmoet ik later enkele bekende en verschillende nieuwe medepelgrims. Blijkbaar is de afstand vandaag te groot voor velen. De vriendelijke waardin is bereid om zeven uur ‘s-avonds een maaltijd voor ons te verzorgen. In dank nemen we haar aanbod aan. Voor  8,-euro krijgen we een forse salada mixta, grote pan spaghetti op tafel, frites, vlees, ijs en koffie met de plaatselijke likeur na. Het is een gezellige tafel. Behalve Willem en ik zijn het twee Fransen, een Amerikaans echtpaar, een mexicaan, twee Zweedse dames van ruim middelbare leeftijd die behalve pelgrimeren schijnbaar op zoek zijn naar de ware Jacob aan hun geflirt te oordelen en twee Duitsers die zich al snel als hun ware Jacob laten verleiden. Laat in de avond komen er nog enkele jonge pelgrims aan in de refugio en zijn de 14 bedden beslapen. Een plotseling opstekende stormwind, midden in de nacht, blaast van onder uit de nauwe straat recht op het half geopende venster van de refugio af en met een geweldige klap stort een grote bloembak achter het eerste stapelbed op de grond. Wonder dat niemand die bloembak op zich heeft gekregen. Kan het misschien worden toegevoegd aan de wonderen op de camino?

Met het opkomende licht vertrek ik. Direct buiten Cirauqui gaat het pad over een origineel stuk pelgrimsroute en een boogbrug uit de Romeinse tijd. Geweldig hoe deze brug de tand des tijds heeft doorstaan. Ook een eindje verderop vindt je het Romeinse patroon terug in de keien van het pad waarover je loopt. Het is een prachtig stuk route, waar je het verleden als een rilling door je heen voelt gaan. De benaming Calzada die de Spanjaarden eraan geven slaat op dit soort eenvoudige verharding van een weg, in tegenstelling tot een Sirga dat meer op een stratenpatroon duidt. Aanduidingen die je overigens regelmatig in plaatsnamen ziet terugkomen. De oude boogbrug over de Rúo Salado moet me herinneren aan de legende over pelgrims die hier door twee mannen werden gevild nadat ze toestemming kregen hun paarden te laven. De paarden stierven omdat het water vergiftigd bleek. Voor het eerst valt het me op dat om de paar meter een rij mieren dwars over de weg gaat. De éne rij gaat van links naar rechts, klimt daar in halmen, haalt een deel van de halm weg en neemt het mee naar de andere kant van het pad. Twee tegengestelde mierenrijen die erg actief werken aan hun voedselvoorziening. In de komende dagen zal ik leren zien wat voor het weer het die dag wordt aan de mate waarin de mieren actief zijn; snelle mieren dan wordt het erg warm, tragere mieren minder warm weer. Soms zijn er zoveel mierenrijen over het pad dat ik bijna loop te dansen om ze niet dood te trappen. De ochtendzon geeft me een schaduw van wel drie meter lengte. Naarmate de dag vordert wordt de schaduw korter. Vanaf het middaguur loop ik op mijn eigen schaduw te trappen. Altijd de schaduw. Altijd van achter, ik loop immers voortdurend van Oost naar West. Ik voel het aan mijn kuiten die beginnen te verbranden. Toch goed dat ik Henny haar advies opvolgde en factor 20 heb meegenomen! Ik, die normaliter een hekel heb aan dat smeren met zonnebrandcréme. Nu komt het me toch wel goed van pas. De uitbundig bloeiende gele brem en de dieprode klaprozen overheersen het kleurenpalet van de bermen en geven het landschap fleur. Wat een gelukzaligheid! Vlak voor Estella loop ik langs het laat-romaanse klooster en kerk van San Pedro. Het was en is nog steeds de eerste kerk die pelgrims zagen als ze de stad binnenkwamen. Het grote plompe gebouw heeft over de hele lengte een rijke versiering van beeldhouwwerk. In het archivolt over de breedte zijn de twaalf apostelen uitgebeeld. Het portaal heeft een typische mandorla waarin Christus bij het Laatste Oordeel is afgebeeld Estella heeft een mooie boogbrug met knik die de Rúo Ega overspant. Eigenlijk lokt Estella, maar ik besluit toch maar om door te lopen.

Legende van het processiekruis: In de negende eeuw staat in Villamayor een burcht op de spitse heuvel: het kasteel van Don Esteban de Deyo.Voor de veldslag op de Moren verschijnt aan de koning een schitterend kruisbeeld. Hij neemt het in bezit maar verstopt het omdat hij vreest dat het gestolen zal worden –precies op een plek waar vele eeuwen later een herder met zijn schapen voorbij komt. Eén van de geiten blijft stokstijf staan bij een struik. Omdat de herder bang is dat er een roofdier in de struik verscholen zit, werpt hij met zijn slinger er een grote steen naar toe . Dan ziet de herder het schitterende kruisbeeld liggen dat echter door de steen zwaar is beschadigd. In tranen roept de herder uit: ,, Ach, dat God mijn arm verlamd had voordat ik de steen wierp’’. En prompt daarop gaat zijn rechterarm slap hangen. Het kruisbeeld wordt naar het kasteel gebracht, maar de volgende morgen blijkt het kruisbeeld verdwenen en zich weer de plaats onder de struik te bevinden. Voor de ridder is dit het teken dat daar een kerk moet worden gebouwd en zo gebeurt het ook.
In de Andreaskerk in Villamayor Monjardin bevindt zich nog steeds een processiekruis, zwaar met zilver beslagen.

IMG_9190 basaltkegel Castillo de San Esteban Villamayor 5e etappe  Verder gaat het. Ik wil vandaag aan de refugio van Villamayor de Monjardín geraken. Even na Estella zie ik het klooster Irache al vanuit de verte liggen, een groot 12e eeuws Benedictijnenklooster met een mooie kruisgang. Vlak voor het kloostercomplex is een groep fietsers hun bidon aan het vullen aan een wijnbron van het Bodegas Irache. Uit de muur komt wijn en water uit afzonderlijke kraantjes. Op een bordje de tekst: Pelgrim, als je vol kracht en vitaliteit in Santiago wil aankomen, neem dan een slok van deze grote wijn en klink op het GelukDe groep fietsers die luidruchtig hun bidons vullen komen uit Nederland. Ik loop maar vlug door. Wijn zou me in de knieën gaan zitten, het hebberige gedrag zou me maar onnodig irriteren. De route gaat aan één stuk door bossen met mooie steeneiken. Prachtig om ze ook eens in het echt te zien. Al enkele dagen hoor ik de nachtegaal zingen. Hier lijkt het of een clan nachtegalen het bos heeft gepacht. Ik blijf herhaaldelijk staan om naar de schitterende zang te luisteren. Oppassen niet een tweede Virila te worden. Weer in open terrein springt in de verte een basaltkegel met daarop iets wat op een ruïne lijkt direct in het oog. Het is de ruïne van Deyo in  Villamayor de Monjardín die op grote afstand al te zien is. Vlak voor Villamayor kom ik aan de Fuente de los Moros voorbij, een Moorse bron waarvan het waterbekken diep in de grond zit. Het waterbekken is overkoepeld met een puntdak dat door twee gotische bogen wordt gedragen. Het water is helder en heerlijk koel, maar drinken is moeilijk omdat de waterspiegel zo laag ligt. De refugio in Villamayor wordt beheerd door Nederlandse vrijwilligers van een gereformeerd kerkgenootschap. Ik ben de eerste pelgrim deze dag en wordt hartelijk verwelkomt met koffie en een broodje. De refugio is eigendom van de voormalige burgemeesteres van het dorpje die haar gemeentehuis heeft opgekocht om er een refugio in te beginnen. De vrijwilligers wisselen elkaar door het jaar heen regelmatig af. Een belangrijk voordeel van vroeg in een refugio aan te komen is het aantreffen van nog zuivere douches en toiletten. Met het toenemen van de stroom pelgrims neemt deze zuiverheid gestaag maar behoorlijk af. Respect voor beheerders en vrijwilligers van refugio’s is nauwelijks aan de orde, wat kunnen pelgrims toch een bende maken. Geen enkel respect voor hen die het vrijwillig moeten opruimen. De voordelen van vroeg vertrekken en vroeg aankomen zijn talrijker. De morgenstond heeft echt goud in de mond. Het prachtige opkomende licht, de frisse ochtend. De rust van het landschap. Weinig mensen. Vogels die nog fris zijn en hun hoogste lied zingen. Op het heetst van de dag ben ik op mijn bestemming en kan het verder rustig aan doen. Ik kan onderweg zingen zo hard als ik wil en wat ik wil. Vaak heb ik om negen uur het hele Liber Usualis al gehad. Het alléén lopen doet me goed. Ik hoef niet te kletsen of te luisteren de hele tijd door, zie veel meer van alles wat er om me heen is en kan alles rustig in me opnemen, laten bezinken en erover nadenken. Geen beraadslagingen of aanpassing. Ik voel me goed als solitair, zoek contact en sluit het zonder scrupules weer af. Perfect zo! Vandaag is Mieke jarig. Al in Pamplona heb ik haar kaart verstuurd omdat ik geen idee heb hoelang Correos erover doet een kaart in Nederland te krijgen. Voor de zekerheid stuur ik nog een SMS-berichtje. Ik zoek de koelte van het kerkje en werk er mijn dagboek bij. Weer zo’n mooi oud kerkje, koel, intiem en rustgevend. Waarom moet er in de kerk toch altijd zoveel ritueel gepraat van eigen gelijk plaatshebben. Stilte en meditatieve inkeer op het thema ,,Liefde voor de ander is God” zou absoluut kunnen volstaan. Ieder zijn eigen god. De vrijwilligers van de refugio verzorgen een geweldige maaltijd, het is weer een internationale en gezellige tafel met mensen. Het verzoek om aan de dagsluiting deel te nemen vindt minder aftrek. Een Frans echtpaar en twee jonge Duitse onderwijzeressen vormen met mij en de vrijwilligers samen de dagsluiters. We zingen wat in de verschillende talen en proberen een gesprek op gang te houden wie en waar God is. Behalve de vrijwilligers zijn we het snel eens over het Leitmotiv: ,,Ubi caritas et amor, deus ibi est”. De vrijwilligers hebben een beetje ál te gereformeerde opvattingen en proberen bijbel en gelijk te preken. Maar goed, niks op tegen om het goede uit de bijbel mee te nemen in je opvattingen, het heeft millennia standgehouden! Het heeft me de afgelopen dagen meer beziggehouden. Ik ben tot de slotsom gekomen dat er geen andere God is dan die welke mensen zelf maken of ooit gemaakt hebben. Ieder mens is regisseur van zijn eigen godsbeelden, op ’n manier die hem het best uitkomt. Om iets mystieks een naam te geven zijn mensen het maar God gaan noemen. Het is een bindmiddel. Maar veel meer nog is het iets wat zich rechtstreeks tussen mensen onderling afspeelt. Ik merk het hier op de camino aan de hulpvaardigheid en de band die je zo gemakkelijk aangaat met mensen die gelijkgezind zijn. Ik heb me erover verwonderd hoezeer de Kerk het eenvoudige gegeven, de boodschap van Liefde, van hun voorbeeld Jezus van Nazareth heeft misvormd en misbruikt tot eigen nut. Misschien soms ook wel met de beste bedoeling. Zeker aanvankelijk in de tijd van de eerste christenen, maar later verworden en geworden tot machtsmiddel. Voorzien van dogma’s en stellingen om mensen te binden en in toom te houden, of religieuze allegorieën om een andere werkelijkheid te creëren. Ik verwonder me erover hoe gemakkelijk hoogstaande wetenschappers een geloof aannemen om het vervolgens wetenschappelijk te onderbouwen. Iets wetenschappelijk onderbouwen wat er in werkelijkheid niet is. Zo hebben theologen, exegeten, dogmatici, mystici en anderen eeuwenlang voortgebouwd op elkaars bedenksels. Je zou iets wat je heilig is eigenlijk geen vorm moeten willen geven. De God van de joden is mij eigenlijk nog het dierbaarst: zijn naam wordt niet uitgesproken. Jezus is voor mij gewoon een mens die heeft laten zien dat geloof een manier van leven is, een houding, en niet het onderschrijven van allerlei leerstellingen en dogma’s. Of zie je eigen God in een bloeiende roos, zoals Rilke. Elke en Gudrun, de twee Duitse onderwijzeressen, zijn goede gesprekspartners en samen zetten we nog een flinke boom op over onze god onder mensen. We vinden elkaar, zonder te beweren dat wij nu alle wijsheid in pacht hebben. Te laat ga ik slapen. Tony, de jonge Canadees snurkt de hele slaapzaal bij elkaar, maar ach ik mag hem en stoor me er niet aan.

In de vroege ochtend loop ik alleen door het weidse heuvellandschap. Op de achtergrond tekent zich de bergketen van Codés af. Ik loop Tony en Claudia achterop en loop een stukje met hen mee. Van zijn moeder hoorde hij van de Camino. Claudia is een stuk jonger, berucht op avontuur, klaar met een studie en heeft voorlopig tijd tot oktober. Via een broer die in Amsterdam woont en werkt kwamen ze ook met de Eurolines in Bayonne. Tony moet uiterlijk 4 juli in Santiago zijn. Hij wil het zwaaiende wierookvat Botafumeiro vooral niet missen. Vlak voor Los Arcos laat ik ze achter me en loop alleen verder. Het is te vroeg, de kerk van Los Arcos is nog gesloten zodat ik al het moois dat deze Santa Mariakerk te bieden heeft moet missen. Via de Calle San Lazáro, de oude pelgrimsweg, verlaat ik het dorpje. Op de brede zandweg die dwars door akkers en olijfboomgaarden voert loop ik in de richting van het gebergte. Ik loop een Pilgergruppe uit Bayern achterop. Hun dialect verraad hen al van afstand. De oude Pfarrer, zelf afkomstig uit Altötting, voert een gemxealeerd groepje pelgrims aan. Het kleine rugzakje verraad een luxe groep die van hotel naar hotel pilgeren. We praten over wat ons bindt, over Altötting waar we toevallig waren en ze verwonderen zich dat een Flachländer zich zo uit de voeten kan maken met zo’n grote rugzak. Hulde aan de Pfarrer die op zijn leeftijd nog zo fit meewandelt als is het een combinatie busreis – wandelen. Hij blijkt ’n kennis van ons, Pfarrer August Lindner uit Regensburg, te kennen zelf een fervent compostelaganger. Ik loop weer door en één van de mannen vraagt of het goed is dat hij een eindje met me meeloopt. Hij vertrouwt me toe dat hij graag zelf eens de hele route zou willen lopen en heeft informatie nodig over lopen en onderkomen. De achthoekige kerk San Sepulcro in Torres del Rédo doet groots aan in het kleine dorpje. Hoe kwamen zo weinig mensen er ooit toe om zo’n grote kerk in hun dorp te bouwen en met welke middelen deze ze dat, zelf zo arm als de mieren? De kerk blijkt tussen 1160 en 1170 gebouwd te zijn in opdracht van de ridders van het heilig graf. Tempelridders hebben hier overal hun sporen achtergelaten. De route voert me langs de hermitage Nuestra Señora del Poyo waar ik geniet van het uitzicht over het diepe dal en de olijfbomen, wijngaarden en korenakkers. Denkend over de gesprekken gisteravond en mijn eigen gedachten wissel ik het Attende Domine in voor het Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est. Ik ben er steeds heftiger van overtuigd dat ,,daar waar vriendschap is en liefde, dat daar een God is”. In alle toonaarden zing ik het. De gregoriaanse versie is te traag. De versie van Taïzé bevalt me nog het meest, ze loopt ook het fijnst. Het mooie Salve Regina, teruggevonden in oude gezangenboeken van de Birgittinessen in Vadstena, is ook de hele dag in mijn gedachten. Maar ik moet mijn tred teveel aanpassen om ermee in een looptempo te kunnen blijven. Om 12 uur kom ik aan in Viana. De 31 kilometer van deze dag zitten er al op. Ik besluit gebruik te maken van de parochierefugio. De sfeer in refugio’s met een religieuze inslag bevalt me wel. Ik onderga er meer de beleving van het pelgrim te zijn, met iets anders bezig dan alleen maar voortbewegen, genieten en kilometers maken. Manuela, de vrijwilligster ontvangt me of ik een bekende en lang verwacht ben. In de grote torenkamer wordt een derde matras op de grond bijgeschoven. De Braziliaanse naast me doet haar oefeningen. Zo lenig ben ik niet, jaloers volg ik haar bewegingen. De douche is zuiver, het toilet schoon. Binnen de kortste keren hangt mijn was op het veldje achter de kerk te drogen. Toch verstandig dat ik een stuk scheerlijn van de tent heb meegenomen en enkel klemmetjes waarmee ik mijn goed kan vastklemmen aan het touw. Lui leg ik me op de stenen bank en observeer de jonge ooievaars die in hun nest op een aangrenzend dak vliegoefeningen doen, daarbij aangemoedigd door een luid klepperende moeder. Terug in de torenkamer zijn er de nodige matrassen bijgekomen. Manuela zoekt vrijwilligers om de avondmaaltijd mee voor te bereiden en ik beloof mijn hulp zodra ik het stadje heb bekeken. Viana is in 1219 gesticht. Van de omwalling en de burcht resten slechts ruïnes. De stad heeft twee weerkerken waarvan de Santa Maria, waarin mijn refugio is ondergebracht, de mooiste is. De kerk heeft een barok hoofdaltaar en een interessant San Iago (sint Jacob) retabel, waarin de daden van de apostel worden afgebeeld.

272_viana_jacobusretabel_detail_matamoro Ik houd eigenlijk niet zo van barok en zeker niet de overdaad die je overal aantreft. San Iago als morendoder in de top van het retabel. Wij zouden om zo’n twijfelachtige heldendaad niet zo hoog opgeven denk ik. Spanjaarden destijds wel. Ze riepen San Iago aan in hun strijd tegen de Moren, hij kwam uit de hemel, steeg te paard en met zijn hulp werden de Moren in de pan gehakt (.) Geloof. De twee onderwijzeressen uit Mönchengladbach kiezen voor de gemeentelijke refugio vanwege het comfort. Ook de twee Zweedse met hun aan de haak geslagen Duitsers kiezen voor het comfort, evenals Willem en Claude. Later blijkt dat dit comfort uiterst betrekkelijk was met veel te veel mensen, veel te weinig voorzieningen en late feestgangers. Pelgrims kunnen als zwijnen zijn. Mijn aandeel in het bereiden van de avondmaaltijd bestaat uit het snijden van stapels uien en groenten. Maar goed ook want mijn kookkunsten zijn sinds de verkennerij nooit verder uitgegroeid. Ik verbaas me er regelmatig over wat sommige mensen kunnen maken met zo weinig ingrediënten. Het avondeten is na de eucharistieviering van acht uur. Acht pelgrims uit onze refugio zijn in de mis en worden na de mis door de jonge pastoor naar voren genodigd om de pelgrimszegen te ontvangen. Het doet me toch telkens wat die aandacht en het ritueel.

274_eettafel_ik_6e_etappe_a  Terug in de refugio helpt iedereen mee en in korte tijd zitten we te eten. De pastoor komt ook mee-eten. In tegenstelling tot veel Spanjaarden spreekt hij een beetje Engels. We praten over kerk en samenleving in Nederland en over hoe mijn dag eruit ziet. Ik vertel hem hoezeer ik geniet van iedere opkomende dag en van mijn zingen. Omdat hij zegt het Attende Domine niet te kennen zing ik een stukje voor. De slimmerik, hij wilde alleen maar horen hoe ik zong en vraagt me te willen zingen bij de dagafsluiting straks in de kerk. Ik stem toe. Er zijn weer vele nationaliteiten verenigd. Behalve de Braziliaanse en haar vriend hebben we nu een Frans echtpaar met hun vriendin, een Mexicaan, een jongen uit India, Josef uit Westfalen, de pastoor en Manuela aan tafel. Limburger Willem, die even komt informeren waar ik morgen heen ga, sluit aan en eet mee. Josef zit naast me en zoekt duidelijk steun en zekerheden. Hoe herkenbaar. Hij is zó gedreven Compostela te halen dat hij teveel kilometers op een dag loopt en daarmee zijn mogelijkheden teveel geweld aan doet. Hij heeft last van veel te veel gewicht in zijn rugzak en begint aan het einde van zijn krachten te komen. Ik beloof hem mee te bekijken welke spullen hij morgen het best naar huis kan sturen. Dankbaar voor de hulp en iemand waartegen hij kan aanpraten is hij niet van mijn zijde weg te slaan. Arme Josef, hij zal het waarschijnlijk niet gaan halen. Ik voel zo’n medelijden met deze goeie kerel dat ik bijna zijn spullen verder mee zou willen dragen. Het doet me denken aan de hulp die ik bood aan een makker die er helemaal doorheen zat en totaal versuft liep te raaskallen tijdens de afmattingsweek in militaire dienst. De beloning was een douw van de commandant en het weekend in de  kazerne doorbrengen. Eenmaal zelf dienstplichtig onderofficier heb ik dit voorval altijd voor ogen gehouden als voorbeeld  hoe je iets juist niet moet aanpakken om wat gedaan te krijgen. Voor de dagafsluiting gaan we door een deurtje van de torenkamer en komen op het oksaal van de kerk. De kerk is aardedonker, alleen het Mariabeeld op het hoogaltaar wordt aangestraald door een schijnwerpertje. De pastoor heeft stenciltjes met teksten in Spaans, Duits, Frans en Engels en ieder leest wat in zijn eigen taal. Ik vertaal uit het Duits ter plekke maar een gebed naar het Nederlands. Als de pastoor me vraagt om te zingen besluit ik om het Salve Regina te zingen naar traditie van de Trappisten die dit iedere dag tot afsluiting  van de dag in de completen doen en op dit tijdstip in de koorbanken hetzelfde lied staan te zingen. Het past ook in deze kerk, waar alleen het Mariabeeld uit het aardedonker wordt aangelicht. Het is een emotioneel moment en sommigen wordt het zelfs te machtig. Gregoriaanse gezangen blijven toch een bepaalde uitwerking op mensen houden. Een samengeraapt groepje mensen en toch zulke intense emoties voor dat moment, voor elk moment. Het bijzondere van de Camino zit in de mensen die haar bewandelen. Aan de hand van wat mensen beleven, ondergaat ieder zijn eigen Camino. Terug in de slaapruimte blijkt de vloer vol. Een man die vlak voor de kerkdienst moe en bezweet is aangekomen, heeft de grote tafel die tegen de muur staat als bed verkozen. Hij ligt al te snurken zoals ik het nog niet eerder hebt meegemaakt. Dit gesnurk is me snel teveel van het goede. Zachtjes neem ik mijn matras mee en leg me in de eetkamer te slapen. Nog voordat ik me goed en wel heb ingenesteld volgen de één na de ander en in de kortste keren ligt nagenoeg iedereen in de eetkamer en heeft de snurker de hele slaapruimte voor zich alleen.

In alle vroegte verlaat ik de refugio om het ontbijt niet te verstoren, het is nog donker buiten. Ik heb dan ook de grootste moeite met het vinden van de gele pijlen om Viana uit te komen. Even een terugblik op wat ik achterlaat, een sluimerende stad op een verhoging waar de straatlantaarns nog branden. Bij de hermitage Virgen las Cuevas, Onze Lieve Vrouw van de Grotten, lijkt het wel wat op de heilige Eik in Spoordonk. Nu stil en verlaten, maar de hele infrastructuur wijst duidelijk op een plaats waar veel mensen kunnen samenkomen. Het kan nooit de bedoeling van de eremiet zijn geweest die er ooit de stilte en eenzaamheid zocht. Maar ach, het moet iets opbrengen tegenwoordig. De bergen van Rioja komen dichterbij. Hellingen zijn meer en meer beplant met wijnstammen. Het is nog te vroeg. Straten worden schoongespoten en hekken geplaatst. Het is er feest vandaag. Ik besluit Logroño te laten voor wat het is en de kortste weg te nemen om uit het stadje weg te komen. Ik kom langs de kerk van Santiago en bekijk de beelden van hem, één als pelgrim, één als morendoder. Je kunt je toch niet voorstellen dat weldenkende mensen willen aannemen, zoals in 844, dat de 800 jaar eerder overleden San Iago het christelijke leger te hulp is gekomen en eigenhandig de Moren versloeg? Mensen geloven wat ze willen geloven. Daarvoor zijn het mensen.

IMG_9280 bezwaar tegen snelweg ipv camino 7e etappe Langs de snelweg die de Camino ter plekke heeft verdrongen hebben pelgrims van takken kruisjes gevlochten in het gaaswerk dat de Camino afscheidt van de snelweg. Een stil protest. De poort van het kerkhof even buiten Navaretta is Romaans en maakte vroeger schijnbaar onderdeel uit van het hospitium aan de andere kant van het plaatsje. Omdat ze een poort voor hun dodenakker nodig hadden hebben ze de oude poort maar afgebroken en hier opnieuw opgebouwd. Je kunt het ook maar beter een functie geven eigenlijk. Voorbij Navarette loop ik haar achterop. Ouderwetse broek tot iets over de kuiten, een geruit  werkmansoverhemd komt onder het rugzakje vandaan. De strohoed bekroont een hoofd met halflang strohaar. Van achter heeft het iets weg van een vogelverschrikker zoals we ons die voorstellen. Terwijl ik haar wil passeren lacht ze me vriendelijk toe en het sprekende gezicht wat me toelacht doet me besluiten tot een praatje. Ze is de jongste niet meer. Gepensioneerd professor filosofie aan de universiteit van New York, al jaren woonachtig in Zwitserland haar tweede thuis. Ik merk dat ze wat harder wil lopen omdat mijn tempo hoger ligt dan het hare. Ik neem gas terug. We praten over de camino, de mensen, haar en mijn werk en onderwijl kuieren we op ons gemak verder. Juist ter plaatse laat de bewegwijzering nogal te wensen over. De dorpjes links van ons lokken, maar tegenstrijdige markeringen en een toeterende auto maken ons duidelijk niet in de valstrik te trappen. Haar wandelgids en de mijne geven ook geen eenduidige voorlichting. Een Spaanse dictionaire komt met regelmaat uit het rugzakje maar levert ook niet de oplossing. Ook de betonpaaltjes waarop een vergulde schelp zoals we ze na Logroño herhaaldelijk tegenkomen schieten ons dit keer ook niet te hulp. Één van de drie dorpjes links van ons moet Ventosa zijn. Ze heeft via haar hotel gereserveerd om daar ergens te eten. Zo laat ze alles per dag reserveren, hotel, eten, taxi. Vanwege het trage tempo en de vele keren dat we stilstaan om de juiste richting te bepalen, iets uitgelegd te krijgen of te bekijken, is het twee uur voordat we in Ventosa zijn. Er is een mooie herberg en ik besluit er te blijven. Aan de wolken te oordelen dreigt het weer om te slaan. Achteraf blijkt het een goed besluit. Onweer en regen breken los, nauwelijks nadat mijn wasje is gedroogd. Geluk, toeval, voorzienigheid? Geef het de naam die je wil. Ventosa kent inderdaad een echt restaurant waar we nota bene een pelgrimsmenu kunnen regelen. Pelgrimsmenu’s zijn goedkoop en toch goed, maar in een echt restaurant kun je het bijna geen ,,Pelgrimsmenu” meer noemen. Mevrouw de professor is met de taxi naar haar hotel in Nájera. Helaas duiken de Duitsers met hun Zweedse ook weer op. Ze hebben met vieren aan twee bedden genoeg. Oordeel niet om niet geoordeeld te worden. Wurst.

De andere morgen worden we met gregoriaanse muziek gewekt. De herbergier houdt de touwtjes strak in de hand. Niemand gaat zo de deur uit. Buiten is het fris. Regen heeft de natuur vochtig gemaakt. Het is op het randje maar mijn softshell kan in de rugzak blijven. Ik merk dat Attende Domine en Ubi Caritas vandaag toch weer de bovenhand hebben genomen. Waarschijnlijk als aanroep om mooi weer. Je moet toch af en toe eens een andere boodschap naar boven sturen. Opnieuw komt Roeland opdagen onderweg. Bij Poyo de Raldán, Roelandsberg, zou hij een rotsblok naar de kwaadaardige reus Ferragut hebben geworpen. Mooi toch die sagen.

Najéra tekst EGB1500  Nájera levert weinig problemen op. Een strofe uit het gedicht aan de muur waar ik aan voorbij loop houdt mijn gedachten bezig: ,,Pelgrim, wie is het die je roept, of de geheime kracht die je trekt? Het is niet het Sterrenveld en ook niet de imposante kathedralen”. Het moet de roeping zijn van de pelgrim in me.” Ik laat kerk en clarissenklooster voor wat ze zijn en ben in korte tijd weer in de natuur. Weidse velden worden hier bevloeid door het typisch Spaanse irrigatiesysteem, een lang lint van betonnen bakken die het water overal heen leiden. Het water stroomt met behoorlijke snelheid door de betonbakken en wordt daar afgetapt of weggepompt waar het nodig is. Geen wonder dat Spanje verdroogt, maar misschien zie ik het verkeerd. In rietkragen langs het pad hoor ik de karekiet zingen. Zijn typische roep laat weten dat hij er is. Vogels zingen toch overal hetzelfde. Gisteravond in de refugio hadden we een discussie over taal. Hoe gewenst het zou zijn dat Europa één gemeenschappelijke taal zou krijgen. Een nieuwe taal, niet het Engels. Een soort Esperanto. Maar vogels hebben daar helemaal geen last van. De nachtegaal, de karekiet, de merel, de leeuwerik ze zingen en tjirpen net als bij ons of waar ook. Universeel. Vogels zijn ons ver voor. Hoe vaak heb ik onderweg niet gevoeld dat een goede taalbeheersing zo ongelofelijke mogelijkheden biedt. En tegen welke taalproblemen je oploopt ondervond ik al in Wallonië aan den lijve. Het kan je dagen behoorlijk vergallen en het vertrouwen in jezelf fors ondermijnen. Misschien is een gemeenschappelijk taal wel een mooie oplossing. Anderzijds krijgen we al zoveel eenheidsworst door het centrale Europa. Centralisme wordt alleen maar nagestreefd vanwege de pecunia. Geld, méér en méér geld. Het zuigt mensen als cultuurdragers hartstikke leeg. Wat brengt geld toch allemaal teweeg. In Azofra wil ik ontbijten, maar mijn metgezellin van gisteren zit al aan een tafeltje. Ze heeft, vanuit Nájera gestart, een voorsprong. Ze nodigt me aan haar tafel, maar ik besluit staandebeens iets te nuttigen en door te lopen. Ze vindt het niet erg en hoopt me in Santo Domingo de la Calzada te treffen. Ik beloof het haar, de stad van de haan en de hen zaten al in mijn plan.

cid-95342381025012007-0b4a

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

DEEL 4 Azofra – Mansilla de las Mulas

Even buiten Azofra kom ik langs de Rollo de Azofra, een stenen zuil in de vorm van een zwaard dat ik de grond staat gestoken. Het is een oud symbool van de rechtsmacht van de landheren van Azofra.

57_2e_zicht_op_santo_domingo_de_la_calza_1  Het is een mooie route naar Santo Domingo de la Calzada, afwisselend met fantastisch mooie vergezichten naar alle kanten. De zon schijnt fel en meedogenloos. Er is geen beschutting onderweg. Omdat mijn water op is besluit ik een eindje, op geleide van mijn gidsje, om te lopen langs de bron in Ciruña. Het is de moeite waard, heerlijk koel water en goed van smaak. Twee fietsers bij de bron zeggen uit Veghel te komen. Ik verdenk ze er zelfs van uit Keldonk, gemeente Erp, te komen aan hun tongval en reclameshirts te oordelen. Maar wie kent in godsnaam Keldonk in dit werelddeel behalve ik toevallig, omdat ik jarenlang directeur was ook in Erp? Ik ga het gesprek niet aan, bekijk vol interesse hun fietsroutes en luister naar hun enthousiaste verhaal. Het is me eerder opgevallen dat ik maar af en toe fietsende pelgrims zie daar waar het wandelpad vlak langs de verkeersweg loopt en vroeg me dan af hoe hun route eigenlijk verloopt. Pelgrimeren op de fiets lijkt me toch heel iets anders. Ze moeten toch alles anders ondergaan en ervaren minder van de oorspronkelijke, eeuwenoude pelgrimsroute. Maar wat voor mij geldt ten aanzien van fietsen, kan voor fietsers gelden ten aan zien van wandelen. Na een lange stijging zie ik vanaf het hoogste punt Santo Domingo de la Calzada in de verte in een uitgeslepen vlakte liggen. Uitgestrekt ligt het in de laagvlakte. De toren van de kathedraal verheft zich boven alles uit. Ik meld me aan het loket van de refugio bij de zusters Cistercienserinnen. Het is een oud gebouw, nauwelijks ooit van onderhoud gehoord. Alles versleten en vergaan. Toch heeft het sfeer. De twee Engelse jongens die afgelopen nacht ook in Ventosa waren blijken al op bed te liggen en rusten. Toen ik vertrok vanochtend lagen zij nog te slapen. Vreemd dat ik hen niet heb gezien onderweg. Na enig doorvragen blijkt dat ze de bus hebben genomen! Naar later blijkt een goede gewoonte onder, voornamelijk jonge, pelgrims.

Ik deel de kamer met een vijftal Spanjaarden die in diepe rust zijn. Na de douche en mijn was ga ik de stad in. Maar behalve de bar is alles nog dicht. Dus drink ik koffie en eet wat. Terug in de refugio tref ik oude bekenden. We spreken af ‘s-avonds op de boulevard te gaan eten. In de omsloten binnentuin werk ik rustig mijn dagboekje bij. Zonder vooraankondiging breekt plotseling een hoosbui los met onweer en forse hagelstenen. Het dak boven mijn stapelbed blijkt niet echt waterdicht, met als gevolg twee natte matrassen. Wonder dat de blootliggende elektriciteitsdraden geen kortsluiting hebben gemaakt. In Nederland zou een dergelijk onderkomen al lang zijn afgekeurd en gesloten.

Wanneer de kathedraal is geopend ga ik naar het kippenhok kijken. De kathedraal is een mengeling van Romaanse, gotische en renaissance stijlelementen. Wellicht trekt het kippenhok de meeste bezoekers. In een mooie ruime kooi ingemetseld hoog aan de wand zitten twee kippen, een haan en een hen. Niet omdat er anders geen kip in de kerk komt, maar als gevolg van een legende. Een echtpaar overnacht met hun zoon in een herberg. De dochter van de herbergier probeert de jongen te verleiden, maar deze gaat daar niet op in. Uit wraak stopt het meisje een zilveren beker in zijn bagage. Vlak voor vertrek slaat ze alarm, de beker wordt in de jongen zijn bagage aangetroffen en deze wordt opgehangen. De ouders pelgrimeren naar Santiago en komen op hun terugtocht weer bij de herberg. Hun zoon leeft nog en is niet gestikt in de strop. San Iago heeft hem al die tijd ondersteund, zodat de strop niet aantrok. De bisschop, die toevallig net aan tafel zit en kip en haan eet, gelooft het verhaal niet en roept uit: ,,deze gebraden kip en haan zullen nog eerder vleugels krijgen dan dat ik dit verhaal geloof”. En prompt krijgen ze vleugels en vliegen krijsend van zijn bord. Heer geef me Geloof. . . . Maar sinds de kathedraal bestaat is er wel een kooi met de levende haan en de hen. Domingo (Dominicus, zouden wij zeggen) was een kluizenaar die leefde aan de oever van de Río Oja. IMG_9334a Santo domingo de la Calzada de kippen 8e etappe In de 11e eeuw liet hij een brug over de Río Oja bouwen en een herberg voor pelgrims. Dankzij de pelgrims werd het gebied welvarend. Na de dood van Domingo en zijn heiligverklaring werd het stadje aan de straat (Calzada) wat er ontstond naar hem genoemd. In de stad tref ik mijn Amerikaans/Zwitserse professor en samen slenteren we wat door de straten. Ook de Zweeds/Duitse combinatie is in de stad. De Duitsers krijgen haast want ze moeten op een vastgestelde tijd in Burgos zijn waar hun tocht eindigt. Samen met Willem, Claude, Hubert en Jacqueline dineren we op de boulevard van Santo Domingo de la Calzada. Het lijkt wel vakantie. Terug in de refugio merk ik dat mijn Falke sokken van mijn bed zijn verdwenen alsook twee zelfsluitende plastic zakjes waar ik mijn wandelgids en kladblokje in bewaar als bescherming tegen het nat worden. Maar geen Spanjaard die iets heeft gezien of bemerkt, zeggen ze zonder me aan te durven kijken. Het geeft me geen veilig gevoel. In een refugio mag niets ontvreemd worden. Pelgrims bestelen elkaar niet. Het past niet bij elkaar. Twee van de vijf Spanjaarden snurken om het hardst. Dit keer stoort het me wel. Ik kom regelmatig uit bed om aan hun bedden te rammelen zodat het snurken tenminste even stopt. De andere morgen om 5 uur schrik ik wakker. De Spanjaarden zijn volop aan het pakken. Omdat het nog donker is doen ze het grote licht maar aan. Geen greintje aandacht voor anderen. ‘s-Morgens heel vroeg weg, bang te laat in een refugio te komen. Vervolgens de hele middag op bed liggen om de slaap in te halen en te mopperen op andere pelgrims als ze niet stil willen zijn. Zo maak ik het voortaan vaker mee. Maar ach, het blijven gezelschappen op zichzelf. Ik loop hier niet om me overal aan te storen, dat kan altijd nog. Vanaf zes uur is het toegestaan in deze refugio om op te staan en te vertrekken. De zuster die ik om kwart over zes aantref met haar grote sleutel is helemaal niet verbaasd dat de deur al open is. Ze zal dat wel gewend zijn. Buiten de stad kleurt het ochtendgloren de lucht goudgeel. Nevel hangt boven de velden en geeft het geheel een mystiek aanzien. Wat een landschap, wat een genieten. De Río Oja staat droog. Daar moet de natuur het hier dus niet van hebben. De gotische kerk van Grañion staat massief midden in het kleine dorpje. De bar is geopend voor de eerste ontbijters, maar ik besluit verder te lopen omdat het mij nog te vroeg is en gotiek trekt me toch al minder.

IMG_9356 landschap en Mafkees 9e etappeEen eindje voor Belorade loop ik een apart figuur achterop. Ouderwetse pelgrimshoed op het hoofd met omslag aan de voorkant en schelp. Driekwart lange broek, spierwit zonder smet of vlek. Lange stok in de hand met kalebas waaraan slierten plastic in vele kleuren. Als ik dichterbij kom hoor ik hem hardop bidden tot Maria: Ave Maria gratia plena, dominus tecum . . . .  Zou hij op Mariabedevaart zijn of last hebben van godsdienstwanen? Geen angst, ik ken ze vanuit mijn psychiatrie opleiding. Zoiets weet ik nog wel te temmen zonder pillen. Ik groet hem en hij groet terug. Niks vreemds, ieder het zijne; ,,leven en laten leven”, zou mijn moeder zeggen. Vandaag passeer ik Redecilla del Camino, waar de grens tussen de provincies Rioja en Burgos loopt. Onderweg hoor ik plotseling krekels in de wegberm. Jarenlang geen krekels gehoord, zou mijn ooroperatie van dit jaar wonderen hebben veroorzaakt? Soms moet je het wonder tenslotte een beetje helpen” In dit geval Dr. Nijhuis en een stukje paardenweefsel.

In Belorado koop ik een kaart en stuur die aan Jetje die binnenkort 1 jaar wordt. Ofschoon het een gezellig plaatsje en de markt rijkelijk gevuld is, is het mij nog te vroeg om een refugio op te zoeken. Ik besluit verder te lopen naar de refugio paroissial in Tosantos. Een goede keus. Vriendelijk wordt ik er ontvangen door een oud-missionaris en ingeschreven. Er zijn geen stapelbedden, maar matrassen om op de grond te slapen. Even buiten het dorp in een berg is een grot waar ooit een eremiet woonde. Hermitage Virgen la Peña ligt hoog in de berg. Het is te hoog om op mijn slippers heen te wandelen en ik lig wat lui aan de oever van een beekje naar de lucht te staren. Hubert en Jacqueline uit Grenoble komen ook aan in de refugio. Alweer even niet gezien die twee. Ze weten te melden dat Claude en Willem wat problemen hebben met hun voeten. Een vrijwilliger kookt voor de pelgrims die dat willen en pelgrims op hun beurt helpen mee. Je hebt ook geen keus, in dit dorpje is niets te krijgen. Het is een gezellige eettafel en fantastisch eten. Wonderlijk toch dat de meeste pelgrims dit soort refugio’s liever mijden. Niks mis mee, zouden wij zeggen. ‘s-Avonds na het eten is er een dagsluiting waarbij voornamelijk Taizé liederen worden gezongen. Confitemini domino, quoniam bonus. Iedereen doet mee. Het past bij pelgrimeren. Het Ubi Caritas et Amor blijft herhaald worden. Het zal opnieuw bezit van me nemen na vanavond, gevoed met nieuwe impulsen. Wat zijn er toch veel aardige mensen op weg. De vreemd uitgedoste pelgrim die ik passeerde heeft zijn slaapmatras naast het mijne gelegd. Blijkbaar voorvoelt hij vertrouwen. Voor het slapen gaan bid hij, maar hij blijft voortdurend aan de gang. Tja, wat moet je dáár van zeggen? Hopen dat het vanzelf overgaat.

Vroeg in de ochtend vertrek ik weer. Vandaag promoveert Anneloes van Ruben tot doktor Anneloes. Het zij me vergeven dat ik er niet bij ben. Ze zal het zonder mij ook wel redden en Henny zal mij goed vertegenwoordigen. De dorpjes waar ik doorheen trek lijken steeds armer te worden. Kerkjes staan er vervallen bij, deels ingevallen het gras groeit in de dakgoot en bomen in de toren. Ook de huizen staan er ontvolkt bij en veel huizen zijn ingestort. God is niet alleen uit Jorwerd verdwenen blijkbaar, ook hier is hij op uittocht. In de verte zie ik de Montes de Oca. Na Villafranca-Montes de Oca begint een lange afdaling naar San Juan de Ortega. Over de oorspronkelijk door San Juan de Ortega aangelegde weg (?) door het bos nader ik het gehuchtje, dat bestaat uit kerk, klooster en een vijftal huizen aan het kerkplein. Op het brede pad geurt het heerlijk naar brem, heide en het bos. De brede baan, de hei, het geheel doet me denken aan de tankbanen op de Oirschotse hei waar ik als aankomend dienstplichtig onderofficier, voor instructeur tankcommandant leerde om zelf de tank te besturen en bevelen te geven. Alleen de huizen aan het pleintje zijn bewoond, het klooster staat erbij als een museum, één van de huizen fungeert als refugio. Ik ontbijt in de bar en neem de tijd voor het mooie kerkje, opgetrokken in heldere okergele natuursteen. Juan de Ortega was een leerling van Domingo de la Calzada. Begaan met het lot der pelgrims bouwde hij bruggen voor ze en liet voor hun veiligheid hele stukken bos kappen. Met zijn communiteit vestigde hij zich op deze eenzame plek aan de rand van het bos. De stenen sarcofaag van Juan de Ortega bevindt zich in het kerkje. Tweemaal per jaar, op 21 juni en 21 september, schijnt er de zon precies op een kapiteel met de geboorte van Christus. Hoe ze dat in die tijd toch zo nauwkeurig voor elkaar kregen blijft me intrigeren. (Hoelang heb ik niet moeten passen en meten om op de datum van 21 juni de zon precies op het hoofd van het figuurtje in mijn beeldhouwwerkje ,,opgang” te krijgen!) Na het overlijden van Juan in 1163 werd hij heilig verklaard. Wat was het voor sommige figuren toch een koud kunstje vroeger om heilig te worden. Even voorbij het dorpje San Juan de Ortega in Agés rest een klein boogbrugje, dat stamt uit de tijd van Juan de Ortega. Het bewijs. In Atapuerca maken ze reclame met de veldslag die er ooit plaatsvond door een forse menhir langs de weg te plaatsen en een landschapontsierend groot bord waarop staat vermeld dat hier resten zijn gevonden van een prehistorische mens, de Homo Antecessor. Uit Villalval is God helemaal en al lang verdwenen. De kerk is ingestort. Een grote luidklok hangt half uit de toren, alsof ze er tijdens het luiden ter plekke mee op is gehouden. Schaarse nieuwbouw verraad echter dat stedelingen uit Burgos het platteland hebben ontdekt om hun weekendhuis neer te zetten. Een smoezelige herder met een handvol schapen die schaapachtig achter elkaar aanlopen, daartoe aangespoord door een hond die er geen zin in lijkt te hebben met dit weer. De herder merkt op dat het heet is vandaag. Maar dat had ik ook al in de gaten. Misschien zag hij het aan mijn doorweekte hemd en broek. Alles kletsnat van het zweet. Ik loop mijn kilometers het liefst aan één stuk door, met slechts een onderbreking voor het ontbijt en onderweg kijken en genieten. Rusten maakt me loom en ik moet telkens weer opnieuw opstarten. Regelmatig even stilstaan bij alle moois onderweg geeft me voldoende rust. Drinken kan ik lopend. Mijn camelbak kan tot drie liter gevuld worden en dat geeft me voldoende vocht, naast de bronnen die er onderweg zijn. Wanneer mijn wandelgidsje aangeeft dat er bronnen zijn onderweg beperk ik me tot hooguit anderhalve liter water om mee te slepen. Tenslotte is alles wat je thuislaat meegenomen . . . . . .

Mijn eindpunt deze dag is de gemeentelijke refugio van Cardeñuela-Riopoco. Alweer zo’n wonderlijke naam waar het dorp drie keer in kan. De sleutel wordt beheerd in de plaatselijke bar, waar de vloer bedekt is met peuken en andere troep. Het is heel gebruikelijk in dit land om ter plekke te laten vallen wat je kwijt wil. De peuter die over de vloer kruipt, zal een natuurlijke afweer opbouwen die beter is dan wat je bij de dokter haalt. Een remedie tegen nicotinevergiftiging van peuters moet hier ruim bekend zijn. Inschrijven voor de refugio moet je er zelf doen, de stempel zet de bazin dat hoort bij haar gezag. Ze kan waarschijnlijk niet schrijven. Het is een kleine, maar uiterst nette refugio. Na mijn plichtplegingen van iedere dag vlij ik me op de bank tegen de kerkmuur en bestudeer er de wolken die voorbij trekken door het bladerdek heen. Bij voldoende deelname is de waardin bereid om te koken. Deelname genoeg en vanaf half negen is het eten klaar. Opnieuw sta ik er versteld van wat je voor 8,-euro krijgt voorgeschoteld. Voor het eerst tref ik geen bekenden. Ik maak kennis met Herbert en zijn vriendin, mensen van mijn leeftijd uit Salzburg. Hij loopt de Camino voor de tweede keer en wil zijn nieuwe vriendin laten zien hoe geweldig dat het is. De vriendin deelt de camino manie voor de liefde, dat is duidelijk. Blijkbaar loop ik voor mijn vaste club nu te hard. Enkele dagafstanden van 30 – 35 kilometer zijn teveel voor menigeen, zeker bij de hitte zoals die momenteel heerst. Maar ik vind het zonde om al vanaf 11 uur ergens in een refugio op bed te gaan liggen wachten op de nieuwe dag. Het lopen blijft geweldig goed gaan, al begint mijn linkerhak een beetje op te spelen. Een oude kwaal; hielspoor. Ik zal er toch rekening mee moeten houden.

IMG_9447 Burgos bronzen schelpen in straat 11e etappe   De volgende dag stap ik in alle vroegte op Burgos aan. Afhankelijk van wat ik er aantref zal ik er blijven, bevalt het niet dan loop ik verder. De weg naar Burgos loopt vele kilometers langs de autoweg en is lang en uiterst saai. Auto’s, niets dan auto’s met mensen die naar hun werk gaan. De lucht van uitlaatgassen maakt me misselijk na wekenlang frisse landelijke lucht te hebben ingeademd. Links en rechts bedrijfsgebouwen, bedrijven in alle soort, er komt geen einde aan. Ruim anderhalf uur duurt het voordat ik de binnenstad van Burgos nader. Het is opeens een heel andere wereld waarin ik terecht kom. Een wereld waar commercie de dienst uitmaakt en mensen zich haasten, ’n misselijkmakend spoor van stank achterlatend. De eerste groepen toeristen worden rondgeleid over het plein van de kathedraal. Als een machtig bouwwerk troont hij hoog en breed boven alles uit. Een schitterend gebouw dat respect afdwingt. Binnen is het een museum en pas om negen uur open. Ik besluit dat ik voor de rest van Burgos nog wel eens ooit terug zal komen en vertrek om zo vlug mogelijk de stad uit te zijn, de hectiek en stank te ontvluchten. Overal op kerktorens staan de jonge ooievaars hun vliegkunsten te oefenen. Net buiten Burgos foerageren ooievaars samen met duiven op een pas ingezaaid land. Dat zal de eigenaar niet leuk vinden, zo’n zwerm vogels. De Camino heeft ook hier weer plaats moeten maken voor de vooruitgang. Het uitzicht door hoge viaducten en snelwegen is er niet echt fraaier door geworden. Eindelijk kom ik terug in de rust van de natuur. Het is de veldleeuwerik die me komt begroeten en een eind met me meevliegt. De weg begint lang en heet te worden. Er is geen boom te bekennen en op de hoogvlakte overzie je een weg te gaan zover je kijken kunt. Een voorproef van het Meseta gebied. Tegen twee uur kom ik aan in Hornillos del Camino. De lange smalle straat waar de huizen als lintbebouwing aan elkaar zijn gebouwd zindert van de hitte. Het dorp heeft tenminste een bar en een winkeltje. De refugio naast het kerkje is netjes. Een oude man draagt er zorg voor inschrijving en betaling: 3,-euro . Waar tref je zo’n eenvoudige slaapgelegenheden voor zo weinig geld? Geen wonder dat jonge mensen massaal de Camino gaan gebruiken als een goedkope manier van vakantie houden. En als het lopen even niet gaat nemen ze de bus. Op het pleintje voor de kerk en de refugio staat een bron met een gedenkzuil, een haantje op de top. Een andere manier om kippen de kerk in te lokken. Buiten de éne straat bestaat Hornillos del Camino alleen nog uit heuvels waarin veel caves zijn uitgehouwen die met een deur zijn afgesloten. Waarschijnlijk zijn het bewaarkelders voor fruit en groenten of zo. Het is er in elk geval koel, terwijl het buiten naar ik schat bijna 40 graden is. In de refugio tref ik weer een totaal ander publiek, geen enkele bekende. De mooie Franse Marianne had model kunnen staan voor haar nationale symbool. Maar ze is dan ook constant druk in de weer met oefeningen om lijf en leden in optima forma te houden. Haar kaalhoofdige vriend schijnt zich op een andere manier om zijn uiterlijk te bekommeren, hij slaapt veel en daar wordt je ook mooi van. De bediening in de plaatselijke bar is geweldig. De dienster loopt in een broekpak dat voorheen dienst deed in het ziekenhuis van Burgos waarschijnlijk. Haar gezette figuur komt er ook beter in tot zijn recht. Maar haar bediening is uiterst zorgvuldig en netjes. Als ik het stevige maal en haar bediening waardeer met een fooi, esto es para usted, komt ze met een tevreden lach een kersenbonbon brengen met dezelfde gulheid. Ik ga vroeg op bed liggen. Mijn linkerhiel moet zoveel mogelijk rust hebben. Tijdens het lopen voel ik het wel, maar ik kom er goed mee verder. Misschien zijn de afstanden toch te groot? Het moet iets met het slijten van mijn hakken te maken hebben, vermoed ik.

Als ik in alle vroegte Hornillos del Camino verlaat zijn de mieren al erg actief bezig met het verslepen van graan. In ijltempo gaat de éne rij strak achter elkaar naar het korenveld, in hetzelfde ijltempo gaat de andere rij naar het nest. Het zal weer heet worden vandaag. Maar mieren zweten niet en hoeven geen rugzak te dragen. Al is de verhouding van hun last ten opzichte van hun lichaam zeker zo groot als bij ons mensen.

64_meseta_12e_etappekopie_a  Het is nog vroeg en in de koelte beloop ik de eerste Méseta. Een langgerekt pad nog in oorspronkelijke staat zonder het ingrijpen van mensenhanden, gebleven waarvoor het ooit was bedoeld; pelgrimspad. Schitterende vergezichten maken mijn dag nu al goed. Wat is de wereld toch mooi! Wat kun je toch fantastisch genieten van zo’n schoonheid. Op het ritme van Ubi Caritas kom ik aan Sambol voorbij. De herberg en bron van Sambol worden beheerd door vrijwilligers die met een esoterisch sausje zijn overgoten. Een bomengroep bij de herberg is de enige schaduwleverancier in deze barre streek. Een comfortabel pad brengt me in Hontanas, waar de tijd nog altijd lijkt stil te staan. Huizen opgebouwd uit stro en leem. Goede beschutting overigens tegen de koperen ploert aan het zwerk, die ongenadig zijn gouden stralen rondstrooit over veld en beemd. Het ligt in mijn bedoeling vandaag tot aan de Ermita de San Nicolás te gaan. Ik wil als uitgetreden eremiet van Augustinus toch wel eens in een echte eremitage slapen. Een gele zandstenen boog van de ruïne van het oude klooster van San Antón waar ik aan voorbij kom overspant de weg. Alle gebeeldhouwde figuren zijn weggesleten door weer en wind. Een vreemd gezicht waardoor alles ook een beetje nep lijkt. In twee nissen aan de weg werden in de 12e eeuw door de monniken water en brood gezet voor passerende pelgrims. Deze goede gewoonte bestaat helaas niet meer, maar de nissen zijn gebleven. Ook lijd ik niet aan Antoniusvuur, vroeger het gevolg van schimmelinfectie in het moederkoren. Ik behoef dus ook niet de verpleging, waarvoor deze monniken toen bekend waren. Voor mijn hielspoor hebben ze de oplossing niet voorhanden, ze gingen alleen over Antoniusvuur als hun specialisatie. Mijn hoop blijft dus gevestigd op mijn eigen medische kennis en gezonde verstand.

Al van verre zie je dat Castrojeriz een belangrijke plaats was. Een forse ruïne op de bergtop en de grote kerk tonen het aan. De burcht stamt uit de 10e eeuw, tijd van de West-Goten. Het dorp heette toen Castrum Sigerici, waaraan de huidige naam is afgeleid. De waard bij de kerk van Castrojeriz staat letterlijk met zijn handen in het haar twee Amerikaanse jongens te woord. Hij begrijpt er niets van en de jongens kunnen hem ook niet duidelijk maken wat ze bedoelen. Ze zien er een beetje smoezelig uit. De waard wil net alle hoop opgeven als ik aankom. Vol vertrouwen schakelt hij mij in. Ondanks mijn uiterst gebrekkige Spaans kan ik hem duidelijk maken dat de jongens een stevige maaltijd willen. Aan de jongens kan ik terugvertellen dat het ‘s-morgens tegen tien uur geen tijd is voor stevige maaltijden in Spanje. Maar ze hebben de nacht buiten doorgebracht en zijn hongerig. Helaas, ze zullen nog enkele uren geduld moeten hebben en het met margueritas moeten stellen. De waard heb ik voor me gewonnen en zorgvuldig pakt hij mijn bestellingen in zilverpapier tegen de hitte en de verschrikkingen van de volgende Méseta. Het dorp beschikt maar liefst over vier kerken. Aan inwoners telt het misschien 1000 zielen. De collegiale kerk van Santa Maria del Manzona is de kerk die ik al van veraf zag. Het is een laatgotische kerk die als museum dienst doet. Verboden voor rugzakken. De bezichtiging houden we dan wel tegoed, met respect voor het feit dat rugzakken nu eenmaal niet in een museum horen rond te lopen. Doodshoofden aan de kerkmuur wijzen me op de betrekkelijkheid van dit bestaan. Mors et vita. Het volgen van de route is een probleem in Castrojerez. Juist als ik sta te bedenken hoe verder en terug wil keren op het ongetwijfeld verkeerde spoor, komen twee meisjes naar beneden van de heuvel waartegen ik wil opgaan. Ze zijn het spoor ook bijster. In zo’n geval ga je het best terug naar de plaats waar je voor het laatst een merkteken zag. Maar ook daar komen we niet verder, elk spoor ontbreekt. Ik vraag het aan een stel oudere dames en zij wijzen ons de goede weg vanuit hun basiskennis. Het komt dagelijks meerdere keren voor, begrijp ik. De meisjes zijn jong, doen schuw en verlegen. Ze blijken uit Duitsland te komen. Samen lopen we een eindje op in de richting van de stijging naar de volgende Meseta. Van Meseta hebben ze nog nooit gehoord. Wanneer ze informeren naar de steen aan mijn rugzak en ik hen uitleg dat deze van thuis is meegenomen voor het Cruz de Ferro (Hierro) hebben ze ook daar nog nooit van gehoord. Wandelende dozen. Ik gebruik ze nog even om een foto van me te laten maken voor de klim naar boven aanvangt. Bewijs dat ik tenminste aan het begin van de Meseta stond voor het geval ik de verschrikkingen van de Meseta niet doorsta. O Mors. Vlak voor aanvang van het steile gedeelte loop ik over een dam die volgens mijn gids nog niet zolang geleden is gevonden en stamt uit de Romeinse tijd. Eenmaal boven, er zijn erger klimpartijen geweest in mijn leven, heb ik mooi uitzicht terug naar Castrojeriz en het omringende land. Vaak loont het om ook eens achterom te kijken.

De Meseta is hier niet erg breed. Na zo’n drie kwartier komt een boomgroep in zicht en nog dichterbij gekomen ontwaar ik een Don Quichotte-achtig figuur te paard. Aanvankelijk lijkt het een standbeeld, maar dichterbij komend zie ik de staart van het paard heen en weer gaan. Iets wat bij standbeelden nog niet is uitgedacht. De man met paard staat blijkbaar op wacht bij de bron van Fuente del Piojo, bron van de luis. Als ik me voorover buig om te drinken komt het standbeeld in actie en gebaart dit niet te doen. Duidelijk. Het water is niet om te drinken, maar er staat geen waarschuwing bij. Het standbeeld neemt zijn pose weer in. Het koren waarmee de hoogvlakte is begroeid werpt een goudgele glans over de uitgestrektheid. Het graanvogeltje vliegt van halm naar halm. Af en toe een zuchtje wind houdt de halmen als golven in beweging. De zon brandt moordend. Patrijzen trekken zich daar niets van aan en lopen nieuwsgierig een eindje met me mee. Ook de leeuweriken hebben geen last van hitte blijkbaar. Ze spelen hun spel met elkaar in de lucht en op het pad met mij. Telkens als ik mijn camera op hen richt en afdruk vliegen ze op. Telkens mis. Nadeel van zo’n digitaal ding; te traag. Het pad voert me naar de Ermita de San Nicolás. Het is pas op het middaguur. Een briefje op de poort vermeld dat pelgrims vanaf 18 uur welkom zijn. Wat een tijd! Om verdorsten te voorkomen hebben de Italiaanse vrijwilligers die de refugio beheren een stenen kruik met koel water aan de deur gezet. Heerlijk water, dat wel. Ik loop door want zes uur wachten is zonde van de tijd en het risico is dat de refugio belegt is door pelgrims met een GSM groot. Helaas, wéér het eremietendom niet bereikt. . . . . . Een brug uit de 12e eeuw, maar nog volop in gebruik voor ons dagelijkse verkeer, voert me over de Río Pisuerga en daarmee van de provincie Burgos in Palencia. Direct over de brug verandert het landschap. Ik waan me ergens tussen Cuijk en Linden. Het uitgesleten stroomgebied van de Pisuerga en de begroeiing hebben het landschap een Nederlands uiterlijk gegeven. Maar even verderop komen de Spaanse sferen weer volop terug. Voorbij de ermitage la Virgen de la Piedad tref ik een bar waar ik kan eten en drinken. Welverdiend na alle inspanningen en ik moet nog verder. De Meseta’s die ik nu heb gehad zijn geen afspiegeling van de verwachting die ik ervan had opgebouwd uit boeken en verhalen. Geen afschrikwekkende dingen. Geen aangeplante bomen die voor schaduw zouden moeten zorgen. Niets van alle voorspelde ellende. Gewoon heet en een lange weg, niet eens saai vanwege de prachtige vergezichten.

Gesterkt door koffie en een broodje onderneem ik de laatste negen kilometer naar Boadilla del Camino. Vriendelijk omzoomt door populieren ligt het plaatsje te bakeren in de zon. Het is inmiddels half vier. Boadilla heeft zelfs twee refugio’s, een luxe en een gemeentelijke. Ik kies voor de laatste omdat ik er meer rust verwacht. Aan luxe hecht ik niet. Al heb ik enige twijfel wanneer ik bemerk dat het gebouw één geheel vormt met de plaatselijke kroeg annex gemeenschapshuis. Maar de waard verzekert me dat er in de avond niets is te doen. Ik zoek het beste bed uit, schrijf mijn naam, nummer en gegevens in het klaarliggende boek en leg mijn credencial en geld klaar voor het geval de beherende persoon komt terwijl ik onder de douche sta of het dorpje in ben. Al is het onmogelijk ergens in dit dorp te lopen zonder dat je van overal gezien wordt. De refugio heeft in verhouding meer sanitair voor de 14 bedden dan andere refugio’s hebben. De zengende zon en een straffe schrale wind drogen mijn wasgoed al bijna voordat ik het aan de lijn heb hangen.

Het dorpje heeft een indrukwekkend laatgotisch kerkgebouw en een prachtig grote gerechtszuil, de Rollo de Boadilla, waarop het leven van de apostel Jacobus is uitgebeeld. 62a_boadilla_del_camino_gerechtszuil_afb De privé refugio is inderdaad luxe. Het zwembadje lokt eigenlijk nog het meest. Ik zie dat er vanaf zeven uur ‘s-avonds gegeten kan worden. Waarom zou dat niet gelden voor eenvoudige pelgrims die voor 3euro in de gemeenteherberg slapen? Terwijl ik belangstellend rond de kerk loop verteld een man me dat hij om acht uur ‘s-avonds de kerkdeur zal openen, wie interesse heeft kan binnen komen kijken. Hoort zegt het voort. Ik gun het gemeenschapshuis mijn eerste bezoek en breng mijn vochtgehalte met tonic op peil. Terug in de refugio merk ik dat er nog een pelgrim is aangekomen. Patricia van rond de 55. Ze woont in India, komt uit New York en heeft een Engelse moeder en een Duitse vader. Patricia is dan ook veeltalig zal later blijken. Ze werkt aan een boek, maar nu even niet. Nu ondergaat ze de Camino. Samen besluiten we in de privé refugio te gaan eten, nadat we de kerk hebben bezichtigd. Een Ascunciónkerk met fraaie renaissance altaren en een romaanse doopvont, wel een allegaartje eigenlijk. In een grote glazen reliekschrijn ligt een mansgrote Christus, in lendendoek gewikkeld, de voeten bloedend van de kruiswonden. Het geheel kan blijkbaar worden meegedragen in een processie, er zitten handvatten aan. Je zou er medelijden van krijgen. Als we na dit alles terug zijn bij onze refugio zie ik een jongeman van begin dertig naderen. Duidelijk zwaar vermoeid. Hij komt van Rabé de las Calzadas gelopen, toch al gauw een dikke 47 kilometer en dat met deze hitte. Het is hem aan te zien. Hij had zich ook vergist in de refugio van Ermita de San Nicolás, het was vol zodat hij verder moest lopen. Ik houd hem de keuze voor tussen de eenvoud van ons onderkomen of de luxe van de privé refugio, maar hij verzet geen stap meer en ploft op het eerste het beste bed wat hij tegenkomt. Moederlijk ontfermt Patricia zich over de jongen en ik verbaas me wat ze allemaal aan wondermiddelen uit haar rugzakje tovert. Wie sleept überhaupt zoiets allemaal mee? Maar Jon, die eveneens uit New York blijkt te komen, is er reuze blij mee en ondergaat alles lijdzaam. Na zich te hebben gewassen ploft hij op bed en is meteen in diepe slaap verzonken. Ook wij gaan slapen, tenslotte was het een lange dag en 40 kilometer met hielspoor laat sporen na. Al blijft het wonderlijk hoe snel je ‘nn vermoeidheid kwijt bent.

Leeuweriken en mieren zijn alweer vroeg actief. Het zal dus opnieuw warm worden vandaag. De vroege ochtendzon schittert in het Canal de Castilla, een in de 18e eeuw gegraven kanaal compleet met sluizen. Ik krijg er het gevoel langs de Zuid Willemsvaart te lopen. In Fromista, de oude pleisterplaats aan de Jacobsroute is nog weinig leven zo vroeg. De vroeg romaanse kerk San Martin blijft gesloten. Niet zo’n ramp want hier gaat het meer om de buitenkant, de met menselijke figuurtjes versierde kraagstenen onder het dak, tronies en dierkoppen. Wat ze in onze Sint-Jan op de luchtbogen hebben zitten hangt hier in het klein onder het dak. Meesterlijk. Het kerkje in Población de Campos lijkt in de grond te zijn gezakt. Meer dan een meter ligt het onder het huidige maaiveld. Is er echt zoveel aarde bijgekomen in al die eeuwen? Na Población begint een nieuwe ellende. Niet het bord ,,Santiago de Compostela 496 km”, als ik in de auto zou zitten zou het me meer doen. Nee, vlak naast de rijbaan loopt een breed zandpad, bezaait met de bekende kogelronde grote kiezelstenen. Bij elke zijweg staan 2 x 2  betonnen palen die moeten voorkomen dat auto’s of tractoren het pad als sluipweg gaan gebruiken. Een kijk ver betonpalen. Het geheel heeft iets weg van de Siegfriedlinie. Werkelijk geen gezicht, dominante betonpalen zover je kunt kijken. Ik vraag me af of het niet beter zou zijn de rotkiezels vast te laten rijden door een toevallige tractor dan dit landschapbedervende betonwoud te laten voortbestaan. Om te voorkomen dat er toch nog pelgrims zullen verdwalen is niet nagelaten met grote regelmaat een markering en gele pijlen te zetten. Wellicht is er toch teveel EG-subsidie verstrekt.

Legende van de staf: Vanaf de 13e eeuw wordt in Villalcazár de Sirga een mirakelbeeld van Maria vereerd, de Virgen Blanca. Een Franse pelgrim had als boetedoening een pelgrimage naar Santiago de Compostela opgelegd gekregen, met als boetelast een staf die maar liefst 12 kilo woog. In de kerk van Villalcázar de Sirga laste hij een pauze in om de Witte Madonna te begroeten. Terwijl hij in aanbidding voor het mirakelbeeld knielde brak zijn staf plotseling doormidden. De pelgrim zag er een teken in van de Witte Madonna en vervolgde zijn weg, 12 kilo lichter.

Het is me al eerder opgevallen maar vandaag wordt het nog me nog duidelijker; Spanjaarden leggen hun dodenakkers ver buiten het dorp in het veld. Alle dodenakkers zijn afgesloten. De graven hebben soms meer weg van een schuurtje waar schijnbaar bij elke nieuwe dode een etage bovenop gezet wordt. Ze liggen er wat troosteloos en vergeten bij. Nooit zag ik er iemand die een graf bezoekt. Maar dat kan ook niet met zo’n afgesloten hek. De kleine omweg door Villázar de Sirga is een verademing in het betongeweld. De gotische kerk van Santa Maria la Blanca vult massief het centrale plein. Op de boog van het Romaanse trechtervormige portaal staat Christus met zijn 12 apostelen afgebeeld. Het is smullen. Om 10 uur zal de kerk open gaan dus wacht ik, ontbijt en drink koffie. Maar om kwart over tien is er nog niets gebeurd en de waard kan me niet beloven dát het gebeurt. Dus stap ik om half elf maar op zonder een bezoek aan de Witte Maagd.

63a_villalczar_de_sirga_pelgrimsherberg_  Het is druk op de route. Je kunt merken dat er sinds Burgos veel mensen zijn bijgekomen. Ze dragen kleine rugzakjes en lopen kleine etappes. De meeste zullen in León weer stoppen om later in het jaar een nieuw traject af te leggen. Maar er zullen weer nieuwe voor in de plaats komen. Om 11:20 uur bereik ik het zusterklooster van de Clarissen in Carrión de los Condes. Voor vandaag is 26 kilometer genoeg. De knecht van de zusters wijst me de kamer en legt uit hoe de kraan werkt. Hetzelfde als bij ons. Ik geniet de luxe een kamer met drie personen te delen. De Duitser die er later bij komt gaat op bed liggen, slaapt en snurkt. De derde die komt is Hubert, een gemoedelijk Fransman, 60-er. Hij komt vanuit Vézelay gelopen en wil zijn verhaal wel kwijt. Carrión de los Condes is een vriendelijk oud stadje. Ik loop het stadje door, bekijk de kerken en het museum en vindt de bibliotheek waar ik op Internet kan. Foto’s maken in de kerk is verboden, anders verkopen ze geen kaarten meer. Bij toeval kom ik langs het postkantoor en vul er mijn postzegelbestand aan, er is nog meer te vieren deze maand. Ik loop naar de oude brug over de Río Carrión en het voormalige 12e eeuwse klooster San Zoilo waar een driesterrenhotel van is gemaakt. Mijn hak begint weer op te spelen dus zoek ik een rustpunt. Terwijl ik op een terrasje zit en mensen bekijk komt een oude man met mopshond naast me zitten. Zijn kleine rugzakje verraad een minipelgrim. Hij is afkomstig uit Ierland en wacht op de bus voor een volgende etappe vertelt hij me. Te oud om te lopen doet hij de Camino met de bus of taxi, in gezelschap van zijn hondje met platgeslagen neus. Hij geniet op zijn manier. Tenminste een plaats waar vanaf zeven uur ‘s-avonds gegeten kan worden. Men stemt zich toch graag af op buitenlandse gewoonten blijkbaar. Tijdens het eten tref ik Patricia en Tony met Claudia, het Canadese stel. Samen eten we ons avondmaal en luister ik indirect en zonder het te willen naar de sterke verhalen van drie Nederlandse fietsers die enkele tafels verderop zitten. Het zijn West-Friezen aan hun taal te horen. Ze hebben niet in de gaten dat iemand hen verstaat. Ze hebben het te druk met elkaar luid af te troeven over de 60 kilometer die ze vandaag hebben afgelegd. Pas als ze weggaan, groet ik ze vriendelijk waarop ze me toch enigszins beteuterd aankijken. Terug in de refugio maak ik me toch ernstig zorgen om mijn linker hak. Ik bekijk mijn inlegzool om te zien of ik iets kan verzinnen op het probleem en merk dat de zool flink is platgelopen en doorgedrukt. Ik heb nieuwe zolen bij me, dus dat zal de oplossing worden.

Vandaag gaat mijn route over de Páramo. Páramo staat voor kaal en leeg gebied. Mijn wandelgidsje bereidt me dan ook voor op schier eindeloze vlakten en een dor landschap. Het wordt slechts doorkruist door veedrijverroutes. De cañadas reales waren brede grazige banen dwars door Spanje die door veedrijvers werden gebruikt om het vee te verplaatsen naar grazige weiden. Ze dateren al uit de 12e eeuw. Tegenwoordig hebben ze voornamelijk landschappelijke en ecologische waarden. Alle cañadas tezamen hebben nu nog een lengte van zo’n 125.000 kilometer en een oppervlakte van 5000 m2. Geen grazige weiden en ook de Río staat droog. Psalm 23: hij voert me naar wateren waar ik kan rusten, is hier niet van toepassing. Ik wil vandaag tot Sahagún komen. Weliswaar meer dan 40 kilometer, maar dan heb ik tenminste een belangrijk stuk van het saaie gedeelte gehad. Het zal van mijn nieuwe inlegzolen afhangen of de afstand er in zit. In ieder geval tijd genoeg om na te denken vandaag. Landschappelijk belooft het niet veel, mijn voeten doen automatisch het werk. De voetstappen die ik achterlaat zullen vanavond zijn overlopen door vele andere of verwaaien met de wind. Het zal niemand opvallen dat ik er was. Mijn gids vermeldt dat er geen bronnen zullen zijn onderweg, geen bars of winkeltjes. Het zal dus een vasten- en onthoudingsdag worden. Net voorbij de oude brug over de Río Carrión beland ik in een ware pelgrimsfile. Met flink doorstappen en mijn ontbijtpauze te verzetten raak ik uit de stoet verwijderd. Een stoet van mensen in de meest vreemde uitmonstering, op sandalen, gymschoenen, slippers, rugzakken overbeladen en rugzakjes van niks, kleding of men de Noordpool gaat verkennen en kleding die weinig om het lijf heeft; ik loop het allemaal voorbij en verwonder me. De nieuwe inlegzool doet het prima. De hak zakt minder diep weg zodat de aanhechtingsspier minder te lijden heeft. Ik voel dat het goed zit.

Bij Terradillos de los Templarios tref ik een oud verlaten augustijnenklooster, merendeels opgebouwd uit leem. Typisch voor dit gebied is dat men vroeger en ook nu nog gebruik maakt van adobe, leem waarmee stenen worden gemaakt door de zon gedroogd of buitenmuren worden bestreken. Men had weinig keus, leem is het enige materiaal in deze streek. Vandaag zing ik uit Augustinus belijdenissen: ,,U hoger dan mijn hoogste hoogte, U dieper in mij dan mijn diepste zelf”, ,,Onrustig is ons hart, totdat het rust in U”. De hymne ,,Magne Pater Augustine preces nostra susipe” wil maar met flarden in me opkomen. Te ver weggezakt denk ik. Al zou het ,,Summum decus praesulum; blijf uw wegen met ons gaan” hier toch wel op zijn plaats zijn geweest. Helaas. Ook op cruciale momenten laat de Stichter me in de steek. Ik ben op weg naar Sahagún en dus naar de plaats waar Joannis a santo Facundo werd geboren. Als augustijn werd hij tot patroon van onze Boskapel in Nijmegen verkozen en als zodanig houden Augustinus en hij me de hele dag bezig. Wat weinig augustijnen hem schijnbaar nadeden; Joannis was vroom van de wieg tot het graf. Salamanca, waar hij studeerde en professor was wist zijn vroomheid te benutten om de eigen status op te vijzelen en daardoor meer studenten aan te trekken. Aan de lange saaie, geestdodende weg lijkt geen eind te komen. Mijn rugzak hangt zwaar vandaag. De zon brandt onbedaarlijk en het zweet gutst met stralen van mijn lijf. Gelukkig heb ik mijn kameelzak tot de rand gevuld vanochtend. Om mijn moreel op te vijzelen zeg ik regelmatig tegen mezelf dat er altijd een eindpunt komt en overal wel een slimme waard is te vinden die graag verkoopt aan dorstige pelgrims. En onderwijl zing ik Augustinus als een CD-speler die op replay staat. In Terradillos de los Templarios tref ik een bar met een uiterst chagrijnige waard die me bijna doet besluiten door te lopen. Ik verwacht hier dezelfde reacties als van de waard in Cardeñuela (niets ten nadele van zijn hulpvaardige vrouw overigens) die opmerkte: ,,Por favor hoef ik niet, ik wil alleen jullie geld”. De benaming ,,de los Templarios”’doet denken aan de Tempeliers, de ridderorde die in de 12e eeuw vochten voor behoud van het Heilig Land. Ridder-monniken waren het eigenlijk, schatrijk geworden door bezittingen en leengoederen. Ten gronde gegaan door de machtsstrijd en haat in de eigen Kerk waar zij zich zo voor hadden ingezet. Koffie en de wetenschap dat er minstens nog 14 kilometers vóór me liggen maken me tam. De dorpjes waar ik door kom lijken uit een andere wereld; lemen huizen, vervallen merendeels en verlaten kerkjes. Jeugd heeft de Kerk in Spanje massaal de rug toegekeerd. De Kerk heeft hen niets te bieden, ze worden niet actief betrokken waardoor een gelatenheid en passiviteit ontstaat die fnuikend is. Het zijn alleen ouderen en merendeels vrouwen die de kerk bezoeken. Het gaat hier als in Nederland. Het lijkt vandaag of ik door de graanschuur van Spanje loop; koren links, rechts, voor, achter me en dat uren achtereen en zover mijn blik reikt. Een aasgier zweeft boven het veld op zoek naar prooi. Als hij het maar niet op mij heeft gemunt. Maar aasgieren worden hier bijgevoerd in de hoop dat ze zich vermeerderen en blijven, weet een plaatselijke boer me te vertellen. Grove kiezels waar geen eind aan lijkt te komen vormen het pad. Mijn voeten krijgen extra massage, al voelt het niet zo prettig aan mijn enkels. Enkele kilometers lang loopt het pad over de autoweg. Het pelgrimspad heeft ook hier plaats moeten maken voor de vooruitgang. Passerende vrachtwagens blazen me zowat van de weg. Van achter hoor ik Nederlanders tegen elkaar schreeuwen. Drie fietsers komen in hoge snelheid van de heuvel gerold. Ze hebben geen oog voor een eenvoudige wandelaar, snelheid is belangrijker. De ene fietser heeft een reservewiel achter op de bagagedrager, je moet tenslotte op alles zijn voorbereid. Aan een andere fiets wappert een kleine uitvoering van de Nederlandse driekleur. Nee, laat mij maar wandelen. In tegenstelling tot wat mijn gids meldde, kom ik na Calzadilla de la Cueza verschillende bronnen tegen. Al met al drink ik 5 liter en zweet er 10 uit is mijn inschatting. Op twee bananen, één peer en twee Marguerita’s (dat zijn cakes) nader ik Sahagún. Van grote afstand tekent de stad zich af. Een merksteen wijst me erop dat ik de provincie Palencia verlaat en de provincie León betreedt. Het landschap past zich direct aan. Saaier en monotoner kan nauwelijks. Vlak, niets wat eruit springt, absoluut geestdodend en de proef op de som voor eenzame pelgrims. De jonge Catalpa’s die links van het wandelpad zijn geplant lijken niet echt tevreden met hun lot. Van de meeste rest niets dan een dode stok, anderen waar nog wel blad aan zit zullen wellicht het volgende jaar niet halen. Als het bedoeld was om het saaie stuk wat op te vrolijke, dan is het mislukt. Waar het saaie pad uiteindelijk tegen een berm met viaduct lijkt vast te lopen, komt achter de hoge berm een eind aan de eentonigheid. Vóór me in de verte strekt Sahagún zich uit. Bedrijfsgebouwen domineren de horizon, een enkele kerktoren probeert er nog wat van te maken. Een pad omzoomd door hoge populieren voert me naar de Ermita Virgen del Puente, de hermitage van Onze Lieve Vrouw van de Brug. Als ik zou besluiten tóch nog eremiet te worden, zou ik hier gaan wonen. Idyllisch ligt het kerkje aan de oude boogbrug. De populieren kleden het plekje aan. Ik zou niet omkijken in de richting van Sahagún, maar mijn blik op het bruggetje en het achterland gericht houden.

450_virgen_del_puente_14e_etappe_a Op een picknicktafel leg ik me even te rusten, de banken zijn er vol gescheten door vogels. Het zouden maar vlekken worden die ik niet uit mijn kleren gewassen krijg. De man die me al urenlang volgt passeert me nu, zichtbaar tevreden dat ik uitgeteld op tafel lig. Het kleine rugzakje verraad zijn korte tour. Of misschien heeft hij weinig nodig. Als ik Sahagún nader raak ik verder ontluisterd. Wat een troosteloos geheel. De inkomst loopt via een fantasieloos industriegebied waar kraak noch smaak valt te bekennen en gaat over in lange rijen arbeiderswoninkjes, armoedig en verveloos. Er valt geen groen te bekennen. Het stadsbeeld waarin ik terecht kom wanneer ik de spoorlijn over ben krijgt vooralsnog het voordeel van de twijfel. De refugio ligt direct aan de rand van het stadje. Het is een oud kerkje waar een nieuw dak op is gezet. De grote ruimte wordt gedeeld. Het ene deel is in gebruik als concertzaal en schouwburg. In het andere deel op de bovenetage is de refugio gevestigd. De grote zaal van de refugio is verdeeld in vier lange rijen chambretachtige stapelbedden. Ik kies ervoor zover mogelijk achterin te liggen en kan vanaf mijn bed door het gordijn de plaatselijke fanfare volgen die repeteert. Een heel bijzondere refugio. Tijdens het douchen hoor ik een Nederlander bij herhaling en in steenkolenengels tegen iemand uitleggen dat hij met zijn vrouw wel 2700 kilometer heeft gefietst wanneer ze in Santiago zijn aangekomen. Daar heb je er al weer zo een, denk ik. Als ik uit de douche kom zie ik dat het mijn achtervolger is waartegen de Nederlander het heeft. Achtervolger staat wat ongelukkig naar mij te kijken want hij snapt er helemaal niets van. Ik kan hem duidelijk maken dat de man vanuit Nederland naar Santiago fietst. Maar voor fietsers heeft Achtervolger weinig waardering. Wanneer hij dat in gebarentaal en internationale tekens aangeeft volgt er een Nederlandse scheldpartij op Spanjaarden. Ik geneer me en trek me terug. Tolken is toch al niet mijn sterkste kant, opblazen ook niet. Sahagún ontstond op de plaats waar de Romeinse legionair Facundus stierf. Het kreeg er de naam Santfagunt door, plaats van Facundus. Op deze plaats ontstond een benedictijnenabdij die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste van Spanje. Van dat klooster is niets over. Een klooster voor Benedictinessen is ervoor in de plaats gekomen. Sahagún heeft twee kerken, waarvan de San Tirso het meest indruk maakt door de typische bakstenen toren die vier verdiepingen telt. De toren heeft op elke verdieping vier of vijf open vensters en is versierd met bakstenen kapitelen en zuiltjes. (komt hier de naam van de lekenaugustijnse kroniek ,,Open Vensters” misschien vandaan?) Van binnen is er weinig fraais te zien. Sahagún is een smakeloze stad. De straten liggen bezaaid met troep,  alsof de weekmarkt net voorbij is. Het is zaterdag, maar of men onderling afspraken heeft gemaakt zijn alle eetgelegenheden gesloten. Vandaag komt mijn blik linzen en de worstjes die ik al even meesleep goed van pas. De refugio heeft een keukentje en het is dringen rond het kooktoestel. Een aardige Poolse heeft teveel kersen gekocht onderweg en schenkt mij het overschot. Het fietsende echtpaar zit met ranja en nootjes een kaartje te leggen. Ik praat een poosje met ze om het contact te verbeteren. Vroeg slapen en vroeg weer op. De stad van Joannis a santo Facundo is erg tegengevallen.

Het is nog donker wanneer ik vertrek. Sahagún zorgt maar slecht voor zijn pelgrims, het is erg zoeken om de stad in de goede richting uit te komen. Blijkbaar is Sahagún centraal uitgaanscentrum voor de jeugd. De portieken worden benut om er onbeschaamd te vrijen. Zelfs de politiewagen gaat eraan voorbij. Waar moet ik me als eerbaar pelgrim dan om bekommeren? Vandaag vind ik 25 kilometer genoeg. Het is zondag en ik wil tot Ledigos komen. Achtervolger wil me daar treffen, hij heeft er lol in gekregen blijkbaar. Direct na Sahagún beginnen de vermaledijde kiezels weer. Harde zandgrond met daar bovenop grote ronde kiezels die continue een aanslag op je voeten, enkels en hielen doen. In de berm lopen is geen alternatief; er is geen berm, alleen die rotstenen. Het landschap heeft ook vandaag niet veel meer te bieden dan opnieuw vergezichten met koren of vergezichten met niets. De erg actieve mieren worden vertrapt door de horde pelgrims. Het is er druk vandaag. Geen idee trouwens waar deze horde zo plotseling vandaan komt. Na ruim 11 kilometer komt de eerste bar in zicht. Croissants en café solo. Maar het is er al druk. Een vriendelijke jonge Française die ik trof in de refugio van Sahagún nodigt me uit bij haar aan het tafeltje. Ze doet me aan onze Franse buurvrouw Séverine denken, knap en pittig. Goede baan, maar op bezinning uit vertelde ze me. Maar ik besluit om door te lopen naar El Burgo Ranero een kilometer of acht verderop. Ze is zichtbaar teleurgesteld, maar met haar voorkomen vindt ze vast en zeker een ander gewillig oor.

Legende van de kikkers: Even voorbij Sahagún op de schrale dorre vlakte ligt het typisch Castiliaanse dorpje El Burgo Ranero. Een oude legende verteld over de rijkdommen van dit arme schaapherdersdorpje met zijn lemen huizen; arme inwoners, maar rijk aan appels en kikvorsen. Luid kwakende kikvorsen. Zo luid dat het alle dorpsbewoners van horen en zien vergaat.
Behalve het zoontje van een van de allerarmste families van het dorpje. Hij is doofstom geboren en hij is dan ook de enige die nooit last heeft van de kwakende kikkers. Tevreden zit hij de kikkers te bestuderen in hun springen en spelen en hoe ze de ooievaars proberen te ontwijken. Onderwijl zwaait hij naar de voorbijkomende pelgrims die op weg zijn naar Compostela. Op ’n dag komt een pelgrim voorbij die een bijzondere indruk maakt op de doofstomme jongen. De pelgrim is gekleed in een wijde mantel, hoed met schelp op het hoofd en een staf met kalebas in de hand, zoals zoveel pelgrims eigenlijk. De kalebas schommelt heen en weer aan de pelgrimsstaf, het is duidelijk dat zijn water op is. Erg om op deze droge vlakte zonder water te zitten. Uit medelijden schenkt de doofstomme jongen zijn enige appel aan de pelgrim. De pelgrim bedankt de jongen, maar deze kan hem natuurlijk geen buen camino” toewensen en lacht hem daarom enkel vriendelijk toe.
Terug in het dorp voelt de jongen zijn hoofd zo licht worden, alsof er muziek door zijn hoofd klinkt. Verrast over zichzelf spreekt hij en roept uit: ,,hoor toch mensen, hoor wat voor prachtige muziek er klinkt. Het moeten de kikkers zijn die zingen van ons mooie Castiliaanse land, van de vijvers waarin ze zich spiegelen, de appelbomen, de zon en de hitte van de Cañadas. Ze begroeten de pelgrims die aan ons mooie dorp voorbijkomen”. De dorpsbewoners luisteren verwonderd naar de jongen en ook op hen maakt het gekwaak nu plotseling de weldadige indruk van jubelkoren en muziek.
Alle mensen verstonden het wonder en besefte dat ook de heilige Jakobus zelf de pelgrimsweg bewandeld.

65a_rotstenen_15e_etappe O beata solitudo. Ik loop maar wat te suffen vandaag. Me voortdurend beducht om die rotstenen te ontwijken. Wanneer El Burgo Ranero opduikt blijft het in de verte aan mijn linkerkant liggen en hoe ik ook voortga, het blijft ver weg. Ik twijfel eraan of ik de juiste weg heb. Merktekens waren er al weinig onderweg, alleen af en toe een betonpaaltje met schelp. Ik bestudeer mijn kaartje en de gids, loop een eind terug om toch maar te besluiten door te lopen. Een spoorlijn in de verte geeft me de zekerheid dat ik ergens op het goede pad moet uitkomen. Het lijkt uren te duren en de onzekerheid groeit. Voor het eerst roep ik naar Boven om hulp, om een merkteken of een seintje dat ik goed zit. Maar Boven zwijgt, ondanks dat het zondag is. Ik zie op mijn horloge dat het tijd is voor de hoogmis. De Trappisten zijn nu hopelijk aan het bidden dat het mij goed zal gaan. En juist nu loop ik blijkbaar verkeerd. Ik heb geen keus, teruggaan brengt me ook niet verder. De zon begint te branden, water is er niet, bomen zijn er ook niet alleen een vaag pad en een eindeloos uitgestrekte kale vlakte van de Campo. Omdat er voldoende bronnen waren voorspelt en koffie gelegenheden, had ik maar weinig water meegenomen vanochtend. Mondjesmaat verdeel ik het door de tijd. Eindelijk enige zekerheid. De spoorwegovergang waarop ik had gehoopt en de eerste markeringspaal sinds uren. Op het goede spoor! Mijn moreel stijgt, ik bedank het toeval, Boven en de Trappisten voor hun hulp en begin aan de weg naar Ledigos. Maar hoe lang ik loop, geen Ledigos. Ik loop al een hele tijd op mijn eigen schaduw te trappen; ik loop dus in ieder geval westwaarts. Mijn geest raakt vol van de gedachten aan ’n heerlijke café solo. Antonius kon in zijn woestijn niet erger bekoord worden. Mijn kameelzak is inmiddels leeg, bronnen zijn er niet. De irrigatiekanalen stromen volop en kwistig, maar ik durf het water niet te drinken. Het is heerlijk om mijn hoofd te koelen. Regelmatig dompel ik mijn petje in het frisse water om de zengende zon van mijn hoofd te houden. Ik merk dat ik op mijn reserves ga lopen, niet gegeten, geen drinken. Het weinige fruit en de enkele hazelnoten richten weinig meer uit. Mijn vingers kan ik bijna niet meer recht krijgen als ik mijn wandelstok van de éne in de andere hand verplaats. Opnieuw roep ik naar Boven, opnieuw geen directe verbinding. Ook de doorschakeling via de trappisten werkt niet. Zingen is mijn enige remedie, vloeken helpt niet. Attende Domine komt in alle hevigheid weer op mijn repertoire. Na ruim acht uur ononderbroken lopen ontwaar ik graansilo’s in de verte. Dat moet Ledigos zijn. Boven wordt bedankt en mijn moreel opgekrikt. Opnieuw lijkt het beloofde land niet dichterbij te komen. Het schiet nauwelijks op. Mijn rechterhiel begint zeer te doen. De nieuwe inlegzool rechts gaat opspelen, ik loop teveel met mijn hiel op de rand.

Als ik uiteindelijk als ik bij het dorpje aankom blijk ik in Mansilla de las Mulas te zijn. Na de 41 van gisteren heb ik vandaag ruim 43 kilometer gelopen zonder rust en zonder eten. Gekkenwerk, maar wat doe je als je door Boven volkomen in de steek wordt gelaten? Mansilla de las Mulas telt één refugio die door de gemeente wordt beheerd. Dus is er niemand om in te schrijven. Ambtenaren die werken, werken op zijn vroegst vanaf vier uur ’s -middags. Een vriendelijke Amerikaan legt me uit dat de refugio vol is. Ook dat nog. Ik loop de kamers door om mezelf te overtuigen en zie inderdaad alleen maar belegde bedden. Teleurgesteld loop ik de straat in om ergens privé onderkomen te zoeken. Enkele pelgrims die op een terrasje zitten zien me weer naar buiten komen en informeren waarom ik doorloop. Als ze horen dat er geen plaats is adviseren ze me terug te gaan en in het gebouw achter de binnenplaats te kijken. Daar blijkt inderdaad nog een slaapzaal waar de bedden weliswaar dicht op elkaar staan, maar er is in ieder geval een bed voor me. Na de douche en mijn wasje is dat ook mijn eerste verplichte rust na deze zware dag. Omdat ik mijn vingers niet recht kan krijgen en ik ook nog krampen in mijn kuiten krijg ga ik in de keuken maar eens flink drinken. Water, aangevuld met wat zout moet helpen. Ik denk dat ik zo wel drie liter water naar binnen giet. Bij het eten extra zout en Tonic waar kinine inzit moet voldoende zijn. Inderdaad verbetert de toestand na enige tijd. Het is me wel duidelijk dat ik vandaag teveel kalium ben kwijtgeraakt en dat is niet zo verstandig. Mevrouw van de gemeente is ook aangekomen. Ik kan me inschrijven en krijg een stempel in mijn credencial. Als ze ziet dat ik uit Sahagún kom lopen fluit ze tussen haar tanden. Ik leg maar niet uit dat het een misverstand was. Marie-Claire wenst me een goede vaderdag. Ach ja, dat gaat natuurlijk ook gewoon door. Vandaag wordt Jetje haar 1e verjaardag gevierd. Mijn kaart die ik vanuit Belorado verstuurde zal wel zijn aangekomen. Heeft Jet wat om te scheuren, ze verslindt nu al alles waar lettertjes op staan. Dat belooft wat te worden. Een Duitser die alleen de route fietst heeft behoefte aan een praatje. Ook al een weggelopen vrouw, weet ik na 2 minuten. Maar ach, wat maakt het me uit. Samen gaan we op stap en zoeken een eetgelegenheid. Het is een slimmerik en besteld altijd een salata mixta zonder sla want dan krijgt hij meer van al het andere! Ik ben gewoon niet slim genoeg. Tijdens het eten begint het fors te regenen en te onweren. Het was ook te heet en broeierig vandaag, dat moest ervan komen. Een bui ter afkoeling is erg welkom. Ik slaap als een roos en merk niet eens dat in de slaapzaal iemand een hartinfarct heeft gehad en naar het ziekenhuis is gebracht.

Het is droog en opgefrist vanmorgen. 20 juni. Morgen schijnt de zon op het kapiteel in San Juan de Ortega. Mijn vader zou 109 zijn geworden vandaag, Karola wordt 70, Nancy een stuk jonger. Proficiat alle. Ik zing voor ze. Vandaag doe ik het op mijn gemak. León is mijn einddoel en dat is maar 21 kilometer. Zo houd ik tijd over om in alle rust de stad te verkennen. Een uitgebreid fruitontbijt en ISO-drank moeten me nieuwe krachten geven. Het werkt. Het is een mooie ochtend. De route is niet spectaculair en gaat zelfs hele stukken over de rijbaan. Maar voor het eerst sinds vier dagen loop ik over wegen die niet bezaaid zijn met grove kiezelstenen. Dank aan Boven en de Municipio. Ik train mijn voeten door bewust te lopen en ze goed af te wikkelen tijdens het lopen. Door het dagenlang lopen over de kiezels en de te losliggende rechter inlegzool ben ik verkrampt gaan lopen en voel dat. Maar wat wil je. Als ik de afstanden bezie die ik loop, moet ik onwillekeurig terugdenken aan mijn dienstplichttijd op de Kaderschool Infanterie in Vught. De afmattingsweek die we daar moesten ondergaan, had wel wat gemeen met het lopen nu. Maar nu hoef ik geen metersdiepe kuilen te graven voor een verdwaalde lucifer of me laten kleineren. Nu doe ik zoiets vrijwillig. Omdat ik later ben vertrokken dan anders, beland ik midden in een sliert van pelgrims. Het lijkt op de Vierdaagse. Opnieuw ben ik blij aan een dergelijk evenement niet mee te hoeven doen. 

cid-95342381025012007-0b4a

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

DEEL 5 León – Villafranca del Bierzo

Leon_kathedraal Bij Alto del Portillo krijg ik een fraai uitzicht op León en de kathedraal die trots boven alles uitsteekt. De oude brug over de Rúo Bernesga komt vertrouwd over; Maastricht, Regensburg. De gele pijlen maken plaats voor bronzen schelpen in het wegdek. Het mag wat kosten, León wil wat doen voor haar pelgrims. Al om 10:15 uur ben ik in León. De refugio van de zusters Benedictinessen is nog gesloten. Een pelgrim die toch voor de poort blijft wachten is zo goed op mijn rugzak te passen zodat ik wat kan rondwandelen. León komt uiterst sympathiek op me over. Een schone stad. Geen schreeuwende reclames. Het oude van de stad en het nieuwe zijn met smaak op elkaar afgestemd. De refugio bij de zusters is groot. Slaapzalen met wel 40 bedden. Het sanitair is niet berekend op zo’n massa. Naar goed kloostergebruik slapen mannen en vrouwen op een aparte slaapzaal. Zo hoort het. Wie wil kan ‘s-avonds om zeven uur de vespers komen bijwonen en om half tien een dagsluiting. Bij het douchen ontdek ik een venijnig blaartje op mijn rechterhiel die is veroorzaakt door de nieuwe inlegzool. Omdat ik die zool in Gemert heb laten inkorten blijk ik nu teveel op de rand te lopen. Ik besluit de oude inlegzool in mijn rechterschoen te doen om zo het probleem op te lossen. Tenslotte had ik voorheen rechts geen last. Ik ga de stad in en zoek de bekende plaatsen op. De Plaza Mayor met de kerk van San Marcelo in strakke herrera stijl, de San Isidoro, het Casa de Botines een gebouw van Gaudi in zijn mathematische Jugendstil. Het is fraai zitten op het terras en goed voor de rust van mijn hak. De dienster biedt me voor een habbekrats een slaapplaats aan midden in het centrum van de stad. Ik bedank, want deze nacht slaap ik bij de zusters. Da’s veiliger ook.

De kathedraal Pulchra Leonina, Santa Maria van León is prachtig. De bouw heeft van 1200 tot in de14e eeuw geduurd. Vanwege een precair evenwicht in het gebouw zijn tot op de dag van vandaag kostbare aanpassingen nodig. De bouwstijl van de kerk is Noord-Franse gotiek. Twee imposante torens van lichte zandsteen worden met elkaar verbonden door een spits middenstuk met kleine torentjes. In het middenstuk een kopie van het beeld van de Witte Maagd, Nuestra Señora la Blanca, en (alweer) een Laatste Oordeel. Hieronder drie rijk bewerkte portalen die toegang geven tot de kathedraal. Van buiten is de kathedraal indrukwekkend bewerkelijk met zijn torentjes, pinakels, steunberen, vensters en openingen; robuust, fragiel en breekbaar tegelijk. Binnen in de kathedraal is het een majestueuze grootsheid die overweldigd. Het maakt je stil en nietig zodra je de immense ruimte op je laat inwerken. Het stenen geraamte van de kerk en de pilaren zijn teruggebracht tot een absoluut minimum, waardoor de zeer hoge glas in lood ramen alle vrijheid krijgen voor een maximale lichtinval. Overal waar je kijkt is ruimte. Ofschoon het voor mijn hak beter zou zijn meer rust te krijgen, geniet ik van alle moois wat León me te bieden heeft. En dat is veel. Ik voel me er thuis. In de vespers zitten 12 oude zusters waarvan er ééntje kan zingen. Ondanks het orgel dat meespeelt, lukt het de anderen niet op toon te blijven. Ook Achtervolger van Sahagún is in de kerk. Hij is zichtbaar gelukkig mij weer te treffen. Na afloop moet ik hem dan ook uitleggen waar en hoe ik verkeerd liep. Hij begrijpt het omdat hij vóór El Burgo Ranero ook de fout in ging maar zich tijdig kon herstellen. Aan de hand van zijn wandelgids bekijken we de zaak grondig, zonder ook maar iets aan het geval te kunnen veranderen. De dagsluiting begint veel te laat. Juist wanneer ik me afvraag of ik niet beter kan gaan slapen, komt een zuster ons roepen. Zo’n 20 personen nemen deel, best veel eigenlijk. De rest is al gaan slapen. De zuster houdt haar praatje in het Spaans, een vrijwilligster vertaald het in het Frans zodat nagenoeg alles me ontgaat, er wordt een lied gezongen en dat was het dan. Kloosters dragen eigenlijk maar weinig bij aan het pelgrimsgevoel. Ik had er meer van verwacht. Het slapen op de overvolle zaal valt niet mee. Vanwege onweer en de straatdrukte zijn alle ramen gesloten zodat het muf en ongezond is in de slaapzaal. Een onvriendelijke Marokkaan die beneden me slaapt snurkt op een nog nauwelijks gehoorde manier. Door met het bed te waggelen krijg ik hem even stil, waarna hij direct en met nieuwe energie opnieuw begint. Ik geef het op. Als ik opsta voel ik mijn hak niet erger dan anders. Het zal dus wel meevallen. De blaar voelt wel gevoelig aan en ik plak hem af met tape.

In het donker zoek ik mijn weg via de bronzen schelpen in het wegdek. Straatvegers zijn actief in de weer om León van vuil te ontdoen. Ze zijn zichtbaar verheugd dat er iemand is die ze groet. Enthousiast groeten ze me terug: Buenas dias señor Peregrino! Het duurt even voordat ik León uit ben en inmiddels wordt het licht. Het lijkt erop dat na 21 juni de ochtenden er meer moeite mee hebben hun licht op sterkte te krijgen. Het wordt elke dag later licht en het proces lijkt een beetje op een spaarlamp. Kon ik in aanvang om kwart voor zes uur ‘s-morgens vertrekken met licht, nu is het al kwart over zes voordat het ochtendlicht moeizaam op gang begint te komen. Via de oude Romeinse brug bij San Marcos verlaat ik de stad. Ik ga de Páramo tegemoet. Even buiten de stad kom ik in La Virgen del Camino waar een modern kerkgebouw aan de weg staat. De interessante bronzen zijdeur en beeldengroep wekken mijn belangstelling. De voorkant is geweldig. Over de hele breedte staan grote bronzen figuren die tot aan het platdak reiken. Apostelen denk ik, het zijn er twaalf met Maria in hun midden. Een hoge ranke toren, naar boven toelopend in de punt van een driehoek, geeft het gebouw macht. Het doet me even denken aan de kerk van Pirk, waar Leo zo mooi beeldhouwwerk en bronzen voor heeft gemaakt.

Mijn hak geeft geen extra probleem, maar het blaartje zit nu precies op de inlegzool te drukken. Ik overweeg wat te doen en besluit om vandaag en morgen rust te nemen. Waarom zou ik het risico lopen op kapotte voeten of doorgaan om vijf dagen vóór mijn raming in Compostela aan te komen? Ik heb alle tijd van de wereld en een rustdag is nooit weg. Bij een hostal informeer ik naar een kamer voor de rest van de dag en morgen. Even later lig ik lui in bad met muziek op de achtergrond! Eenmaal in bad heb ik al spijt van mijn besluit, dit is te luxe. Ik doe grondig mijn was en slaap. Anderhalve dag verwen ik me met genieten, op tijd ontbijt, middageten, avondeten, biertje tussendoor op het terras terwijl ik comfortabel langskomende pelgrims bestudeer. Het Canadese stel komt op het terras zitten en is verbaasd ,,The Flying Dutchman” aan te treffen. Van harte neem ik alvast afscheid van ze. Volgens mijn telling heb ik sinds saint Jean-Pied-de-Port nu bijna 500 kilometer gelopen zonder te rusten, waaronder forse afstanden. Ik maak me dus wijs dat ik deze rust wel verdiend heb, al voelt het bezwaard. De Italiaan die bij me komt zitten is 66. Tanig mannetje, ziet er goed getraind uit. Hij is in Burgos begonnen en loopt door naar Compostela. Hij doet aan marathon lopen en loopt zelfs ieder jaar een 2,5 marathon in Florence. Twee-en-een-halve marathon! Dat zijn dus zo rond de 106 kilometer! Hard en aan één stuk! Bewonderend fluit ik tussen mijn tanden. Ik kijk hem eens goed aan en denk aan mijn jongste broer die dood neerviel tijdens zijn marathontraining. Hoe is dit mogelijk. Hoe kan een lichaam dat verwerken? Maar nu heeft hij een probleem. Een forse blaar maakt het lopen er niet comfortabeler op. Ik bied hem aan de blaar te behandelen en af te plakken, maar het tanige ventje is van mening dat het wel vanzelf zal overgaan. Dat zal ook wel, maar wanneer? Wat zorgelijk kijkend vertrekt hij. Als ik iemand zou moeten beraden dan adviseer ik toch maar om het saaie en geestdodende stuk tussen Burgos en León over te slaan. Mijn bevindingen zijn in ieder geval niet best. Anderzijds, als je de Camino loopt moet je de héle Camino lopen en niet zeuren! Schuldig om mijn luiheid ben ik blij dat ik de tweede dag vroeg weer kan vertrekken. Vannacht heeft het vreselijk geonweerd en geregend, maar ik verheug me er weer op..

Ultreia, ultreia et Suseia, Deus adjuva me.

Met mijn poncho aan vertrek ik. Het regent nog steeds. Het landschap is verpest door saaie dorpen en weinig interessante passages. De regen maakt het er allemaal niet fraaier op. In Villadangos del Páramo hebben ze een blik pelgrims opengetrokken blijkbaar, het is er druk op het pad. Gehuld in poncho’s, regencapes en ander plastic lijkt het een voortsjokkende colonne die verslagen uit een oorlog terugkeert. Spoedig wordt de regen minder en als ik Hospital de Órbiga nader schijnt de zon alweer volop. Dank aan Boven, het is beter voor de foto’s.

67_bruggknik_hospital_de_orbiga_18e_etap  Hospital de Órbiga heeft een wonderlijke brug met een wonderlijke knik en een wonderlijk maar, dit keer, waar gebeurd verhaal. De lange brug met wel 20 bogen over een stroompje van niets heeft ongeveer in het midden een knik. Niet naar boven, nee de brug verloopt in een slappe hoek, waardoor het bouwsel wat krakkemikkig aandoet. Het is een middeleeuwse brug die er in ieder geval in 1434 al was, want toen leefde in Hospital de Órbiga hun plaatselijke held. De hidalgo (een ridder van lagere stand) Suero de Quiñiones. Hij wilde zijn liefde voor een dame bewijzen door iedere donderdag een keten om zijn hals te dragen. Een onpraktische gelofte waar hij vanaf wilde komen door dertig dagen achtereen alle ridders die over de brug naar Compostela wilden uit te dagen voor een treffen. Het lukte en de hidalgo werd ontslagen van zijn gelofte. Als dank schonk hij de halsketen aan Santiago, waar het nog steeds deel uitmaakt van het beeld van Jacobus de Mindere, of ergens in een museum hangt. Na Hospital de Órbiga verandert de natuur. Het vlakke land begint heuvels te vertonen, akkerland maakt plaats voor bos en hei. Ik heb er weer zin in! Het lopen gaat goed. De wisseling van inlegzool is een goede beslissing geweest. Ik werk mijn zangrepertoire weer af, de horde pelgrims is in Hospital de Órbiga blijven hangen dus ik kan alle registers openzetten. Onderweg loop ik voor de zoveelste keer te bedenken hoe prachtig mijn jongste broer dit alles gevonden zou hebben. Ik weet zeker dat ik hem een volgende keer mee had gekregen op de Camino als hij mijn verhalen zou horen. Het lopen, de mensen onderweg; hij zou ervan genoten hebben. Helaas, ik moet nu voor hem mee genieten en doe dat dagelijks en met volle teugen. Ik loop me de hele dag als een spons vol te zuigen met alles wat ik tegenkom.

Vroeg ben ik in Santibañez de Valdeiglesias. De refugio paroissial is nog gesloten. In de plaatselijke bar ernaast zit de oude waard boven zijn krantje te dutten en op klanten te wachten. Hij is zichtbaar blij dat ik de gelederen kom aanvoeren. Amper zit ik aan mijn koffie met koek of er strijkt een gemêleerd gezelschap binnen. Het blijken gedistingeerde Amerikanen te zijn. Ze doen zo’n 10 kilometer per dag te voet en kiezen daarvoor de mooiste stukken uit. Hun bagage en later ook zijzelf worden vervoerd per luxe VAN. Dat zal een probleem worden met die aflaten voor ze. De Kerk heeft zich eerder ook niets aan Luther gelegen laten liggen toen hij protesteerde tegen het afkopen van aflaten. Misschien kan ik hun zonden voor een voor een zacht prijsje overnemen. Maar het zijn stuk voor stuk alleraardigste mensen. Hun leidster is een vrouw van midden dertig. Haar man rijdt de VAN en zorgt voor het kind wat ze samen hebben. We raken in een geanimeerd gesprek over Nederland en de Kerk in Nederland waar zij zo hun eigen opvattingen over hebben. Het kiezelsteentje en de koperen jakobsschelp op mijn rugzak geeft weer andere gespreksstof en nieuwe informatie voor hen. Ze zijn toch niet echt goed voorbereid op de Camino merk ik. In de refugio ben ik nummer twee deze dag. Josef, die Pépe heet, komt uit Alabama en is wetenschappelijk medewerker aan de universiteit. Hij loopt een deel van de Camino om niet met zijn hersens te hoeven werken. Allengs wordt me wel duidelijk dat hij zijn hersens niet kán uitschakelen, ook niet met de hoeveelheid pillen die hij slikt. Hij is alleraardigst en behulpzaam, maar praat aan één stuk door over zijn ellende en de zwaarte van het leven. Maria is de vrijwilligster die de refugio beheerd. Een getinte zware matrone. Ze praat al bijna net zoveel als Pépe, die nu weer Josef heet en vloeiend Spaans spreekt. Maria heeft spoedig twee gebakken eieren klaarstaan en een bord spaghetti, over van gisteren. Als toetje bakt ze ook nog friet! Een wat vreemde combinatie, maar het gaat om de vulling. De refugio beschikt over een computer en Internet. Het apparaat is niet vooruit te branden, dus trek ik er de stekker uit, gooi de troep eruit en laat het ding zijn herstelprogramma draaien. De snelheid die het gevolg is over de luie Spaanse telefoonlijn is verbluffend. Maria kijkt me vol bewondering aan met haar verrimpelde ogen en prijst me of ik er echt verstand van heb. Ach, in het land der blinden is éénoog koning. Na het eten wandel ik het dorpje in. Weer een dorp met een naam waar je jezelf iets geweldigs bij voorstelt. Twee straten, een kerk en een prachtige bron die een eindje onder het maaiveld ligt vormen het hele dorp. Er is een pastoor, want die kwam even in de refugio om koffie te drinken en te vermelden dat er eucharistieviering is vanavond om acht uur. Een druk mannetje. Druk met niets waarschijnlijk, zoals zoveel van zijn ambtgenoten.

68_scharensliep_santibaez_18e_etappekopi   Achter de kerk zit een man op zijn fiets die op een stabiele standaard staat. Al trappende drijft hij een slijpschijf aan die bij het stuur zit. Zo slijpt hij de messen van het oude vrouwtje dat bij hem staat en aan één stuk door ratelt of ze in geen jaren heeft kunnen praten. Waar tref je dit eigenlijk nog? Ik herinner me dat ze vroeger langskwamen bij ons in het dorp de scharensliepen. Ook op de fiets of met een kar, waarop later zelfs een slijpschijf die door een stinkende benzinemotor werd aangedreven. Het was schooiersvolk waar wij het niet zo op hadden. Maar deze man zag er keurig netjes uit. Hij droeg zelfs een stropdas! De nieuwe kerk heeft een oude toren. Zo’n typisch Spaanse platte toren met openingen waar je de klokken ziet hangen. Op de torenspits geen haan, maar een windmolentje zoals mijn jongste broer die edelsmid was ze als hobby maakte. Alweer, bedenk ik. Hij blijft de hele tocht in mijn gedachten.

Het leven is net een pelgrimsweg en omgekeerd is de pelgrimsweg net het leven. Je maakt  je weg, je bént de weg. Je ontmoet mensen en mensen ontmoeten jou. Je stelt jezelf open voor anderen, anderen doen dat naar jou. Je geeft wat je hebt aan de ander die het nodig heeft, je ontvangt wat jij nodig hebt terug. Véél heb je niet nodig. ,,Alles zij u gemeenschappelijk gegeven”. De inhoud van het pelgrimeren wordt bepaald door het toeval van de dag. Wat kom je tegen, wat trekt je aan. Wat is er aan toeval. Welke gedachten houden je bezig en waardoor worden je gedachten bepaald. In de saaie dagen tussen Burgos en León was er veel tijd om te filosoferen, te denken en te overdenken. Ik heb lopen vloeken omdat er geen einde kwam aan de gehate kiezelkeien, de geestdodende eentonigheid en merktekens van de Camino almaar uitbleven. Ik heb staan genieten van de nachtegaal die constant met me meevloog om voor mij alleen te zingen. Heb het landschap stap voor stap in me opgenomen. Kunst, cultuur, geschiedenis. De onderlinge contacten. Het heeft me allemaal al zóveel rijker gemaakt. Ik voel me pelgrim. Niets moet meer, alleen ont – moeten. Iedere dag opnieuw kom ik weer andere mensen tegen, soms ook dagen achtereen dezelfde. Het is al zoals in het gewone leven, door een onzichtbare chemie trek je gemakkelijker naar de een dan naar de ander. Je krijgt een onderlinge band en breekt die even gemakkelijk weer af. Pelgrims onder elkaar. Zwervers eigenlijk met hetzelfde doel. De binnentuin van de refugio in Santibañez de Valdeiglesias heeft wat weg van een klein kloostertuintje. In de lommer van de fruitbomen is het goed toeven en filosoferen. Zelfs bij warm weer als vandaag is het er koel. Inmiddels hebben zich meer mensen gemeld. Maria is kieskeurig. Fietsers worden onomwonden doorgestuurd. Uiteindelijk is er een groepje van zeven mensen in de refugio. Van de zeven komen er zes uit een verschillend land. Om acht uur is iedereen in de kerk. De pastoor heeft haast. Een kazuifel is er niet bij op deze doordeweekse dag blijkbaar. Hij raffelt zijn dienst af en is direct daarop verdwenen. Wie wil kan een parochiestempel in zijn credencial zetten, de stempel ligt achter in de kerk. Ik heb uitgeteld dat ik ongeveer al mijn stempelruimte nodig heb om de laatste stempel van het bureau van Compostela in het laatste hokje te krijgen. In de refugio heerst rust. Iedereen gaat meteen slapen. Josef is de hele nacht in de weer en ziet er ‘s-morgens niet echt uitgerust uit. Hij kent zijn probleem. Gnoti Seautoun: ken uzelf, leer je in de psychologie.

Het is opnieuw een prachtige morgen. De natuur ruikt fris, de voeten voelen goed. Weldra bereik ik de hoogvlakte van de Páramo. In de verte zie ik het bergsilhouet van de Montes de León. Geen verkeer, absolute stilte. Alleen de nachtegaal meldt zich weer. Hij blijft me trouw. Uit het bos klinkt het geluid van het korhoen. Hoe zeldzaam, bij ons is het uitgestorven. Even verderop zit een Hop op het pad. Rustig zit hij me aan te kijken, de stralenkrans op zijn kop fleurig opgestoken. Ik pak mijn camera en net als ik afdruk vliegt hij op. Die digitale camera’s hebben het voordeel dat je er heel erg veel foto’s mee kunt maken. Het nadeel is dat ze traag zijn. Maar meteen is de Hop terug met nog vier soortgenoten. Opnieuw leg ik aan, opnieuw zijn ze me te vlug af. Weer gaan ze 25 meter verder op het pad zitten en weer is het mis. Ze spelen een spelletje met me. Als ik blijf wachten vinden ze het blijkbaar niet meer leuk en komen niet terug. Het bewijs wat ik van dit voorval kan leveren is dus vaag en zal het voor het tribunaal niet halen. Jonge konijntjes schieten ijlings over de weg de struiken in. Een buizerd is naar ze op jacht. Hij maakt er blijkbaar meer een machtspelletje van want hevig krijsend vliegt hij heen en weer. Even verderop in de afgraving van een bergwand nestelen oeverzwaluwen. Hun holen tekenen donker af tegen de roodgele wand. Waarschijnlijk hebben ze jonge. IJverig vliegen ze af en aan. Hun zorgdag is al vroeg begonnen. In San Justo de la Vega ontbijt ik. De dienster is opvallend beleefd en waarschijnlijk begaan met het lot der pelgrims: ,,si señor peregrino, no señor peregrino, gratias señor peregrino”. Het is peregrino voor en na. Als ik vertrek en mijn leeg kopje en bord naar binnen breng buigt ze als een knipmes. Ik kijk mezelf eens goed aan in de winkelruit, maar zie niets bijzonders. Op een afstand komt Josef, die Pépe heet of omgekeerd, aangewandeld. Hij loopt of hij een zware last meedraagt. Het kan niet zijn rugzakje zijn. Josef loopt zichzelf te zoeken en torst de last alsmaar verder mee waar hij juist vanaf wil komen. Niet eenvoudig zo in je eentje. Zichzelfzoekers en Godzoekers. Het lijkt of de Camino daar de weg toe is. Wanneer ik een bos met tamme kastanjes uitloop duiken in de verte de torens van Astorga op. Opnieuw een middeleeuws boogbrugje. Zomaar. Spanje lijkt er mee bezaaid.

Overal in Astorga word je aan de Romeinen herinnerd, de Romeinse poort, de huizen, een kanalenstelsel, keramiek wat er nog steeds nijverheid is. Bij het naderen van de stad zijn werkers in grote vierkante gaten voorzichtig naar resten uit de oudheid aan het zoeken. Monnikenarbeid. Met schraper en veger verwijderen ze laagje voor laagje om niets te beschadigen of over het hoofd te zien. Zodra ik het stadje binnenloop tref ik José, de vrijwilliger uit Tosantos, die ook vrijwilliger in Astorga blijkt te zijn. Hij heeft koffie, dus neem ik graag zijn aanbod aan. Ik beloof in Compostela een kaarsje voor hem te branden. De kathedraal doet me heel even denken aan onze sint-Jan, maar als ik dichterbij kom zie ik dat de bouwstijl toch wel wat anders is. Het komt door de torens en ook weer niet. De gotische en renaissance stijlkenmerken geven de kerk een statisch karakter. Het rijkversierde hoogaltaar is geweldig groot en typisch Spaans door het vele goud wat er schittert. Overdaad is eigenlijk het goede woord. Ik houd er niet van, teveel pracht en praal. Uiterlijk vertoon. Opzij, achter de kathedraal heeft de bisschop zijn paleis. Een schepping van Antonio Gaudi, die invloeden van Jugendstil en een mengeling van Catalaanse en Moorse invloeden zo geraffineerd in zijn bouwkunst weet te verwerken. Als ik de stad uitloop kom ik langs een moderne kerk. De voorgevel is één groot mozaïek. In het onderste gedeelte ervan heeft de kunstenaar alle belangrijke kerken aan de Camino afgebeeld. Een wonderlijk geheel en fraai vorm gegeven. Buiten de stad heb ik de wereld weer voor mezelf alleen. Dat is het voordeel van net vóór of net ná een gewilde refugio of grotere plaats te overnachten. Rust. De hermitage Ecce Homo ligt er verlaten bij. Zo doet ze de inhoud van haar naam eer aan. Op de hoogvlakte van de Maragatería aan het lange wandelpad naar Santa Catalina stopt een touringcar. Een groep van zo’n dertig 65-plussers stapt uit en beginnen aan hun wandelingetje. Ieder doet de Camino op zijn eigen wijze en naar eigen vermogen. In het dorpje Santa Catalina de Somoza is het stil. Huizen hangen scheef, de kerkspits ontbreekt, mensen laten zich niet zien. Toch moeten het grappige mensen zijn die hier wonen want eens was dit een dorp van trommelaars en fluitspelers. Mensen die feesten en partijen kwamen opvrolijken voor geld. Ik merk er nu even niets van.

Tussen twee stenen wallen door kom ik het dorpje El Ganso binnengelopen. Ook hier scheefhangende en vervallen huizen tussen huizen die intact en bewoond zijn. Berkenboompjes groeien op dak en torenspits van het kleine kerkje. De ooievaar die er zijn jongen leert vliegen zorgt voor bemesting. De cowboybar heeft het meest strategische punt in het dorpje uitgekozen. Alle pelgrims moeten hier passeren. Waar de beheerder zijn cowboyartikelen vandaan heeft mag Joost weten, het is er een uitdragerskraam en toch niet ongezellig. De koffie is goed, de zelfgebakken tortilla lekker, er is eten en een gezellige dienster. Ik besluit in El Ganso te blijven en zoek de plaatselijke refugio municipal. Geen verwijzing, maar verdwalen in het dorp is onmogelijk. Een oude dame wijst me op het gebouwtje, de deur is open zegt ze. In de zaal staan 14 stapelbedden, het sanitair is nog op slot, de dependance van de gemeente ook. Het boek voor inschrijvingen ligt op tafel, maar ik zie dat er niet zoveel gebruik wordt gemaakt van El Ganso. Een stempel is er niet, die moet ik in de plaatselijke bar halen. Zo heb ik dus ook een cowboystempel tussen alle kerkelijke en gemeentelijke wapens. Ik gebruik de bron om me te wassen en mijn was te doen. Een bijzonder fraai uitzicht over de Maragaterá is er mijn deel. Op een stenen bank onder de tamme kastanjeboom is het goed toeven die dag.

587_el_ganso_hondje_19e_etappe_a Een hondje van onbekend merk komt me gezelschap houden. Ik betrap me erop dat ik tegen het diertje praat zoals sint-Franciscus tegen de dieren. Gevolg van het alleen zijn? Toch nog niet zo vlug. Hij verstaat me toch niet, al voelt hij blijkbaar aan dat ik het goed met hem voor heb. Er bestaat ook chemie tussen mens en dier. In de namiddag begint het te rommelen op de hoogvlakte. Er komt onweer. Er is nog steeds geen gemeentelijke persoon of ingezetene komen opdagen om te zien of er toevallig belangstelling is voor hun refugio en de 3,00euro te innen. Er zal ook niemand komen opdagen, El Ganso is inderdaad niet in trek en de plaatselijke overheid neemt niet de moeite iemand met het toezicht te belasten. Voor mij geen probleem, het is goed om eens alleen te zijn. Wat wel een probleem kan worden is het ontbreken van een toilet. Gelukkig is er veel natuur en de plaatselijke cowboybar. Om negen uur al ga ik slapen. Net in mijn eerste slaap word ik wakker van geluid. Waarschijnlijk het dreigende onweer. Opnieuw gerammel. Er blijkt een fietser aan de deur te staan. Een jongen van rond de 25, een doordeweekse fiets met amper bagage achterop. Hij wil slapen, maar ziet de ontvolkte refugio en besluit om de zeven kilometer naar Rabanal de Camino erbij te nemen. Geen probleem voor mij, ik ga liggen en slaap verder als een eremiet in zijn eremitage. Onweer en bliksem deren me niet.

El Ganso ligt nog compleet in het duister als ik vertrek. Het belooft alweer een stralende dag te worden. Verdwalen is hier onmogelijk. Een lange asfaltweg brengt me aan de Roble del Peregrino, de pelgrimseik voorbij. Een forse oude boom met indrukwekkende kruin. Aan de rand van het dorpje Rabanal del Camino is ook al ooit een eremiet neergestreken. Zijn Ermita del Santo Cristo doet al eeuwen geen dienst meer en kost de staat alleen maar handenvol geld voor onderhoud. Tempeliers hadden in Rabanal ooit veel zeggenschap. Ze hadden de kerk en het pelgrimshospitaal in eigendom. Nu is het dorpje meer op toerisme ingesteld, getuige de keurige refugio’s en de vele bar’s. Een vrouw wuift me vanaf haar balkon een Bon Camino. Ze oogt niet Spaans en zal dus wel tot het fietsersgilde behoren. Fietsers groeten altijd in het Frans met bon Camino. Rabanal voorbij loop ik weer in de pure natuur. Prachtige bermen langs het zandpad en mooie uitzichten belonen mijn moeite voor het stijgen. Stug zet de stijging door. Naarmate ik hoger kom wordt het nevelig en kil. Als ik aan de rand van het plaatsje Foncebadón kom is alles zwaar in nevelen gehuld. Het geeft een extra desolate dimensie aan dit verlaten en totaal vervallen oord. Alle huizen zijn in elkaar gestort en liggen als puin en rottend hout door elkaar. Het kruis midden op de weg heeft iets dreigends. Je kunt je niet voorstellen dat dit dorp ooit zó belangrijk was dat de Spaanse Kerk er een concilie hield. Bij het kerkje blijkt toch weer leven. Een bord nodigt uit te komen ontbijten, het kerkje ziet er opgeknapt uit. Ik ga op de uitnodiging in en kom in een sfeervolle gelagkamer, mooie meubels een prima ruimte. Er zijn meer gasten. Aan de spraak te horen twee Duitsers, dus groet ik hen in hun landstaal. Ze nodigen me uit bij hen aan tafel te komen en weldra hangen we aan de lippen van Siegfried uit Berlijn die voor de negende keer zijn Camino loopt. Sinds zijn scheiding heeft hij toch niets beters te doen en hij moet stof hebben om een boek te schrijven. Binnen de kortste keren legt hij al zijn gestempelde credencials en Compostelana’s op tafel. Wie sleept zoiets überhaupt mee op zijn tocht, denk ik dan? Maar Siegfried is tevreden met zijn toehoorders en weet van geen ophouden. Hij is fulltime Caminoganger en doet alle routes. Nu zelfs achteruit van Santiago naar Pamplona. Siegfried hoort zichzelf zo graag praten dat we er niet tussen kunnen komen. Hij doet me in postuur en praten denken aan Kees, mijn oud ,,kaderschoolpuptentjesmaat” en latere collega. Martin, de andere Duitser aan tafel hangt aan zijn lippen, maar komt er ook niet tussen wanneer hij iets van zijn eigen verhaal wil inbrengen. Op mijn vraag waar het boek over zal gaan anders dan in het algemeen over de Camino waar al zoveel boeken over geschreven zijn, komt geen antwoord. Vertellen dat hij de Ruta la Plata ook al heeft bewandeld wint het van mijn vraag. Wanneer ik uiteindelijk opmerk dat het niets zal worden met dat boek omdat Siegfried niet naar mensen op de Camino kan luisteren en alleen zijn eigen verhaal kwijt wil, krijgt hij haast. Hij moet nodig verder, of wij voor hem willen afrekenen. Waarschijnlijk had zijn vrouw al ooit eerder een dergelijke opmerking gemaakt en is ze vertrokken naar iemand die wel kan luisteren. Siegfried vertrekt alsof hij de trein moet halen in Foncebadón. Na negen keer Camino weet hij nóg niet dat die trein óók nooit zal komen. Ik complimenteer de jonge waard en zijn vrouw met hun sfeervolle herberg en het huis waaraan nog wordt gewerkt. Ik betaal voor Siegfried mee als voorschot op zijn boek dat er niet zal komen en neem afscheid van Martin. Buiten is de nevel dikker geworden. Mijn fleece heb ik tenminste al die tijd niet voor niets in mijn rugzak meegedragen, het is kil. Er blijkt nog één autochtoon te wonen in het vervallen dorpje. Zonder dat ik iets vraag wijst hij me bij de wegsplitsing welke weg ik moet nemen. Ervaringsdeskundige.

Mijn pad gaat verder over rijk begroeide bergruggen. Het loopt nagenoeg parallel aan de rijbaan, maar ligt aan het oog onttrokken door het hoogteverschil en de begroeiing. De rust is weldadig, het uitzicht begrenst door de nevel. Duitse vloeken halen me uit mijn dagdroom. Onder me zie ik een man en vrouw op de fiets voorbij gaan. Zij zwaar beladen, hij de lichtere bagage en foeterend op de vrouw dat ze moet doorrijden en haar versnelling moet aanpassen. Het gaat hem blijkbaar niet naar zijn zin tegen de helling op. ,,Dritte gang hab ich gesagt, verdammt noch mal!” De aflaten zullen straks alles weer goed maken.”

70_voor_crus_de_hierro_20e_etappekopie_a  Plotseling doemt het Cruz de Hierro op uit de mist. Cruz de Ferro, zoals meestal wordt gezegd, het ijzeren kruis. Op een bergje staat een houten mast van een meter of vijf met bovenin een ijzeren kruis. De vele afbeeldingen die ik ervan zag laten geen verrassing toe. De enige verrassing die ik onderga is daar nu zelf te zijn en de kermis eromheen. Een deceptie;  picknickplaats, een broodjesverkoper, abdijwinkels in het klein. Vanwege het vroege uur staan er nog net geen rijen autos en autobussen op de rijbaan. Een groep Spaanse wielrenners moet één voor één op het bergje bij het kruis op de foto. Met één hand het kruis omvattend, met de andere het V-teken makend alsof de Alpe d’Huez is bedwongen. Twee wandelaars en enkele fietsers staan geduldig op hun beurt te wachten. Onder hen het Duitse echtpaar van zojuist. De vrouw komt direct op me af. Zij was het die me deze morgen in Rabanal had staan toewuiven, vertelt ze me. Ze wil graag de foto van mij bij het kruis maken, maar ik wil er geen Spaanse wielerclub bij hebben dus wacht ik. Totdat er geen einde lijkt te komen aan de fotodrift van de wielerclub en ik hen vriendelijk verzoek een eind te maken aan hun ceremoniën om ook anderen gelegenheid te scheppen. Met zichtbare tegenzin voldoen ze aan de vraag en op toerbeurt kunnen de andere mensen met het kruis en de stenen op de foto. Ik verkies de andere kant van de steenhoop waar geen mensen zijn voor mijn eigen fotosessie. Als dank vereeuwig ik man en vrouw met het kruis. De steen die ik van huis meenam snijd ik los van mijn rugzak en leg hem ietwat plechtig op de steenhoop. Het is tenslotte een ritueel wat erbij hoort. De steen die pelgrims hier op de steenhoop leggen is symbool voor de last die ze in het leven met zich meedragen. Op deze steenhoop kun je die lasten afwerpen. Ik heb lang lopen denken onderweg welke last ik zou willen afwerpen, maar heb er geen gevonden. Blijkbaar wil ik de lasten die ik heb verder meedragen. Dus heb ik mijn steen opgedragen aan alle mensen die niet in staat zijn naar het Cruz de Hierro te gaan om van hun lasten af te komen. Mijn rugzak is niet lichter geworden nu de steen is afgeworpen.

IMG_10195 Eva kruis 20e etappe Vanaf nu moet ik goed op kruizen gaan letten. Ik heb Karola beloofd foto’s te maken van een kruis dat is opgericht ter nagedachtenis aan haar vermoordde nichtje Eva. Onderweg pluk ik veldbloemen en maak een mooi boeketje om straks bij het kruis te leggen. Vlak voor de ingang van het één huis tellende gehucht Manjarín vind ik het kruis in de linker wegberm. Een flink kruis op een stenen sokkel. ,,EVA”, staat in de kruising van beide balken gebeiteld. Ik leg mijn geplukte bloemen bij het kruis, maak foto’s en denk terug aan de tragische wijze waarop het kind is omgebracht. Terwijl haar ouders naar een concert waren doodgestoken door een verslaafde die was binnengeslopen. Zo je eigen kind te moeten vinden bij thuiskomst moet je hele leven op zijn kop zetten. Josi, dochter van Leo en Karola, die als reisleidster vaak langs de Camino gaat heeft samen met Tomás voor het kruis gezorgd. Tomás, de leider van een sektarische gemeenschap in Manjardín. Met klokgelui aan de bel begroet hij zijn gasten en laat weten met een viering te gaan beginnen. Smoezelig bebaard, ongewassen overkleed wat ooit wit moet zijn geweest een groot tempelierkruis op de voor- en achterkant. Met hem zijn twee knullen van rond de dertig, eveneens smoezelig en in een korte versie van het overkleed. Drie meisjes van rond de 25 jaar zitten wat schaapachtig rond te kijken. De gratis koffie smaakt goed. Ik probeer met Tomás in contact te komen door hem de groeten te doen van Josi en vertel dat ik een foto van het EVA-kruis heb gemaakt. Hij kijkt me begripvol aan. Maar als ik vraag welke inhoud zijn tempelierschap heeft, krijgt zijn gezicht een nietszeggende uitdrukking en draait hij zich om. Adoreren doen hem alleen de meisjes. Tomás gaat met zijn viering beginnen. De meiden nemen iets wat op een lans lijkt ter hand, Tomás en een van de knullen nemen een groot zwaard en dragen dat plechtig voor zich uit naar buiten. Intussen speelt een CD gregoriaanse muziek. Buiten bij een vaandel met eveneens een groot tempelierkruis staan Tomás en zijn kompaan ontzettend vals iets te zingen, te prevelen en vaag met de zwaarden te zwaaien, om daarna in processie weer naar binnen te komen en voor een Mariabeeld verder te gaan met prevelen. De tweede knul heeft wijdbeens postgevat in de tentopening, armen over elkaar als een uitsmijter. Voor mij is het genoeg. Ik heb genoeg gezien en wil deze bonte kermis verlaten, maar de uitsmijter wil dat beletten. Ik maak hem duidelijk dat ik er toch niets van versta of begrijp en er absoluut vandoor ga, waarop hij me met zichtbare tegenzin door laat.

Inmiddels is de nevel opgetrokken en een stralende zon geeft me prachtig uitzicht over het berglandschap. Iedere stap is de wereld om me heen nieuw. Ieder moment wil ik vastleggen, bang het ooit te vergeten. Opnieuw overdenk ik een mogelijk mysterie van de schepping van al dit moois. Maar tijdens deze Camino heb ik al aangenomen dat dergelijke mystiek niet bestaat. Mensenwerk is. Dat alles is omdat het is en door tijd en evolutie zo is geworden. Dat geleerde bollen de mystiek hebben gebruikt om hun theorieën vorm en inhoud te geven. Waarop kunstenaars de vorm en inhoud gestalte hebben gegeven, zodat mensen denken dat hun God een baard heeft en zetelt op een wolkentroon. Dat het werkelijk zin heeft als dagelijks ritueel gebeden te herhalen in de veronderstelling dat daarmee de wereld om je heen verbeterd, zonder zélf die verbetering door te voeren in je eigen situatie. Iets waarmee je je geweten kunt sussen en vervallen tot inactiviteit. Inactiviteit en gebrek aan inzicht zullen de dood in de pot zijn. Duivels hebben geen staart en God geen baard. Geen enkel inzicht kan als waarheid gelden vrees ik. Daarvoor zijn we mensen, ieder op zijn eigen Camino. Ieder met zijn eigen gelijk. Het is misschien wel dáárom dat ik ieder moment van de simpele werkelijkheid die ik nu iedere dag onderga wil koesteren en vasthouden voor altijd. Na de top van de heuvel daalt het pad steil naar beneden. Daken met leisteen bedekt steken net boven de rand uit. Verderop naar benden blijken er huizen onder te zitten. Huizen van alle soort en kwaliteit. Van hout, steen, de meeste oud en niet onderhouden. Balkons aan beide kanten van de straat steken over het wegdek. Waarschijnlijk een methode om het woonoppervlak te vergroten zonder grondbelasting te betalen. De straat is nauw. Van balkon tot balkon kan men elkaar bijna de hand geven. En toch schijnen hier touringcars tussendoor te rijden.

Ik ben in El Acebo. Het is heet en alles is in ruste. Het dorp bestaat uit één straat met een enkele zijsprong die toch weer op de hoofdstraat uitkomt. Het kerkje staat er verlaten bij, zoals andere kerken. De hekken zijn op slot en het gras op het toegangspad laat zien dat er nooit op gelopen wordt. Alleen de klok doet het, maar dat is dan ook een zonnewijzer die altijd de betrekkelijkheid van tijd heeft aangegeven. De zonzijde en de schaduwkant: Lucem demonstrat umbra. Opnieuw het Jorwerd van Spanje. Het raadhuis heeft de vlaggen uithangen, maar dat lijkt meer gevelversiering. De waard van de plaatselijke bar beheert de sleutel van de refugio municipal lees ik in mijn gidsje. Ik drink er koffie, eet wat en vraag de sleutel. De dienster kijkt me verschrikt aan of ik een oneerbaar voorstel doe en roept de baas erbij. Die verklaard met een stalen gezicht dat de refugio niet is geopend. Als ik vraag waarom niet haalt hij zijn schouders op en mompelt vaag iets achter in zijn keel. Hij wijst me de weg, die blijkt uit te komen in zijn eigen refugio. Maffia op de Camino. Even overweeg ik om door te lopen, maar dan ontdek ik Willem en Claude. Na dagen van afwezigheid duiken ze plotseling weer op. Ze zijn langere dagafstanden aan het maken om tijd in te lopen. Claude heeft erg opgezette voeten en zou er naar mijn oordeel verstandiger aan doen een aantal dagen absolute rust te houden. Pijnstillers houden hem op de been, het lopen gaat moeizaam. Maar hij moet verder om op tijd in Santiago te zijn waar hij met zijn vrouw heeft afgesproken. Zo moet hij verder op het gevaar af zijn voeten compleet naar de knoppen te lopen. Ik hoor het vaker onderweg; een ticket voor de terugreis is geregeld en betaald voordat men vertrok, afspraken voor van alles en nog wat zijn vooraf gemaakt en dan zit het onderweg ergens tegen of heeft men zich op de eigen fysieke krachten verkeken. We vieren onze hereniging en blijven toch maar bij de maffiabaas in El Acebo. Geld stinkt. Op mijn verdere ontdekkingstocht in het dorpje probeer ik me voor te stellen hoe mensen hier leefden. De kar met houten wielen staat nog voor het huis, de stokkensnijder oefent zijn arbeid uit aan de straat want daar komen zijn potentiële klanten voorbij. Het hekwerk waar ooit paarden in werden beslagen staat er ongebruikt bij. Blijkbaar zijn de boeren uit El Acebo verdwenen, zoals ook God er verdween. Misschien heeft het wel met elkaar te maken. De maffiakroegbaas zal de kerk niet overeind houden vrees ik. Ik vraag me onderweg vaak af hoelang dit pelgrimeren nog een beetje puur zal blijven. De reclamefolders die overal aan de route opduiken of zijn opgeplakt om slaapplaatsen en eetgelegenheden aan te prijzen ontsieren niet enkel maar de weg. Er verschijnen grote reclameborden om de pelgrim te lokken. Als je wil kun je onderweg in de auto van een privé refugio stappen en je comfortabel naar het onderkomen laten rijden. Taxi’s rijden langs de route om vermoeide of luie pelgrims op te pikken. De commercie neemt hand over hand bezit van de Camino en wil haar aandeel in de potentiële winst die er rondloopt. Aan het diner vieren we gedrieën onze hereniging met een goede fles wijn. Die zorgt er dan ook voor dat ik slaap als een blok.

Adalante Peregrino!

Bergpaadjes en hellingen zijn de ouverture deze dag. Ik voel me in mijn element. De boogbrug in Molinaseca spiegelt zich liefelijk in de ochtendzon. De weerspiegeling in het rimpelloze water zorgt voor een perfecte boog. Mijn route vanochtend voert over een oud muildierpad, over beekjes, bergweggetjes en door een kastanjebos met eeuwenoude bomen. Het uitzicht vanaf de bergen is schitterend. IMG_10262 overdreven 21e etappe Een fantastisch begin van de dag. Het is zondag vandaag en ik wil niet verder gaan dan Ponferrada. De stad heeft van alles te bieden zegt mijn gidsje en de refugio in het voormalige Carmelklooster staat me wel aan. Ooievaars nestelen zich massaal op hoogspanningsmasten. Elke mast wordt gebruikt om een nest te bouwen, soms wel drie op één mast. Via een kleine omweg zoek ik onderweg de oude Romeinse bron op. Heerlijk koel, helder water is de beloning. Van verre zie ik in het dal Ponferrada liggen, aan alle kanten omgeven door bergen. De Montes de León vormen een perfect achtergronddecor. Het is nog vroeg en rustig. Over de oude boogbrug over de Río Boeza loop ik de stad in. Een imposante middeleeuwse burcht die zich hoog boven de stad verheft lokt. Ook hier blijken de Tempelridders hun sporen ruimschoots te hebben achtergelaten. Onder hun leuze: ,,Non Nobis Domine, non nobis, sed nomini tuo da gloriam” heeft de Orde in Gods Naam en ter zijner eer misschien wel meer verkeerd dan goed gedaan. Gesticht in 1129 om Jerusalem te verdedigen en pelgrims naar het Heilig Land te beschermen hielden zij hun kruistochten. Ze namen de Regel van Benedictus aan en werden officieel door de Paus van Rome erkend als Orde. In 1135 schreef Bernardus van Clairvaux voor de Orde in zijn ,,Liber ad milites templi de laude novae militiae” dat het doden van Moslims gerechtvaardigd is. Hij verklaart dat een ridder gelijktijdig eervol strijder en deugdzaam monnik kan zijn. Tempeliers stonden onder rechtstreeks gezag van de Paus, hetgeen ook hun ondergang werd. Te groot, te machtig en te rijk palmde Filips de IV van Frankrijk en de Paus geld en macht van de Orde der Tempeliers in. Op vrijdag de 13e oktober 1307 laat Filips de IV alle tempeliers arresteren. Samen met Paus Clemens de V maken ze de Orde zwart en worden alle bezittingen verbeurd verklaard. Dat was het einde van de Orde der Tempeliers. Een onverklaarbare ondergang en einde.

Wij hebben er ons bijgeloof over vrijdag de 13e aan overgehouden.

Tempelier2Misschien hebben de Moslims er iets anders aan overgehouden, getuige hun gedrag vandaag de dag. Maar in Ponferrada ligt alles er vredig bij. De bedevaartskerk De la Encina viert feest vandaag. Madonna De la Encina, is de madonna van de steeneik. Zo’n soort heilige Eik als in Spoordonk, maar dan grootser. Sterke mannen dragen de grote baar met daarop het heilig Hart beeld mee in een processie. De Madonna mooi versierd in het midden van de stoet wordt gedragen door de vrouwen. De pastoor daarachter met een megafoon in de hand om de veertig processiegangers te kunnen bereiken. Misdienaars dragen de luidspreker. Behalve dragers, de pastoor en de fanfare bestaat het processievolk uitsluitend uit oudere vrouwen. Aan het einde van de stoet lopen twee mannen. De ene draagt grote vuurpijlen onder zijn arm, de andere steekt onophoudelijk vanuit de hand met zijn sigaret een vuurpijl aan die sissend de lucht in schiet en hoog in de lucht uiteen knalt. Het gesis en de luide knallen moeten de bozen geesten verjagen. Of de Tempelridders? Door de Straat van de Klok loop ik het oude centrum in en nestel me op een terras om koffie te drinken. Ik tref er Willem en Claude, maar zij moeten verder. De refugio in het gerestaureerde Karmelietessenklooster ziet er geweldig uit. Alles is werkelijk prachtig in orde, kleine kamers met weinig bedden, goed sanitair, ruimte, tuin, voorzieningen. De Duitse mensen die de refugio dit keer beheren zijn trots op hun huis. Een markeringssteen geeft aan dat er nog 202 kilometer is te gaan tot Santiago de Compostela. Mijn Camino, Campus Stellae, Via Lactea, begint te korten. Ik tref Tony en Claudia uit Canada in de refugio. Samen gaan we het stadje in om te eten en te praten. Ondanks het benauwde, drukkende weer slaap ik goed.

Waar de meeste pelgrims kiezen voor de asfaltweg neem ik de gecompliceerde route die me landschappelijk mooier lijkt en in ieder geval rustiger is. Vanaf de nieuwe brug kijk ik terug op Ponferrada en zie nu pas de mijnen liggen, die de stad al sinds de Romeinse tijd welvaart brachten. Het duurt even voor ik de stad uit ben. Het is een beetje puzzelen. De sluiproute gaat door een parkachtige omgeving. In Colombrianos ontbijt ik. Een taxichauffeur zit al vroeg op klanten te wachten, desgewenst kan hij ervoor zorgen dat ik nog maar vier dagen hoef voordat ik in Santiago ben, biedt hij aan. Geen schijn van kans, aan mij valt niets te verdienen. Hij lacht wat besmuikt. Het landschap is weer anders en opnieuw schitterend. Landweggetjes tussen wijngaarden door en bebossing wisselen elkaar af en gaan in elkaar over. Het uitzicht op het Cantabrisch Gebergte maakt mijn dag nu al goed. In Cacabelos zijn de laatbarokke Iglesia Las Angustias en het voormalige pelgrimsziekenhuis ernaast in gebruik als pelgrimsherberg. Een gewild oord om te overnachten zie ik. Op grote afstand zie ik het plompe vierkante kerkgebouw San Fransisco van Villafranca del Bierzo al liggen, hoog op een heuveltop. Het stadje ligt verscholen in de kom van het dal. De refugio municipal ligt meteen aan de ingang van het stadje. Een net ogende refugio. De Franse Marianne zit er haar oefeningen al te doen. Alweer.

659_puerta_del_perdn_villafranca_del_bie Even verderop ligt de Santiago-kerk met haar Puerta del Perdón, de Poort der Vergiffenis. Pelgrims die onderweg ziek werden en Santiago niet konden halen kregen hier de absolutie en hun aflaat die hen ontsloeg van hun zonden. Het kerkhof laat zien dat dit nogal eens voorkwam. Villafranca del Bierzo werd niet alleen daarom ook wel ,,Klein Santiago” genoemd, het stadje telt maar liefst vier grote kerken, wat kloosters en kapellen en een forse burcht blijkt als ik door het stadje wandel. Het plaatsje heeft een hoog ,,Monschau karakter”. In de weekends zal het hier wel druk zijn. Vooral de collegiale kerk Santa María is een juweel om in door te brengen. De bouw in late renaissance en vroege barok roept bij mij geen enkel vergelijk op en is daardoor uniek van karakter. De rust en koelte onderga ik weldadig. Op een digitaal bord in het stadsparkje zie ik dat het 34 graden is vandaag. Het meisje dat als tuinvrouw het parkje onderhoud heeft er blijkbaar geen last van. Kinderen lopen in een keurige rij voor de zuster uit naar de grote kerk van San Nicolás. Nog even en ze hebben vakantie. Ik eet het pond kersen dat ik aan een stalletje kocht en kijk hoever ik de pitten kan wegspugen. Wanneer er niemand kijkt doe ik het op de manier zoals we dat vroeger deden, de beide handen gevouwen met kracht tegen de borst trekken en gelijktijdig spugen. Het werkt nog steeds. Op mijn ontdekkingstocht zie ik het augustijns logo in een portaal. Het blijkt een klooster van zusters augustinessen te zijn die er een internaat hebben. De kapel is niet bijzonder. Het hekwerk achterin laat zien dat het ooit een slotklooster was. De foto zal ik aan Lambert van Gelder sturen voor zijn Augustinus verzameling. Bij de oude stenen brug over de Río Burbia staat een lelijk beeld van Jacobus als pelgrim. Het zoveelste lelijke beeld op de route. Wanneer ik zit te eten verschijnt Tony, de Canadees, plotseling. Zijn Claudia heeft problemen met haar knie en hij is alléén verder gegaan om op zondag in Santiago de Compostela te kunnen zijn. Gehaast eet hij want hij wil nog naar Pereje of zelfs naar Trabadelo. Weer een geval van jammer. Haast op de Camino. Terug in de refugio is de kamer vol. Een groep Italiaanse fietsers heeft de bedden bezet en tevens de hele kamer, de douche en de keuken en de zitkamer en het terras en, en, en. Van slapen komt voorlopig niets want in het volle licht moet er worden overlegd, gedeeld, ingepakt, uitgepakt, ingepakt, overlegd met de andere kamer en weer terug. Het busje dat hen begeleidt wordt 30 keer in het uur getest of het wil starten en of de koplampen het nog doen. De lichten schijnen in de kamer, maar ach daar brandt toch groot licht. Gelukkig is het hele gezelschap de andere morgen weer als eerste om half zes volop in de weer om te overleggen, alles uit te pakken en weer in te pakken en te overleggen om te overleggen. Ach, ieder op zijn eigen manier.

cid-95342381025012007-0b4a

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

DEEL 6 Villafranca.d.B – Compostela

In het donker vertrek ik. Tot buiten het stadje weet ik de weg nog van gisteren. Na de brug over de Río Burbia tref ik een Nederlands echtpaar die ook de weg over de Camino Duro kiezen. Samen zoeken we het eerste stuk.

668_erg_zware_wandelweg__alleen_voor_wan   Vanaf de brug is er keuze; óf je loopt het tracé via de N6, de eigenlijke Jacobsroute. De meeste pelgrims doen dat en nemen het verkeer voor lief. Óf, het alternatief is de zware weg (Camino Duro) over de bergen, die pas later een klein stukje via de autoweg gaat. Waarom zou ik voor het gemak en de uitlaatgassen kiezen? Mijn landgenoten zijn dezelfde mening. Aan het begin van de Camino Duro heeft iemand een bord geplaatst met de tekst: ,,Camino muy Duro, solo para buenos caminantes…. loz”. Erg zware weg, alleen voor goede wandelaars. Voor insiders; de weg komt neer op stukken Hochgrat en heel veel Schwandalpweg! Het Nederlands echtpaar blijft al snel achter. Ze roken beide en krijgen geen lucht. Diep in het uitgesneden dal kruipen de vrachtwagens over de weg. Het landschap is totaal beschadigd door de uitsnijdingen voor de snelweg. De vooruitgang. Als stippen zie ik de wandelaars vanaf mijn hoogte over de snelweg kruipen. Soms sta ik bekaf, puffend en jaloers te kijken naar de wandelaars die op de vlakke weg  lopen, maar die ik niet kan onderscheiden. Tegelijk beklaag ik hen dat ze niet het uitzicht genieten wat mijn loon is voor al deze inspanningen. Schitterende uitzichten en passages door een uitgestrekt bos van tamme kastanjebomen die heel erg oud moeten zijn is mijn loon. Ik ben er zeer tevreden mee. In Ambasmestas kan ik ontbijten. Welverdiend na de zware Camino. Twee Zwitserse dames die vanuit Le-Puy-en-Velay zijn begonnen komen voorbij. Ik trof ze in de refugio. Ze beginnen nu allebei naar het einde te verlangen, vertelden ze. Het wordt lang en zwaar. Het is ook aan hun lopen te zien. Het gehucht Herreías-Hospital Inglés is een plaatje. Een oud bruggetje uit de Romeinse tijd over het beekje, huizen waar de vooruitgang geen vat op heeft gehad. Alleen de rubberen tuinslang over de weg, die vanaf het motorpompje beekwater naar de planten brengt, duidt op vooruitgang. Maar wat is vooruitgang? Het lijkt als je zo rondwandelt of je alle luxe die we kennen kunt missen. Als zwerver heb je zo weinig nodig. Alleen eten en slapen is waar het om draait. Hier op de Camino is dat zo ruim voorhanden en zo betaalbaar dat zorgen niet bestaan. Zeker niet wanneer iedere dag de zon schijnt en de wereld zo afwisselend is. Opnieuw ben ik blij na Wallonië de keuze te hebben gemaakt in opgedeelde fase de hele route te doen. Waarbij de Camino nu al volkomen aan al mijn verwachtingen heeft voldaan.

Alsof de duvel mijn gedachten leest, beginnen donkere wolken zich boven La Faba samen te pakken. Het pad over de bergrug is steil en lang. De koeienhoedster, klompen, broek, rok, dikke jas, shawl op het hoofd, op het smalle bergpad bij La Laguna jaagt gehaast achter haar koeien. Haar schelle stem galmt tegen de hellingen. Ze ziet de al bui hangen. Een welhaast middeleeuws tafereel. Nog voordat ik de grenspaal van Galicië bereik breekt de bui los. Galicië is regen, voorspelde mijn gidsje en het krijgt meteen gelijk. De poncho houdt me droog en in redelijke staat bereik ik O Cebreiro, waar het regenwater met stromen de keien schoonspoelt en doet glimmen.

IMG_10426b pallazo O Cebreiro 23e etappe  De typische palloza’s met hun ronde vorm, de lage muur en het vreemde hoge rietgedekte puntdak liggen er wat voorwereldlijk bij. Het doet me aan de hutten in Swaziland denken. In de refugio municipal is het spitsuur. Iedereen zoekt een droog onderkomen. In korte tijd is het binnen net zo nat als buiten. De regen valt werkelijk met bakken uit de lucht en het lijkt erop dat het nooit meer zal stoppen. Mijn was doen heeft geen zin vandaag. Onder mij ligt de mooie Franse Marianne alweer aan haar postuur te werken. Ik verwonder mij erover hoe zij toch telkens zo vlot een eind is gevorderd. Maar ik krijg het niet te horen en eigenlijk verbaas ik me allang nergens meer over. Onder mijn poncho op mijn Teva’s en kletsnatte voeten ga ik O Cebreiro verkennen. Het dorpje van 10 huizen lijkt meer op een openluchtmuseum, de typische palloza’s, het plompe kerkje geheel opgebouwd uit keien, de grove kiezelstraten. In het kerkje heerst rust. De beheerder heeft de kroeg opgezocht. Wie komt er met dit weer immers naar zijn kerkje kijken? Het verhaal kan ik lezen in een brochure. Het verhaal van een bloedwonder over de monnik die in de 14e eeuw een mis leest in het kerkje. Zijn enige kerkganger is een boer, het is zo’n soort weer als vandaag blijkbaar. De monnik leest wel de mis, maar heeft het geloof van de boer niet hoog zitten en vindt hem maar een ezel dat hij door dit weer naar de kerk komt. Zijn twijfel is er oorzaak toe dat de hostie veranderd in vlees en de wijn in bloed. Het bloed besmeurt de corporale. Later schenkt de koning, terwijl hij op pelgrimstocht is, een reliekschrijn voor de kelk en de corporale. Het wonder van de heilige Graal van O Cebreiro is geboren. Zowel de monnik als de landsman hebben een stenen graf in het plaatsje gekregen. De kelk siert, als Galicische Graal, zelfs het wapen van Lugo en de regio Galicië. Buiten regent het nog steeds pijpenstelen en ondanks mijn poncho word ik nat. Het is koud. Vanaf hier zal de Galicische overheid me op betonpaaltjes elke 500 meter mijn vordering melden op de afstand die nog is te gaan tot Santiago de Compostela. Niet alleen een beetje belachelijk, maar ook demoraliserend voor menigeen want onwillekeurig loop je erop te letten.

De andere morgen is het laat licht. Het is droog, maar daarmee is het dan ook gezegd. Nevel hangt zwaar in de bergen, het pad is een drassige leemtroep en blokt onder mijn schoenen. Het is koud op deze hoogte van zo’n 1250 meter. Mijn soft shell komt me opnieuw van pas. Mijn schoenen heb ik goed droog gekregen vannacht. Het pad stijgt behoorlijk en gaat door dicht bos waardoor het nóg langer donker lijkt. Op de Alto de San Roque staat een zoveelste pelgrimsmonument. Deze staat zwaar tegen de wind in te leunen. In zijn houding, de pelgrimshoed als zuidwester op het hoofd, doet het me denken aan een bronzen beeld van de reddingswerker op de dijk van Ameland. Het is gaan regenen, zodat de poncho er weer aan te pas moet komen. Even voorbij de Alto loop ik Claudia, de andere helft uit Canada, achterop. Vanwege haar poncho herken ik haar eerst niet. Ze loopt erg voorzichtig en een beetje hinkend. Haar knie levert problemen op bij het afdalen. Ik bied haar een zwachtel of elastische knieband aan maar ze acht het niet nodig. Het is een eerdere knieoperatie die opspeelt. Ze kent het. Samen lopen we een eind op. In het gehucht Padornelo hebben de koeien de straat veranderd in een mestvaalt. De regen heeft de koeienvla tot drek gemaakt, de straat glad. Het is de eerlijke strontgeur die er tussen de schamele huizen hangt zoals je zelden meer ruikt. Een oud vrouwtje sjofel gekleed, hoofddoek, klompen, lange broek onder haar jurk op weg naar haar koeien houdt ons staande. Ze schiet haar boerderijtje binnen en komt terug met een bord vol pannenkoeken. Ze heeft zelfs een bus poedersuiker bij zich. We nemen beide een pannenkoek en ik geef het vrouwtje wat geld, dat zal de bedoeling wel zijn. Dankbaarheid straalt van haar gezicht af. Wat een armoede in deze bergdorpjes. De bedompte huizen van opeengestapelde leisteen en keien staan er half vervallen bij. Huis en stal zijn één, het vee lijkt er in de kamer te staan. Middeleeuws. Ik vraag me af hoe mensen daarbinnen kunnen leven. Smerig en ongewassen zien ze er uit. En toch stralen ze gelatenheid uit, tevredenheid. Voorzieningen zijn er niet in de buurt. Het kerkje staat er vervallen bij en is gesloten. Op een kopie van de rouwkaart aan een staldeur geplakt meldt de familie aan dorpsbewoners dat Dña Manuel Cela López in de leeftijd van 62 jaar is overleden. Bijna mijn leeftijd. Wat doen mensen hier toch in deze godverlatenheid?

Het weer gaat op en af. Poncho aan, poncho uit. Even voor Triacastela gaat Claudia alleen verder. Ik ontbijt er en drink koffie. Na bijna 20 kilometer lopen is dit mijn eerste eten na de banaan en het stuk chocolade vanochtend om 6 uur. Intussen is de zon gaan schijnen en het weer beloofd stabiel te blijven. Ik kies ervoor de route naar het klooster Samos te nemen, ondanks dat mijn gidsje waarschuwt voor de snelweg waarover de route verloopt. Maar mijn gidsje heeft het verkeerd. De route gaat over sappig groene heuvels, door kleine boerendorpjes langs hoeven en kerkjes, over holwegen, beekjes en onder oude eikenbomen door. Puur genot. Na ruim anderhalf uur doemt het kloostercomplex Samos op in het dal beneden me. Een gigantisch complex uit betere tijden. De refugio is onderdeel van het geweldige complex.

6_samosklein                    IMG_10471a 1e zicht op Samos 24e etappe

Marcel, de vrijwilliger ontvangt zijn pelgrims, schrijft in, stempelt af en ratelt onderwijl zijn gebruiksvoorschriften voor gebruik van de refugio en gebedstijden. Ik meld me aan met de aanbevelingsbrief van Dom Korneel om te zien wat de reactie is. Vol interesse leest hij het relaas en biedt me aan in het klooster te overnachten en te eten. Uit praktische overweging vraag ik in de refugio te slapen, maar een rondleiding door het klooster op prijs te stellen. Mijn voorstel wordt geaccepteerd en een tijd afgesproken. De rondleiding door het geweldige complex loont de moeite. Kruisgangen, drie etages hoog, waarvan de muren van de onderste kruisgang over driekwart van het atrium zijn beschilderd met fresco’s uit het leven van sint-Benedictus. In de grote binnentuin die het atrium omsluit staat een meer dan levensgroot beeld van de heilige Benedictus toe te zien op zijn volgelingen. Het kloostercomplex en de grote kloosterkerk zijn typisch benedictijns en variërend van stijl en karakter. De kerk heeft opvallend veel beelden van mannen met grote zwaarden en ongemakkelijke kerkbanken. De gelofte van armoede is niet af te lezen aan het geheel. Ik woon de vespers en aansluitend de eucharistieviering bij. Het is tenslotte Petrus en Paulus vandaag, niet zomaar een feestdag. De 12 monniken zijn niet bij machte de goede toon te houden tijdens het zingen. Zangers kent deze gemeenschap niet. On-benedictijns eigenlijk waar zang ooit zo’n belangrijk selectiecriterium was. Zachtjes zing ik mee, maar het baat al net zo min als het orgel. Ach, het gaat om de intentie. De refugio is voor de helft bezet. Voor het eerst wordt er niet gesnurkt ’s -nachts en ligt iedereen om zes uur in de ochtend nog op bed. Benedictijnse invloeden waarschijnlijk.

Onderweg naar Sarria regent het. De poncho moet er weer aan te pas komen. In Sarria ontbijt ik bij een man die als blanke Zuid-Afrikaan in Spanje woont en aan de straat iedere pelgrim naar zijn eetcafé lokt. Hij is blij met een Nederlander. Zo kan hij zijn Zuid-Afrikaans weer eens gebruiken. Hij verwent me met toast, zelfgebakken tortilla en goede koffie. Vanaf Sarria kan het wel eens druk gaan worden. Bij Sarria begint de 100 kilometergrens. Aan een bureautje in Sarria zijn speciale credencials verkrijgbaar die ook recht geven op overnachting in refugio’s, pelgrimsmenu’s en een Compostelana bij het bereiken van Santiago de Compostela. Vooralsnog heb ik er geen hinder van. De holwegen (die hier Corredoira heten), stapplaatsen over riviertjes en met ommuurde weggetjes van opeengestapelde keien werken als voortdurende tranquillizer. Wat een genot , wat een rust. Zó rustgevend dat ik meer op de omgeving let dan op de bewegwijzering. Totdat een koeienhoedster mij vanuit de verte breed gebarend wijst op mijn dwaling. Een jong Engels stel is mij klakkeloos gevolgd. We keren gezamenlijk terug op onze dwaling en delen onze ervaringen. Op het cruciaal fatale punt blijkt een Golfje de oorzaak te zijn geweest omdat het pal voor de markering staat geparkeerd. Golfjes, altijd een ramp op de weg! Een pad tussen aanhoudend muurtjes van opeengestapelde stenen die als afscheiding voor de weilanden dienen en een lappendeken van weilandjes vormen voert me naar gehuchtjes waar ik de eerste hórreo tegenkom. De boer die zijn koeien blijkbaar naar de wei heeft gebracht legt me uit dat  zo’n hórreo vroeger werd gebruikt om maïs op te slaan en het tegen muizen te beschermen. Daarom is zo’n huisje op platte stenen gezet waardoor muizen deze barriëre niet kunnen nemen. De corredoira wordt vochtiger door de bebossing. Deze weggetjes doen bij regen tevens dienst als waterloop. Ik heb geluk dat het redelijk droog is.

IMG_10549 100km paal 25e etappe Bij het gehucht Brea kom ik aan de 100-kilometerpaal. Belachelijk eigenlijk, maar je trapt er toch in. Inmiddels heb ik ontdekt hoe de zelfontspanner van mij camera werkt en leg ik dit moment dus ook maar vast. Zo werkt het nu eenmaal. De resterende afstand komt me voor als een schijntje. En toch, als ik thuis zou zeggen ,,kom, ik loop even naar Marie-Claire in Haarlem” zou iedereen me voor gek verklaren. Nu telt 100 kilometer schijnbaar niet. Erger nog, ik begin voor het eerst het moment te vrezen dat ik Santiago heb bereikt en mijn zwerven gedaan is. De koffie van Brea wordt zelfs in mijn wandelgidsje aanbevolen. Ik laat deze gelegenheid dus niet schieten. Op het terrasje ontmoet ik twee Nederlandse jongens die vanaf Sarria lopen en een vriendelijke Japanse die in Pamplona is begonnen. Ze werkte als juriste op een makelaarskantoor in New York, maar heeft haar baan eraan gegeven om de stress te ontvluchten, het grote geld te laten wat het is en het leven van de Camino te ondergaan om hierna een ander leven te beginnen. Ze wandelt ook ontstresst, stap voor stap bedachtzaam alsof ze iedere nieuwe stap overweegt. Wonderlijk dat ze in haar tempo toch nog behoorlijke afstanden aflegt. De refugio in Ferreiros is hagelnieuw. Als schoolgebouwtje was het niet rendabel. Het jubeljaar 2004 en het geld van de EEG  hebben veel pijlen, richtingwijzers en nieuwe refugio’s opgeleverd. De verwachtte grote stroom pelgrims is echter uitgebleven vinden de uitbaters. Nou ja, bijna 175.000 is toch geen schijntje. Vermenigvuldig het voorzichtig ingeschat met 20euro per persoon per dag en de camino brengt toch wel op. Om de verwachtte grote stroom op te vangen heeft de overheid van Galicië verschillende nieuwe refugio’s gebouwd en wel op de meest vreemde en onlogische plaatsen. Ze zien er keurig uit, ruim, goede bedden, goed sanitair, en een zitkamer. Overnachten is gratis. Donativo: de gift is vrij. Maar helaas liggen ze verkeer in the middle of no where, zonder verdere voorzieningen. Zondegeld. Als nummer 1 van deze dag zet ik mijn naam en registratie in het boek en zoek een bed bij het raam, gebruik de zuivere douche en doe mijn was. Het dagelijks vaste ritueel van mijn tocht. Met de was aan de lijn lig ik onder een eeuwenoude eikenboom te lezen. Pelgrimeren is meer luxe en genieten dan werken. Er komen steeds meer bekenden van de laatste dagen aan, de refugio loopt snel vol. Het kringetje wordt weer groter. Ferreiros is niet meer dan enkele boerenhoeven en een bar. De plaatselijke waard is ondernemer en weet wat pelgrims nodig hebben. Hij spint er goed garen bij, ondanks prijzen waarvoor je in Nederland amper een pak zout koopt. Claudia komt weer voorbij, we drinken samen koffie. Het gaat goddank beter met haar knie en ze loopt nu meer kilometers om haar Tony in te halen. Liefde is drang en stimulans tot grote daden. Laat in de middag komen twee jonge Duitse vrouwen, ik trof ze eerder aan het diner in Samos. Beiden net afgestudeerd, de ene ooit van de Camino gehoord en samen ongetraind en met bijeengeraapte spullen vanaf León op pad naar Compostela. De beheerster is gearriveerd en controleert het boek en de bedden. Alles is vol, helaas. Maar de beide meisjes zijn totaal uitgeput. De 31 kilometer vanaf Samos hebben hen compleet gesloopt, voeten vol blaren. De negen kilometer naar Portomarín overleven ze niet. Met enige hulp en geleende slaapmatjes mogen ze in de zitkamer op de grond slapen. De kunst is om de andere morgen je slaapmatje onder de dames vandaan zien te krijgen.

Het is een mooie ochtend als ik vroeg richting Portomarín vertrek. De dames slapen door alles heen. Een van de weinige honden die ik op de hele route ben tegengekomen druipt met de staart tussen de benen af wanneer ik aan kom lopen. Ik zie er toch niet gevaarlijker uit dan de doorsnee pelgrim en wil eigenlijk wel eens de confrontatie met een hond aan. Mijn zingen zal hem wel niet bevallen. Cultuurbarbaar. De weggetjes gaan over bochtige corredoira’s en ’n asfaltweg waarover op dit uur van de dag geen mens komt. Een brede baan laaghangende nevel in het dal van Mixó kondigt aan dat ik bij het stuwmeer van Portomarín in de buurt komt. Bij het stuwmeer aangekomen is de nevel opgelost en schijnt de zon ook hier weldadig op het land. De bosweg na Portomarín is drukbevolkt. De 100 slaapplaatsen in het stadje waren goed bezet zo te zien. Om 11 uur ben ik Gonzar. Te vroeg om er te blijven. Ook hier staat weer zo’n mooie refugio van de Galicische overheid in niemandsland. In de schaduw van eikenbomen loop ik verder tussen braam en brem. Het eeuwenoude wegkruis, cruceiro zeggen ze hier, bij Ligonde verhaalt van een rijk roomsch leven. Hoog op zijn ranke pilaar legt het stille getuigenis af van een eeuwenoud geloof. In Eirexe tref ik opeens Willem en Claude op het terras. De toestand van Claude zijn voeten is zo slecht dat ze de race tegen de klok hebben opgegeven. Ik adviseer hem het laatste stuk met bus of taxi af te leggen. Zijn voeten zijn oedemateus en ongezond opgezwollen. Op eigen kracht en in eigen tempo sukkelt hij uiteindelijk verder naar Palas de Rey waar we hem in de refugio zullen treffen. Ik loop met Willem samen op. Palas de Rey heeft niet zoveel te bieden. Zelfs het Big-Ben geluid dat elk kwartier klinkt is nep en komt via een versterker uit luidsprekers op het dak van het gemeentehuis. Helaas liggen gemeentehuis en refugio vlak bij elkaar en blijft het raam ‘s-nachts open om lucht te krijgen. Ik waan me in Londen.

Legende van een kwijnende jonkvrouw: In de nabijheid van Palas de Rei vielen huurlingen herhaaldelijk pelgrims aan en beroofden hen. Hierdoor ontstond de legende van een Franse ridder op pelgrimstocht die was aangevallen en zwaar gewond in een naburig kasteel werd verpleegd, alvorens hij verder kon. Op zijn terugweg bezocht hij weer het kasteel en werd verliefd op de jongste van de twee dochters. Hij trouwde haar en nam haar mee naar zijn kasteel in Frankrijk.
Maar ook de oudste had zich in de ridder verliefd. Zij tuurde iedere morgen uit het raam in de hoop de ridder te zien terugkeren voor haar. Tevergeefs. Zo kwijnde ze weg en op een kwade dag vond men haar dood voor het raam, haar ogen gericht op Frankrijk.

.375_ochtendgloren_12e_etappe_a   Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan. Een prachtige dag, opnieuw. Het lied zit me in het hoofd vandaag en laat me niet los. Wat wil je ook met zo’n schitterende zonsopkomst achter je.

De 29 kilometer naar Arzúa voeren me door een sterk afwisselend landschap. Mooie luchten versterken het decor. Oude dorpjes, veel hórreo’s, oude veldkruizen, Romeinse boogbruggetjes en origineel straatwerk wanen me eeuwen terug op de Camino. De hórreo’s worden steeds fraaier. Het lijken tevens sierraden, naast hun functie voor maïsopslag. Smal, langwerpig van bouw met versierselen aan weerszijde van het puntdak op de korte kant. De wanden bestaan uit open lattenwerk zodat de lucht er doorheen kan en de maxefs niet verstikt. De verhoging waarop de hórreo is gebouwd wordt afgedekt met een grote platte steen om te voorkomen dat muizen bij de maïs kunnen komen. De eerste Eucalyptusbomen beginnen te verschijnen. Ik ruik hun typische geur en raap enkele bladeren op om ze te testen. Fraai zijn de eucalyptusbossen overigens niet. Wat een saaie boel. Gelukkig is het opnieuw een stralende dag. Wat een geluk! Wat een genot! Voorbij Casanova ontbijt ik in ,,Die Zwei Deutsch”. Jonge mensen drijven de eenvoudige bar met veel liefde merk ik. Ze hebben er zelfs een mondje Duits voor geleerd om de naam van hun bar eer aan te doen. Mussen komen met me ontbijten. Brutaal pikken ze aan mijn brood en uit het boterkuipje. Zou ik toch wat Fransiscus in me hebben? Maar Fransiscaan gaat me nog altijd te ver na mijn ervaringen in Weert. Het zit diep.

77_mus_aan_ontbijt_27e_etappekopie_a   De pastoor van Furelos is nog van het degelijke soort; gezet en in vol ornaat. Hij zorgt dat niemand ongezien zijn kerkje voorbij komt en nodigt uit tot binnenkomen waar hij uitlegt waarom zijn Christus aan het kruis met één arm aan het kruis hangt en de andere arm naar omlaag wijst. Zo wil zijn Christus de verbinding vormen tussen hemel en aarde, aldus de pastoor. IMG_10592 kruis Melide 27e etappeVervolgens wijst hij op de ijzeren kist waarop een briefje ,,donativo”; gaven. Een echte pastoor dus, een uitstervend ras. Furelos moet er zuinig op zijn. Waarschijnlijk is de pastoor de verbindende factor tussen hemel en aarde. Een dorpje verderop in Meldide, tref ik plotseling Tony en Claudia die een stempel halen in het plaatselijke dorpskerkje. De kist ,,donativo” zien ze niet staan. Ze hebben elkaar weer getroffen en zullen samen zondag in Santiago zijn. Ik heb besloten mijn best te doen om niet op zondag aan te komen, bang voor de ontluistering en de toeristische attractie die ik er verwacht. Kilometerpalen vertellen me dat het 50 kilometer en minder is naar Santiago de Compostela. Ik begin meer en meer over het naderende einde van mijn tocht na te denken en terug te denken aan wat achter me ligt. Het geeft een dubbel gevoel. Ik ben gehecht geraakt aan het zorgeloos onderweg zijn. Het dagritme, de vrijheid, het zwerversgevoel, de mensen onderweg, al het moois en de afwisseling ieder dag opnieuw. Het grote genieten. Gevoelens die me nooit meer los zullen laten. De weg die me een beetje hervormd heeft, leren genieten en relativeren. Ik merk bij mezelf dat ik al afstand aan het nemen ben. Compostela is weliswaar het eindpunt van deze tocht maar niet het einde. Het leven gaat verder, de tocht gaat verder. Compostela is niet het doel, onderweg zijn is het doel. Al heeft de magie van Compostela aantrekkingskracht, het is deel van de weg.

IMG_10604 drukte bij refugio Arzúa 27e etappe Bij de refugio van Arzúa zit al een rij van 30 mensen. En dat op dit uur. Het is nog maar half twaalf! Even overweeg ik door te lopen, maar de 29 kilometer zijn genoeg en de volgende refugio is 16 kilometer verder. Bovendien heb ik hier met Willem en Claude afgesproken. Ik stel mijn rugzak op in de rij van wachtenden en ga aan de overkant van de straat zitten lezen. Van daaruit observeer ik het haantjesgedrag van mensen in de rij. Er zijn 36 slaapplaatsen in deze herberg, maar verschillende mensen zijn bang een plaats naar achter in de rij te krijgen. Toch typisch gedrag van na de 100 kilometergrens. Geldingsdrang, agressie en de angst tekort te worden gedaan doen zich natuurlijk vaker voor wanneer er teveel mensen bij elkaar komen. Alleen op de camino verwacht ik het niet. Ik was het ook niet gewend. Een groep Spanjaarden met kleine rugzakjes beslaat de eerste tien plaatsen. Vroeg vertrokken en weinig gelopen vandaag waarschijnlijk, bang geen plek te hebben. Ik begin net voor Willem en Claude te vrezen wanneer laatste de hoek om komt gelopen. Hij is toch verstandig geweest, heeft een stukje gelopen en de rest met de bus afgelegd. Ook Willem is nog net op tijd en samen gaan we koffie drinken. De Duitse Mia, alléén op pad vanaf Lourdes via de Somportpas en de beide Janette’s uit Montreal komen erbij, samen gaan we op zoek naar een eetgelegenheid. Onder het eten worden ervaringen uitgewisseld en ieders impact van het naderende einde besproken.

De laatste wandeldag. Met Willem heb ik afgesproken samen met hem de 35 kilometer naar Monte do Gozo te lopen. Claude doet het rustig aan en komt waarschijnlijk maandag in Santiago de Compostela. Het is de laatste dagen steeds later licht. Vandaag is het half zeven en nog zijn de merktekens slecht te zien. Het miezert. Teveel eigenlijk om niets te doen, te weinig om de poncho aan te doen. Boven heeft blijkbaar medelijden met me en moet een beetje huilen om het naderende einde. Ik kan merken niet meer gewend te zijn aan het met tweeën lopen. Mijn tempo moet ik goed in de gaten blijven houden en afstemmen op Willem. Door met tweeën te lopen ontgaat me veel van de omgeving en wat ik tegenkom. Het praten onderweg leidt me af. Ik neem ook vaker pauze dan ik gewend ben. Zingen is er niet bij vandaag. Het restaurant waar we uiteindelijk toch nog koffie krijgen vindt ons duidelijk maar zwervers. Hoe bestaat het, zo vlak aan de camino waar duizenden mensen langskomen die koffie lusten. We zien de kilometertelling gestaag dalen, elke 500 meter melden de betonpaaltjes dat de afstand tot Compostela verder afneemt. Aanvankelijk behoudt het landschap een liefelijk karakter; bebossing, beekdalen en boerendorpjes. Het Eucalyptusbos waar we doorheen lopen geurt weliswaar sterk, maar spreekt weinig tot mijn verbeelding met zijn saaie en stakerig hoge kale bomen. Geleidelijk aan verliest het landschap zijn karakter van liefelijkheid, armoede en gebrek. Huizen worden groter en luxer. We naderen duidelijk een grote stad. Bij het woud aan schijnwerpers voor de startbaan van het vliegveld bij Santiago begin ik elk gevoel van primitief onderweg zijn te verliezen. Een gevoel wat ik niet eerder had, ook niet bij steden als Burgos of León. Het heeft alles te maken met het naderende einde denk ik. Het dorpje Lavacolla probeert me nog even wat van het oude gevoel terug te geven. Vroeger wasten pelgrims zich hier in het beekje met de grote naam Río Lavacolla om schoongewassen in Santiago aan te komen en trokken ze schone kleren aan als ze die wel bij zich hadden. Het beekje stroomt nauwelijks en het water nodigt mij niet uit tot baden. Via nietszeggende straten komen we aan de plaats waar bussen vol picknickende toeristen zich opmaken voor een bezoek aan Santiago of juist zitten bij te komen van de vermoeienissen door de stad te lopen. Het lijkt er de Abdij van Postel op zondagmiddag. Ook de frietkraam ontbreekt niet. Mijn euforie Compostela te naderen zakt verder weg. Hoog op de Monte do Gozo staat het monument, een krulstaart op een veel te grote kolom met bovenop een kruis. Megalomaan en lelijk. Monte do Gozo, Berg van de Vreugde. Mij kan het helaas niet bekoren en ik merk dat er geen vreugde maar een mineurstemming over me komt. Dat wordt ook niet beter wanneer we het complex van Monte do Gozo betreden. Het doet me denken aan de kazerne in Seedorf, de gebouwen als manschappenbarakken, een restaurant als manschappeneetzaal, een kantine, leegstaande winkeltjes. Een geweldig complex met links en rechts van het oplopende middenpad barakken. Heel veel barakken. En logischerwijs zit het aanmeldpunt in de allerlaatste barak. Zo zie je tenminste nog wat van het complex, anders brengt het helemaal niets op. Een bronzen gedenkplaquette vermeld dat het complex is gebouwd in het jubeljaar 1999. Omdat ook paus Johannes Paulus II naar Santiago kwam moest er voor een volksmassa aan onderkomen gezorgd worden. Nu staat het te verintresten. Het zal waarschijnlijk nooit opbrengen wat het kostte aan bouw en onderhoud. Even overwegen we om door te lopen. Het is echter al ver in de middag en nu aankomen in Santiago zou zeker een anticlimax zijn. Geen zondagse mensenmassa rond de kramen op het plein of alleen maar uit op het grote zwaaiende wierookvat, het botafumeiro. Dat willen we ons besparen. De ochtend lijkt me een beter moment. Dus geef ik me over aan het kazerneleven. We krijgen de sleutel van een 8-persoonskamer. Op zich al een teken dat we in een andere wereld zijn beland. Nooit waren refugio’s op slot. Waarschuwingen voor diefstal zoals hier veelvuldig voorkomen waren we ook nooit eerder tegengekomen. Goed van vertrouwen als we zijn blijkt dat de wielrenners die aanvankelijk ook op onze kamer lagen na hun slaapje vertrokken zijn en daarbij ook Willem zijn dure shirt maar hebben meegenomen. De anticlimax zakt naar nul. In de zelfbedieningseetzaal zonder smaak is soortgelijk voedsel te verkrijgen. Te groot, te saai, te onpersoonlijk. Vlug eten is het devies. Ik tref er ook nauwelijks nog bekenden van onderweg. Het routegevoel daalt onder nul. Tot mijn verbazing tref ik bij terugkomst in onze barak de Duitser Martin aan die ik eerder in Foncabedón ontmoette. We praten wat bij en leggen ons te rusten. Wij op het matras, Martin op een isolatiedeken want hij is bang dat het matras niet zuiver is. Behalve dat hij snurkt, kraakt zijn isolatielaag bij elke beweging die hij maakt. Na enkele keren uit bed te zijn gestapt om voorzichtig aan zijn bed te rammelen krijg ik hem stil.

Om zeven uur de andere ochtend stappen we op voor de laatste vijf kilometer naar Santiago. Het weer is redelijk, maar de torens van de kathedraal komen niet boven de bebouwing uit. Naast een drukke weg lopend belanden we in de voorstad van Santiago waar bedrijvigheid en trubbels overheersen. In een bar ontbijten we. Door de Porta do Camino betreden we het oude stadsdeel. Niets wijst op het betreden van een heiligdom waar respect uit spreekt voor iemand die er zoveel honderden kilometer voor heeft gelopen. Passanten lopen gehaast voorbij en kijken niet op van wéér twee wandelaars die de kathedraal schijnbaar niet kunnen vinden.

   651 ik voor kathedraal 4 julikopie

Goed geluk brengt ons bij de kathedraal, hier geen mooie koperen schelpen in het wegdek. Juist wanneer ik mijn gidsje pak om de plattegrond te bestuderen komen Hubert en Jacqueline om de hoek. Een fijn weerzien met aardige mensen. Door problemen met zijn voeten heeft Hubert rust moeten nemen en hebben ze een stuk met het openbaar vervoer gereisd. Tot grote verrassing komt ook Claude het straatje in gelopen. Als bij wonder is het groepje op de valreep compleet. Samen lopen we de hoek om waar de kathedraal in al zijn majesteit oprijst. Er zijn nog maar weinig mensen op het plein.

Ik besef dat ik er ben. Deze weg is ten einde. Zonder ontroering of uitgelaten blijdschap. Zonder het gevoel een prestatie te hebben geleverd. Ik vind het eerder jammer dat ik er ben. De fotosessie wordt meteen maar afgewerkt, nu zijn er nog niet zoveel mensen op het plein. Gezamenlijk gaan we naar het Oficina de Peregrinos om meteen onze credencial te laten afstempelen en de Compstela in ontvangst te nemen. Maar het bureau gaat pas om negen uur open, dus zetten we ons op de stoep en nemen alle tijd om ervaringen uit te wisselen. Binnen een kwartier is de groep bekenden uitgegroeid. Als bij toverslag komen ze uit alle hoeken en gaten opdagen. De meeste zijn gisteren al aangekomen en komen nu alleen maar kijken of ze bekenden treffen. Ze vertellen me dat Claudia en Tony op tijd waren en inmiddels al zijn vertrokken. Ik moet de hartelijke groeten hebben. Hun e-mailadres heb ik. De dames van het Oficina de Peregrinos doen hun werk zeker en grondig. De credencial wordt bestudeerd, aanvullende vragen gesteld en uiteindelijk wordt de Compostela ingevuld. Alles in het Latijn, want zo’n bewijs is niet zomaar iets: ,,Dominum Andreum Witlox heeft de heilige tempel met vroom oogmerk bezocht op de 4e  dag van de maand juli in het jaar des heren 2005”. 

Eindstempelklein   We hebben koffie verdiend. De groep blijft groeien en samen bespreken we wat ons heeft beziggehouden en wat ons op dit moment bindt. Het merendeel heeft het er nu op zitten. Sommigen nemen morgen de bus naar Cabo Fisterra. Het was aanvankelijk ook mijn plan, maar gaandeweg heb ik me steeds indringender lopen afvragen wat zo’n busreisje naar het strand nog zou toevoegen aan mijn gevoel van de Camino en van Santiago de Compostela. Ik kan niet de traditie van de pelgrim van eeuwen terug hebben, niet nadoen en moet dat ook niet willen, besef ik. Aan gekunsteld sentiment doe ik niet, al mag eenieder daar zijn eigen gevoelens bij hebben. Ik heb er trouwens ook geen kleding voor over om er te verbranden, zoals het traditie is geworden. Lang pieker ik er niet over. Willem wil zo vlug mogelijk terug en ik besluit met hem mee te gaan. We gaan naar het busstation en boeken de terugreis, morgen om 12 uur gaat er al een bus. Ik ben in Compostela en wil er weg voordat het een gewone alledaagse stad wordt waar commercie in kerk en kroeg de hoofdrol speelt. Santiago de Compostela moet iets magisch blijven houden. De droom kan niet zomaar over raken en eindigen in een gewone goedkope mensenwereld van toeristen en stalletjes of klerikaal verval. Tenminste vandaag wil ik de sfeer blijven proeven en ondergaan van dat oude Compostela; de weg naar het Sterrenveld gevolgd tot waar de ster bleef stille staan. Tenminste vandaag wil ik medepelgrims die ik op mijn weg ontmoet heb terugzien en groeten. De meeste voor altijd.

Snel vinden we een slaapplaats vlak achter de kathedraal. De kamer in de oude binnenstad kijkt uit op de torens van de kathedraal. Er is weinig bedrijvigheid in het straatje. De Via Sacra nodigt mensen schijnbaar niet uit het hogerop te zoeken. Af en toe zie ik ’n pelgrim lopen die op zoek is naar het pelgrimsbureau om het ,,diploma” af te halen. Ik ga op tijd naar de kathedraal om er de eucharistieviering van 12 uur bij te wonen en loop er wat rond voor de eerste indrukken. Vanmiddag kom ik wel terug om alles rustig te bekijken. De kerk raakt redelijk gevuld met pelgrims en toeristen. Je ziet zo wie pelgrim is en wie toerist. Ik schaar me in de zijbeuk in een bank. De kloosterzuster die voor aanvang van de dienst het kerkvolk aanspoort om het Ubi Caritas et Amor  mee te oefenen slaagt daar niet in, ondanks haar enthousiasme. Breed zwaaiend wil ze de mensen enthousiasmeren, maar in onze zijbeuk ben ik de enige die meezingt. Voor mij heeft het lied en de tekst dan ook speciale betekenis gekregen op de Camino. Maar voor het kerkvolk had de Kerk het beter bij deze eenvoudige boodschap uit dit lied moeten laten; Vriendschap en Liefde. Had zij er verstandiger aan gedaan alles niet zo nodeloos ingewikkeld te maken.

Als ik iets heb ondervonden en geleerd op mijn tocht dan is het dat God in jezelf zit en dat daar waar Vriendschap is en Liefde tussen mensen een God is. Ook al heet die God jan of piet of maken wij mensen hem zelf. De eenvoudige boodschap gaat eenvoudigweg van mens tot mens en is wederkerig in een juiste ,,chemie”. Niemand gelooft omdát God bestaat, God bestaat, áls je gelooft. De consequentie daarvan neemt men er graag bij en het instituut Kerk neemt daarin het voortouw; want hun God heeft aan iets bijgedragen als de uitkomst positief is en wanneer de uitkomst negatief is heeft Hij er andere bedoelingen mee gehad…… Ergo, God krijgt door de Kerk enkel toebedeeld wat goed is. Vandaar dat God, in hun ogen, enkel goed is. Mensen in al hun ellende die zich hartverscheurend afvragen waar God was toen hen die ellende overkwam, krijgen dus als troost dat God daar Zijn bedoeling mee heeft gehad. Hoe is het mogelijk!! Dit simpele gegeven geeft me mijn rijke gevoel terug. Het rijke gevoel van wat ik eigenlijk wist en onderweg heb kunnen herontdekken. De Camino was een test, de ondervinding een les, de ervaringen een gevoel. Ik hoef nu alleen maar te bepalen wat ik met dat alles wil doen. Ieder mens die de moed heeft de confrontatie met zichzelf aan te gaan, alleen te durven staan en het diepste in zichzelf te beleven komt religiositeit tegen en ervaart daarin iets als een God of iets Oneindigs of wat voor naam je er ook aan wilt geven. Omdat ieder mens in zich religieus is. Al lopende ben ik het steeds dieper gaan betreuren dat de Kerk dit gegeven zo heeft misbruikt voor eigen gewin en eigen gelijk. De viering gaat voor een groot deel aan me voorbij. Geen vonken die overspringen. Geen inspiratie zoals in de refugio’s, de eenvoudige kerkjes onderweg tussen medepelgrims of oude vrouwtjes vaak wel het geval was. Vier weken lang heb ik als een spons alles opgezogen wat op mijn weg kwam. Ik heb de streek, de natuur, de mensen en hun cultuur gevoeld, zien veranderen en in me kunnen opnemen. Lopen geeft je de tijd om alles goed in je op te nemen, te overdenken, te verwerken en het een plaats te geven in je leven. Wandelaar was ik, pelgrim ben ik geworden.

In de kerkbank zittend denk ik terug aan het begin van mijn tocht. De tegenvallers. De keuze om het anders te doen. De mooie tijden daarna en het geweldige genieten. De keuze om alleen verder over de Spaanse camino te trekken. De klim in de Pyreneeën, Navarra met zijn wonderlijk mooi landschap, de wijngaarden van Rioja, de Meseta die zo meevalt als je op iets ergs bent voorbereid, Sahagún waar ik zo benieuwd was naar de plaats van de heilige Joannis a santo Facundo en de ellendige geestdodende vlakte erna, de wonderlijke ruimte in de kathedraal van León, alle eenvoud en vriendelijkheid onderweg en de groei naar een anticlimax op het einde. Tussen het nadenken door zing ik uit volle borst de Latijnse gezangen mee, uit solidariteit en ter ondersteuning van de zuster die zo haar best doet. Ik maak ook beter onderdeel uit van het geheel als ik wat te doen heb in de kerk, passiviteit is de dood in mijn pot.

Santiago de Compostela was de droom en de rede. Aan beide is voldaan zonder op een eindpunt te zijn aangekomen. Onze tocht gaat verder. Ons leven gaat door. Onze Camino gaat verder als onuitwisbaar onderdeel van ons leven. Na de eucharistieviering zwerf ik door de stad en probeer me voor te stellen hoe Compostela er ooit in het begin moet hebben uitgezien. Maar de stad is teveel een stad geworden van commercie rond de vermeende botten van San Iago. Toeristen laten zich de vermakelijkheden uitleggen. Lachen is gezond. Ik keer terug naar de kathedraal. Op de Praza do Obradoiro, het plein genoemd naar de barokke voorgevel van de kathedraal loopt een groepje toeristen. Vaganten, studenten met een opvallend oud hoofd voor een student proberen hun Cd’s met tuna muziek aan de man te brengen. Enkele ouderen vrouwen doen nog verwoede pogingen pelgrims naar hun kamers te lokken. Ik ga de kathedraal binnen door de Pórtico de la Gloria, Romaans en rijk aan beeldhouwwerk van Meester Matéo. Een meesterwerk. Binnen het portaal zit de apostel Jacobus aan de middenzuil. Christus op zijn troon kijkt van bovenaf toe. Het looppad naar de middenzuil is met lint uitgezet om het volk in goede banen te leiden. Ik ontmoet er de vriendelijke Japanse opnieuw. Ze is dus ook al gearriveerd. Samen bekijken we het rijk versierde portaal en genieten van het moois. Ze biedt aan een foto van me te maken terwijl ik mijn vingers in de uitgesleten uitsparingen aan de zuil leg. Ik besef dat dit ritueel erbij hoort en laat me vastleggen. Wanneer zij haar vingers in de zuil legt, wordt het haar te machtig en ontlaadt zich de emotie van haar Camino. Mijn gemoed schiet even vol, ik heb met haar te doen. Mijn carriëre is goed geëindigd, zij moet haar weg nog vinden. San Iago, met de gelijkenis van zijn schepper Meester Matéo, blijft er steenkoud onder. In de koepel hangt het mechanisme en de touwen waarmee het mansgrote wierookvat het Botafumeiro door de kerk wordt gezwaaid. Alleen op feestdagen en als er flink voor betaald wordt. Het hoort bij de kermis. Aan het omarmingsritueel onttrek ik me. Het zou geen ritueel zijn. San Iago zal ongetwijfeld met mij verheugd zijn dat dit deel van mijn tocht zo voorspoedig is verlopen en een goed einde krijgt. Het beeld en zijn entourage glimt en schittert mij teveel. Er zijn geen gegadigden om het beeld van de apostel te omarmen, maar die komt toch niet aan belangstelling tekort. In de crypte onder het hoofdaltaar in een zilveren schrijn zou zich het gebeente van de apostel bevinden. Zélfs de steen waaraan de discipelen het schip met het stoffelijke overschot van Jacobus zouden hebben vastgelegd is bewaard gebleven. De plaats waar men het graf vond heette aanvankelijk ,,Locus Arcis Marmoricis” de plaats van het laat-Romeinse marmeren graf. Later is het ,,Locus Sancti Iacobi” genoemd. Halverwege de 9e eeuw heeft er een klein mausoleum gestaan met daaraan vastgebouwd de Jacobuskerk, het paleis van de bisschop, een kerk van Johannes de Doper en een derde kerk die door monniken van het klooster Antealtare werd gebruikt. In 899 werd het kleine kerkje vervangen door een driebeukige Jacobusbasiliek. De stad heette toen nog Compostela. Pas rond 1150 is de stad naar San Iago, Santiago de Compostela genoemd. In 1075 wordt begonnen met een nóg grotere kerk te bouwen omdat er steeds meer pelgrims komen. In 1128 is de kerk voltooid en goedgekeurd volgens de Codex Calixtinus. Zoals met alle kathedralen van betekenis het geval is, zo is ook de bouw van de kathedraal van Santiago de Compostela een continuing story.  IMG_10757a rugzak hostal 5 juni

De laatste avond brengen Willem en ik samen door op een terrasje vlak bij het hostal. Het is er gezellig. Jonge en oudere mensen vormen een muziekgroepje. Geregeld komt er een nieuwe bij, sluit aan en doet mee. Hun Keltisch aandoende muziek kent vele herhalingen en meeslepende melancholie. Ze hebben er genoegen in. Talent is een voortvloeisel van wat je graag doet, bedenk ik hier. Het is rustig in de stad. Pelgrims en toeristen zijn ergens onder dak. De kathedraal ligt er verlaten bij. Vanuit mijn raam zie ik de verlichte contouren van de torens afsteken tegen de nacht. Morgen is het voorbij. De droom is gedroomd. Ik heb mijn Camino gelopen, mijn schelp naar Compostela gebracht. De weg heeft me geslepen tot wandelaar en gevormd tot pelgrim. Ik heb mezelf ervaren in mezelf in anderen en anderen in mezelf. Ik ben mezelf tegengekomen en heb ervan geleerd. Verwondering was mijn deel.

Ik heb de route ondergaan tot in mijn diepste vezels, elk spoor staat gegrift in mijn gedachte. Ik heb volop genoten van de natuur in zijn voortdurend wisselende gedaanten. Cultuur en bouwkunst heb ik in mij opgenomen en toegevoegd aan waar ik van kan blijven genieten. Stilte en inkeer heb ik gezocht en de rijkdom ervan ervaren. Ik heb het allemaal beleefd, het ondergaan en toegevoegd aan de rijkdom van mijn leven. Het zal me altijd bijblijven. Iedere dag. Dankbaar ben ik dat ik dit mocht doen, dankbaar ben ik dat het me gegeven is om het te kúnnen doen.

Ik voel me ongelofelijk rijk.

85_credencialkopie_a 

86_compostelanakopie_a 

84_jet_ik_6_junikopie_a

IMG_3513 André Witlox_Jacobsschelp roodkoper

c-oranjemannetjeloopt    c-oranjemannetjelooptc-oranjemannetjeloopt  c-oranjemannetjeloopt    c-oranjemannetjelooptc-oranjemannetjeloopt c-oranjemannetjeloopt

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie