DEEL 1 ’s -Hertogenbosch – Stenay

route 3 den bosch - le puykopie En zo vertrek ik op 29 maart vol goede moed op weg voor de eerste etappe naar Veghel. Henny loopt mee deze dag. Onderweg in Middelrode wacht zus Jo om een eind mee te lopen.

05_henny_jo Motregen en zon wisselen elkaar die dag af, uiteindelijk wint de zon. In Veghel eten we wat en gaan ze met de bus terug. Ik loop door naar mijn zwager, waar ik eet en de avond en nacht doorbreng. Het begin is gemaakt. De dag erop is een heerlijk frisse dag met volop zon. Zingend in mijzelf loop ik richting Erp en Handel. Onderweg van Veghel over Het Ham houdt de ziekte en het overlijden van zus Jeanne, inmiddels alweer vier jaar geleden, me voortdurend bezig. Haar jarenlange ziekteproces waar ik zo bij betrokken was en de bewonderenswaardige manier waarop ze met haar ziekte en toenemende beperkingen omging. ,,Ook mijn zwaarste uur duurde maar 60 minuten”, moest ik op haar gedachtenisprentje schrijven. Ze was de tweede van ons gezin met negen broers en zussen die relatief jong stierf. Vorig jaar september overleed de derde, mijn jongste broer plotseling tijdens zijn marathontraining. IMG_3513 André Witlox_Jacobsschelp roodkoperVlak voor zijn overlijden gaf hij me zijn advies als edelsmid toen ikzelf uit roodkoper een jacobsschelp ging maken die ik op mijn rugzak mee zou gaan dragen. Ik droeg de schelp uiteindelijk als gedachtenis aan hem naar Compostela. Het doet me pijnlijk beseffen hoe betrekkelijk alles is en hoe belangrijk om iedere dag uit het leven te halen wat erin zit. Door Erp lopend filmt mijn betrokkenheid bij Simeonshof door me heen, de vele jaren van hard werken, stimulerend leiding geven, er voortdurend willen zijn voor anderen en de geweldige mensen die er met me samenwerkte om een ideaal van mens nabije zorg te verwerkelijken. Wat ik er heb kunnen betekenen voor mensen werd duidelijk bij mijn afscheid. Opnieuw voel ik me rijk. Was het Kierkegaard die zei dat een leven voorwaarts geleefd wordt, maar achterwaarts wordt begrepen?

07 kapel Esdonk  Voorbij Boerdonk kies ik ervoor om langs het ,,Spijkerkapelleke” van Esdonk te lopen en er een grote noveenkaars te offeren op het goede verloop van mijn tocht. Soms is het nu eenmaal verstandig vooraf ruim te investeren, ook heb je zo je twijfels. In de rust van het oude kapelletje moet ik denken aan onze goede pater Leopold Verhagen O.S.A., die er jarenlang zijn preken hield op die ene dag in het jaar dat gelovige boeren en burgers uit de omtrek er een openluchtmis kwamen bijwonen. Leopold paste in dat geheel, zoals hij eigenlijk in elk geheel paste. Hagepreken, lijken het vandaag de dag. Zo ging dat nog in die tijd met dit soort mensen die als factotum golden en daar voor wilde uitkomen ook. Al herinner ik me levendig uit die tijd dat zijn eerwaarde medebroeders nogal misnoegd deden over zijn speciale televisiehabijt. Ook monniken is niets menselijks vreemd. Bij Maria in Handel leg ik mijn verzoek om een behouden tocht neer en bezegel het met een bescheiden kaarsje. Samen met de Christoffel ooit door mijn moeder uit Lourdes meegebracht die zus Toos me gaf, de Christoffel van zus Tine, de Christoffelprentjes van Isaac en zijn moeder en de gelukssteen van Marie-Claire moet het toch een eind gaan lukken. Ik overnacht gastvrij bij Truus en Jack. Ze verwennen me met een heerlijke maaltijd en een gezellige avond, waarin we kunnen delen wat ons bezighoud. De volgende morgen laat ik bij de schoenmaker in Gemert eerst mijn nieuwe inlegzolen beter op maat maken, ze zitten niet lekker. De plensbui van Gemert naar Bakel deert me niet. Ik kan mijn poncho uittesten en bevestigen dat ik eronder net zo nat word als erboven vanwege de condens. Na regen komt altijd zonneschijn, ook tussen Bakel en Deurne. Zingend trek ik Deurne binnen en ga op zoek naar eten. Terwijl ik op een terrasje in het centrum van Deurne koffie drink voel ik me opnieuw rijk. Ik moet er denken aan dokter Wiegersma die er woonde, werkte en op zijn eigen wijze invulling gaf aan zijn huisartspraktijk waardoor mensen hem nu nog bewonderen. Een legende bijna, waar tref je ze nog. Vrijheid en genieten van alles wat ik tegenkom, ik voel me zo rijk. Ontmoeten, ont- moeten en niets moeten. Meneer Van der Eijnden, die aan de schelp op mijn rugzak de conclusie trekt dat ik onderweg ben naar Santiago, vraagt me om hem een kaartje te sturen als ik eenmaal ben aangekomen. Ik heb het uiteindelijk natuurlijk gedaan. Aan een spontaan verzoek voldoe je. Alleen al daarom zou je naar Santiago de Compostela lopen. Schooljongens vergezellen me van Deurne tot Liessel. Ze hebben nog nooit iemand met zo een zware rugzak zien slepen en hij loopt ook nog zo hard vinden ze. Van Compostela hebben ze nog nooit gehoord. Hevig geïnteresseerd naast me fietsend, absorberen ze het verhaal van de sterrenweg en de apostel die aanspoelt waardoor al 1200 jaar mensen overal vandaan naar Compostela lopen. Ze zijn zichtbaar trots dat deze pelgrim hun dorp heef uitgekozen om er te overnachten. Ze vinden dat ik een boek moet schrijven over de tocht, de sterrenweg, de apostel en of zij er dan ook in mogen voorkomen. Natuurlijk. wanneer het een boek zou worden zouden zij er zelfs prominent in voorkomen als geïnteresseerde ,,Peelreuzen”.

07_schooljongens_liessel_a Parmantig en broederlijk poseren ze voor de foto die in het boek moet komen. Bij de Liesselse kerk nemen ze gehaast afscheid om hun ongeruste moeders te gaan vertellen waarom ze zo laat thuis zijn en wat ze hebben meegemaakt onderweg. In een vreemde streek verwacht je geen bekenden tegen te komen. Als dat dan toch gebeurt, is de verrassing des te groter. Wim, bekend vanuit mijn vroegere werk en zijn vrouw, toevallig een nicht van Henny, fietsen me achterop en kijken verbaasd naar de wandelaar met zijn grote rugzak. Om dan tot de ontdekking te komen wie er schuilgaat achter die rugzak. Het hoort bij de eerste verrassingen. De boerencamping biedt me gelegenheid in een appartementje te overnachten. Een verbouwde varkensstal met kamertjes als in een verzorgingshuis. Maar comfortabeler dan de tent, dus neem ik het aanbod van de vriendelijke eigenares met graagte aan. De weg naar Weert is lang maar afwisselend. Het peellandschap verandert geleidelijk van karakter. De voorjaarszon geeft alles een vriendelijke uitstraling. Vlak voor Nederweert wordt ik van achter aangeroepen. In hoog tempo komen twee mannen aangestapt om te informeren waarheen de tocht gaat. Mijn stevige rugzak heeft hun interesse gewekt. Zelf gaan ze over enkele dagen op weg naar Rome. Dat het mijn tweede bekende is in twee dagen moet als volgend toeval worden bijgeschreven. Sommigen zeggen dat toeval niet bestaat. Ik zou geen betere uitleg weten te bedenken als dat toeval, toeval is. Al lopend heb ik erover nagedacht en ben tot de slotsom gekomen dat je kunt aannemen, geloven, dat toeval niet bestaat. Dat alles is voorbestemd, maar dat is mij te simpel. Toeval moet je gewoon toeval laten. Letterlijk: het valt je toe. Iets bestaat omdat het bestaat, niet omdat je erin gelooft. Van diverse kanten, zojuist nog door de twee wandelaars, is me het klooster van de Franciscanen in Weert als goede overnachtingplaats aanbevolen. Het was al mijn plan om daar aan te kloppen en dus voel ik me versterkt. Ik heb me voorgenomen nergens gebruik te maken van mijn telefoon om zo een slaapplaats te regelen, dan stop ik er nog liever mee. Om de franciscanen duidelijk aan te geven wat ik aan het doen ben, doe ik de jakobsschelp om mijn nek. Vol vertrouwen meld ik me aan een balie bij de receptioniste van het klooster. Een groot deel van het kolossale pand is als kloosterbejaardenoord verbouwd merk ik. Gelijktijdig met mijn aanmelding komt een pater op mij af, om op niet al te vriendelijke toon te informeren wat ik kom doen. Blijkbaar is de rugzak en de schelp die ik draag niet voldoende. Dus leg ik uit op weg te zijn naar Santiago en het klooster heb aanbevolen gekregen om te overnachten. Ter bekrachtiging en op zijn vraag wie me verwees laat ik de geloofsbrief van Dom Korneel, abt van Koningshoeven, zien. Waarop een hel losbarst aan onduidelijke verwijten aan het adres van de trappisten en afwijzingen. Verbouwereerd wacht ik af, maar de pater blijft grommen en mopperen en weigert me onderdak. Ik heb de verkeerde vraag gesteld merk ik bescheiden op en vertrek. Vergezeld van de ,,eerwaarde” die intussen mopperend zijn afwijzing probeert goed te praten, terwijl hij aan het poortgebouw gekomen een deur opent om er binnen te gaan. Naast de deur een bord ,,gastenverblijf”! Wat zal zijn stichter hiervan vinden? Mijn vertrouwen in de clerus was al verzwakt door alle perikelen in de Kerk, maar heeft er nu een forse deuk bij gekregen merk ik aan mezelf. Als ik God was, bedenk ik me, zou ik mezelf het meest ergeren aan hen die beweren namens Mij te spreken. Het zijn vaak de grootste godlasteraars, preken het goede en doen zelf het verkeerde. Ik vind onderdak bij bijzonder aardige mensen via mijn lidmaatschap ,,Vrienden op de fiets” en breng er een gezellige avond door met een goede maaltijd. Een hekel aan fietsen, maar wel lid. ’s -Avonds in bed houdt de affaire me steeds bezig, maar troost ik me in het verhaal van de Indiaan die bij God aankomt en zegt: ,, het spijt me, maar ik heb nooit van U gehoord, ik heb mijn hele leven de zon aanbeden”. Waarop God antwoord: ,,geeft niet, wat je voor de zon deed, heb je voor mij gedaan”. Ongetwijfeld zijn er ook veel indiaanse franciscanen.

De weg naar Maaseik is weinig afwisselend. Voortdurend langs de autoweg, hoewel er in alle vroegte nog weinig verkeer is. In de bibliotheek van Kinrooi mag ik van de bibliotheek mevrouw de computer gebruiken en kan ik de eerste bladzijde aan mijn web-log toevoegen zodat het thuisfront mijn belevingen kan volgen. Het is stralend mooi weer. Het lopen gaat goed, al weegt de rugzak vandaag zwaarder dan gister. Met hetzelfde aan gewicht wisselt dat gewichtsgevoel per dag. Op het middaguur bereik ik Maaseik. Ik neem aan dat de zusters eten op dit moment. Dus drink ik eerst koffie en eet een broodje op een van de gezellige terrassen in de oude stadskern onder het toeziende oog van een standbeeld van de gebroeders Van Eyck. De zusters hebben onlangs een refugio geopend en maken reclame in ,,De Jakobsstaf”. Maar mijn eerste poging me aan te melden levert niets op. Misschien dutten ze inmiddels, ik loop een rondje door het stadje. Ook even later krijg ik geen leven in het kloostercomplex. Misschien is het complex te groot. Ook de derde, vierde en vijfde poging brengen geen leven in het complex. Even overweeg ik aan te kloppen aan het complex van de Kruisheren, maar de uitstraling van het gebouw alleen al doet me besluiten het maar niet te proberen. Via de VVV vind ik onderdak bij aardige mensen in hun bungalowtje even buiten het stadje. Mevrouw is blij met haar gast. Manlief is voortdurend van huis om te bridge en zij zit alleen thuis, terwijl ze zo toch graag met mensen praat. Een geweldige maaltijd en koffie zijn de dank voor het urenlang aanhoren van mevrouw haar verhalen. Met de grootste moeite kan ik me in de avond vrijmaken om te gaan slapen. In alle vroegte verzorgt mevrouw mijn ontbijt. Uitgebreid. Te uitgebreid eigenlijk voor een pelgrim die verder wil. ,,Allee, ge moet goe eten”. De afstand naar Maastricht is groot en het zal een warme dag worden. De rugzak hangt zwaar tegen mijn bezwete rug. Maar de Maas die met regelmaat opduikt en het afwisselende landschap zorgen voor voldoende afleiding.

05 Maastricht kerk en ballonIn de middag bereik ik Maastricht. Een plein vol kinderen herdenkt er Toon Hermans door het oplaten van ballonnen en het meezingen van Toon zijn pakkende liedjes. Ik meld me aan de Kathedraal voor een stempel op mijn Credencial en hoor van de man dat paus Johannes Paulus II vandaag is overleden. Gelukkig. Daarmee komt er een eind aan de zielige vertoning van deze zieke man op het bordes van het Vaticaan en alle speculaties rond zijn mentale bekwaamheden. Deze paus heeft de Kerk in zijn lange regeerperiode weten te restaureren tot een bolwerk van conservatisme, waarin mensen die zelf kunnen nadenken geen plaats meer vinden. Zijn Kerk miste elke aansluiting bij ons tijdsgewricht, ontwikkelingen en werkelijke behoeften van mensen die in hun aard behoefte hebben aan religie en geloof. Het veranderend geloven in onze Westerse samenleving leidde ertoe dat hij zijn Kerk verplaatste naar arme landen waar mensen gemakkelijker aannemen wat de Kerk wil dat ze aannemen. Hij is de paus van de gemiste kansen, hoewel hij en de zijne van mening zijn dat mensen ooit zullen terugkeren tot een geloof zoals de Kerk dat voor hen bedenkt en voorhoudt. Gewoon, omdat de tijd zich herhaalt en mensen al zolang er mensen zijn, intrinsiek de behoefte hebben gehad in mystiek te geloven. ,,De tijd zal ons zoals altijd in het gelijk stellen”, zei de aartsconservatieve bisschop Ter Schure eens tegen me in een persoonlijk gesprek. Een soort Wet der Wederkerigheid. Zijn paus en hij zullen waarschijnlijk gelijk krijgen, al zal ik het niet meer meemaken. Zij trouwens ook niet. Dogma’s raken mensen nu eenmaal niet in hun harten. En aangezien het nu eenmaal niet mogelijk is dat elke religie het gelijk aan zijn kant heeft, lijkt de enig juiste conclusie dat ze allemaal ongelijk moeten hebben.
Anderzijds was het evenwel ook de paus die het Oostblok deed instorten en bruggen bouwde tussen de verschillende religies. Eenrichtingsbruggen, waarbij hij jammer genoeg niet naliet te benadrukken dat het Roomse geloof het enig ware geloof is. Toenemende afkeer, ongeloof en ontkerkelijking zijn een antwoord op de starheid en behoudzucht binnen de Kerk. Ik houd het dan liever bij de uitspraak van Mgr. Bluyssen: ,,Als de Kerk niet menselijker wordt, worden de mensen niet kerkelijker”.
Wat me zo tegenstaat in de Kerk zijn mensen als paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en kloosterlingen die hun waarheid uitdragen alsof ze met God of Jezus op school hebben gezeten en zojuist nog hebben gesproken. Geef mij dan maar mensen van het soort Bluijssen of Peerke Donders.
De man aan de kathedraal vraagt me terug te komen. Op vertoon van mijn Credencial mag ik gratis het museum bezoeken. Ik ga op zoek naar het hostal waar ik wil overnachten. Op Internet maken ze goede reclame. Na enkele pogingen krijg ik te horen dat ze geen zin hebben mensen te ontvangen. Of ik het enkele straten verderop wil proberen. Daar lukt het voor 50euro een ongezellige kamer te bemachtigen. Een stalen douchebak zonder gordijn staat in de kamer en is het enige sanitair. Even overweeg ik de kloosters te proberen in de stad. Maar kloosters geven me geen goed gevoel meer, de gedachte alleen al maakt me ongelukkig en onzeker. Ik was mezelf en ga de stad in. Het is koopzondag, stralend weer. De stad wemelt van mensen op zoek naar alles wat ze al hebben, maar wat juist op zondag gekocht moet worden. De terrasjes op het Vrijthof zitten vol, er is van alles te doen. Het is er gezellig. Goverdien belt hoe het gaat. Voor het eerst voel ik me alleen. Ik eet wat en ga vroeg slapen. Morgen wil ik voorbij Luik geraken en de Ourthe oppikken.

09 maretak aVroeg verlaat ik Maastricht en kom langs bomen die volhangen met maretak. Met de trein omzeil ik een stuk van Luik. Vanaf het station zoek ik de boorden van de Ourthe op en blijf de rivier zoveel mogelijk volgen. Even buiten Luik raak ik verstrikt in snelwegen en viaducten. Het lukt me uiteindelijk om via mijn landkaartje en de zon de boorden van de Ourthe terug te vinden. Een man en zijn vrouw spreken me aan. Hij wil in augustus naar Compostela lopen en wil nog enkele tips. Zekerheden. Vlak voor Esneux volg ik het eerste het beste bordje wat naar een camping verwijst in de hoop dat deze niet al te ver uit de richting ligt. Een vriendelijke restauranteigenaar verteld me dat de camping zowat om de hoek ligt. Ik drink koffie en zoek de camping op. Behalve een echtpaar in hun caravan met twee zonen in een tent is het hele terrein leeg. Ik kan kiezen en sla mijn tentje op aan de zoom van de Ourthe, vlak aan de achteruitgang. Mensen om wat mee te praten zijn er niet. Ik besluit het maar eens in de kantine te gaan proberen. Behalve de eigenaresse is er niemand. Terwijl ik koffie met haar drink verteld ze me dat ik de andere morgen het best rechtsaf tegen de stroom in kan gaan om op mijn route naar Hamoir te komen. Een mooie route en niet om. Ik kan er krant lezen en het journaal kijken in de kantine. Maar het interesseert me niet zo. De overleden paus en het journalistieke gedelibereer over zijn opvolging houden mij niet bezig. Journalisten hebben zelden gelijk als het conclaaf moet kiezen. Ik houd me beter bezig met de route van morgen en lig wat in de tent naar de wind te luisteren. Het is precies als vroeger bij de verkenners, alleen heb ik nu de tent voor mijzelf alleen. Alleen. Het houdt me aldoor indringender bezig. De hele dag alleen te lopen is niet erg. Je loopt je eigen tempo, kijkt naar dingen die je interesseren, stopt wanneer je wilt. De dag zit vol afwisselingen. Maar de tijd die je niet loopt vergaat traag. Hoe mooi was het vandaag door Zuid Limburg en langs de oever van de Ourthe te lopen. Maar tegen wie kan ik dat zeggen en met wie overleggen? Mijn Frans is abominabel en Franse conversatie is vanaf nu een must en tevens dus een fors probleem. Mijn aantekeningenboekje is geduldig. Ik besef dat het niet mee zal vallen om zo maanden alleen rond te dolen. Maar misschien verandert dat morgen. Ik zag het toch als een uitdaging om alleen op pad te gaan? Ik was toch van mening best drie maanden alleen aan te kunnen, zonder gebonden te zijn aan anderen? Zag ik er niet naar uit? Maar knaagde de onzekerheid die me nu steeds vaker overvalt niet aldoor? Nadat ik bij de vriendelijke restauranteigenaar heb gegeten begint het in de vooravond te regenen. Pas tegen de ochtend houdt het op. Mijn lichtgewichttentje heeft de regen goed doorstaan. Alleen is de binnenkant vochtig van het condenseren, maar rugzak, kleren en schoenen zijn droog gebleven. De ontluchtingsflappen hebben maar ten dele hun werk gedaan. Ik heb goed geslapen en voel me fit. In alle vroegte zodra het licht begint te worden breek ik op en breng alles naar het toiletgebouw waar ik mijn rugzak inpak. Ook een ontbijtje in een toiletgebouw kan goed smaken.

10_ourthe_stroomversnelling_kl Het advies van de campingeigenaresse was een goed advies wat het landschap betreft. De begroeide heuvels waardoorheen een snelstromende Ourthe haar weg zoekt zijn prachtig in de onluikende ochtend. Water genoeg, op weg om de Maas te voeden. Een slecht advies wat mijn tijdberekening betreft. Pas na anderhalf uur flink doorstappen kom ik terug in Esneux waar ik, was ik linksom gegaan, in een kwartier zou zijn geweest. Maar ach, ik zie wel hoever ik vandaag kom. Nergens wordt ik verwacht, nergens heb ik een verplichting. Ik betrap me erop dat ik niet oplet. Verdwalen is niet mogelijk, de Ourthe is mijn geleider. Vogels doen hun best om me wat op te vrolijke, maar het lukt niet goed. Ik begin te piekeren en me onzeker te voelen. Het lopen gaat automatisch, maar ik mis mijn drive. Ik besluit om in Hamoir toch maar te zien of ik in het klooster kan slapen of anders een gîte kan krijgen. Hamoir is niet groot, maar de supermarkt is goed voorzien. Ik koop mijn lunch en vindt een parkje langs de spoorlijn waar af en toe een boemeltrein langsrijdt om te eten. In het plaatselijke Office de Tourism spreken ze Nederlands en Duits naast het eigen Frans, tenminste volgens het bord aan de deur. Niet dus. Ze ontraden me stellig om bij het klooster aan te kloppen, ze nemen daar geen gasten. De paters leven liever alleen in hun luxe châtheau. Het komt pijnlijk bovenop de deuk die ik eerder opliep. Voor 40 euro kan ik in bij particulieren slapen. Een net adres, vriendelijke jonge mensen. Ik kan er met hen eten en ontbijten voor 15euro en mijn tent mag aan de waslijn te drogen hangen. Mijn kleren zijn niet echt bezweet of vies, wassen is dus niet nodig vandaag. De vriendelijke mensen spreken uitsluitend Frans en dat op de bekende Franse manier: snel als een mitrailleur. Pogingen om er de ,,handrem” op te zetten mislukken keer op keer. Gelukkig is oma opgetrommeld vanuit Awaylle, zij spreekt gebrekkig Vlaams. Zo lukt het toch om te converseren, het is vermoeiend en het geeft weinig hoop op de toekomende maanden zonder een oma in de buurt. Op mijn kamer zit ik me af te vragen wat de zin is van in je eentje pelgrimeren zonder mensen waar je wat mee kunt praten. Ik besef dat ik de Franse taal zwaar heb onderschat hetgeen lastig is op mijn route waar men amper ooit een pelgrim ziet. En mijn zelfbedachte route zou verder doorlopen tot aan Le Puy-en-Velay door een gebied wat ik als attractief heb uitgezocht, maar waar ik zowat dagelijks zal moeten leuren om een slaapplaats en eten. Ik bedenk dat ik naar Orval zou kunnen lopen en daar enkele dagen in de abdij blijven om na te denken of dit het is wat ik wilde. Abdij. Tevoren aanmelden, gastvrijheid? Ik ken abbaye d ‘Orval niet.
De onmacht en onzekerheid die me telkens overvalt en overmeesterd ken ik niet van mezelf. Erkennen van zwakheid zal leiden tot begrip, maar hoe doe je dat? Gewoon I.Q. op nul en blik op oneindig? Dat kan ik niet. Ik besluit te gaan slapen en de volgende ochtend te beslissen hoe ik verder ga. Tenslotte heb ik niet jarenlang toegeleefd naar deze onderneming om het niet af te maken. Zoiets zit ook niet in mijn aard. Hoeveel betrokken mensen volgen me en kijken uit naar het slagen.  Waarom zou ik eigenlijk niet kiezen? Is voor het maken van een keuze niet veel meer moed nodig dan uitstellen, of niet kiezen? En voor wie maak ik de keuze om wel of niet door te zetten, voor anderen of voor mijzelf? Wie moet ik wat bewijzen? Moet ik wel iets bewijzen?
Het slapen lukt niet goed, er zijn teveel dilemma’s die me wakker houden. Uit hoeveel dilemma’s moet een mens tijdens zijn leven eigenlijk kiezen en wat voor keuzen maakt hij daarbij om tot zijn eigen leven, zijn eigen weg te geraken? Is leven niet dagelijks ontelbare keren kiezen? Keuzen die gemakkelijk zijn en onopvallend en keuzen die zoveel impact op je hebben dat ze je altijd bijblijven. Keuzen die pas achteraf bleken goed of verkeerd te zijn. Hoe vaak heb ik privé en in mijn werk niet voor moeilijke keuzen gestaan? Durven kiezen en in je eigen keuze geloven was het dan waar het op aankwam. Het zijn uiteindelijk al die keuzen bij elkaar die je weg vormen, die jou vormen. De weg die je gaat in je leven, die weg ben je zelf. Leven is voortdurend keuzen maken en besluiten. Ook verkeerde keuzen en verkeerde besluiten.
Delen van mijn leven trekken aan me voorbij als in de spiegel die zijn waarheid weerkaatst en het verhaal van mijn leven, mijn dromen en legenden vertelt met zijn obstakels, achteraf beoordeelde vergissingen en verkeerde zijwegen.
Mijn jeugd, onbezorgd als op één na jongste in ons grote gezin, een warm nest waar de waarden en normen alleen maar werden bepaald door de Kerk en een kleine dorpsgemeenschap. De fröbelschool, lagere school, misdienaar, koorknaap, welp, verkenner. In het jongenskoor zongen we gregoriaans, als misdienaar spraken we Latijns als volleerde. Al wisten we op geen stukken na wat we zongen of zeiden. Het legde mede een grondslag onder een groeiend intern gevoel wat we als roeping aanduiden. Roeping gaat verder dan de aandrang om een taak te willen volbrengen. Het is meer een indringend verlangen op basis van ervaringen of gedachten over, in dit verband, het religieus zijn. Je indringende verbintenis met een groep mensen die er eveneens voor hebben gekozen om hun leven in gemeenschappelijkheid en in gelijkgerichtheid met elkaar vorm en inhoud te geven op basis van een kloosterregel en de voorspelbare riten van de dag met gebed, studie en arbeid.
Dat mijn keuze daarbij op de Augustijnen viel had alles te maken met mijn oudere zus die Augustines is en mijn ontmoetingen met pater Sebastianus van Nuenen OESA. Eenmaal ingetreden bij de augustijnen voelde ik me er aanvankelijk erg thuis en opgenomen.
Intreden betekende afstand nemen van je vroegere leven en deel uitmaken van een aparte groep met een aparte status. Een andere naam aannemen en andere kleding dragen die je status bevestigen. Je gaat je taal aanpassen en je lichaam en geest onder controle houden. Door te voldoen aan dit soort voorwaarden, word je deel van een groep waar onderlinge solidariteit en eensgezindheid heersen en waartegen wordt opgezien. Mensen gaan je anders benaderen en je gedraagt je daarnaar. Het moest er allemaal aan bijdragen je persoonlijkheid bij te sturen en een ander mens, als buitenstaander buiten mensen, te worden.
Fraters, de priesterstudenten, kenden meer de onderlinge solidariteit dan broeders. Dat had waarschijnlijk te maken met de jeugdige leeftijd van intrede zo direct na het gymnasium, het jarenlang bijeenblijven als groep, het gemeenschappelijk moeten voldoen aan alles wat het nieuwe leven van hen vraagt en oplegt, de gemeenschappelijke doelen als studie – ontspanning – gebedsgetijden et cetera.
De ommezwaai begin jaren ’60 haalde deze gemeenschappelijke waarden geleidelijkaan onderuit. Ook fraters en paters konden/mochten er een eigen mening op nahouden. Het betekende een afbrokkelen van de gemeenschap, zonder dat aanvankelijk de onderlinge solidariteit erdoor teloor ging. Wel ontstonden er individuen die groepen van gelijkgerichte gingen vormen.
Zelf deed ik nooit gelofte. Door de gelofte zou ik me mijn leven lang moeten verbinden aan een leven waaraan ik steeds meer was beginnen te twijfelen. Opvattingen over geloften en beloften zijn een voortvloeisel uit mijn opvoeding en zijn heilig in mijn ogen, je doet ze voor je leven, kunt je er nooit helemaal van losmaken of je eraan onttrekken.
Dat ik uittrad had alles te maken met de veranderingen in de Kerk die weliswaar veel meer vrijheden toeliet, maar er tevens de oorzaak toe was dat het convent uiteengroeide en mijn twijfels over het doen van geloften voor het leven alleen maar groter maakte.
Door uit te treden brak je met de groep en de onderlinge solidariteit. Het werd misschien niet gevoeld als verraad, maar het confronteerde de andere groepsleden sterk met hun eigen twijfels en onzekerheden. Het heeft na mijn uittreden dan ook een hele tijd geduurd voordat ik me weer onder augustijnen wilde begeven. Anderzijds legde het nieuwe leven vrijwel meteen beslag op me.
Vrijwel direct na mijn uittreden moest ik in militaire dienst.Als kloosterling hoefde je niet in militaire dienst en daardoor had ik enkele jaren uitstel gehad zodat ik ouder was dan de doorsnee soldaat. Het soldatenleven was volkomen anders dan het groepsleven wat ik gewend was. Het klakkeloos opvolgen van, in mijn weldenkende geest, vaak absurde opdrachten en bevelen een probleem dat vaak tot confrontaties met meerdere in rang aanleiding was. Niet verstand en weldenkendheid, maar rangorde maakte de dienst uit. Ik kwam in de onderofficiersopleiding en daarmee in een goed milieu terecht. Nadeel was dat ik voor 21 maanden aan mijn dienstplicht vastzat.
In de opleidingstijd leerde ik een verpleegkundige kennen. We sloten een echte vriendschap en wisselden onze gevoelens uit in ellenlange brieven, dag na dag omdat ik in Duitsland gelegerd was en maar ééns in de zes weken met verlof naar Nederland kon. Een vriendschap waaruit ik wegvluchtte vanuit de vervelende omstandigheid dat haar oudere broer zijn handen niet van me af kon houden. Ik kon het haar onvoldoende uitleggen en dat heeft mij altijd dwarsgezeten en beziggehouden. Opnieuw een belofte niet aangegaan of waar kunnen maken.
Verkering en getrouwd. De belofte voor het leven aangegaan.
Vriendschappen, hechte vriendschappen soms die ik los moest laten vanwege mijn belofte.
Loslaten en onthechten werden begrippen in mijn leven die er schijnbaar aan bijdroegen dat dromen de leemten gingen compenseren. Dat dromen en legende elkaar gingen raken.
Vreemd genoeg waren het in deze situatie die me onzeker maakte hoofdzakelijk deze feiten uit mijn leven die me intens bezighielden, gevoegd bij het feit dat ik tot de slotsom kwam dat mijn Franse conversatie absoluut ontoereikend was om me intensief met mensen te kunnen verstaan onderweg. En ik wilde me zo graag met mensen, kloosterlingen, en wie op mijn weg kwamen verstaan.
Ook hoe je op weg gaat is een keuze, voortdurend kiezen, besluiten nemen en juist daardoor ontdekken, stap voor stap. Ontdekken dat je uiteindelijk toch altijd weer bij jezelf uitkomt.
Mijn gemijmer en gepeins eindigen in het besluit om de andere dag naar Den Bosch te reizen en met Henny afspraken te maken om direct samen verder door Frankrijk te gaan en nu rustig te gaan slapen. Tenslotte is Henny haar Frans vele malen beter dan het mijne door haar verbondenheid met de Alliance Française en ze wil er zeker de tijd voor gaan vrijmaken. Met een gerust hart geniet ik alsnog een voortreffelijke nachtrust.
Om 12 uur de andere dag ben ik in Den Bosch en wandel op mijn gemak richting Orthen, waar ik met open armen word ontvangen. De reacties zijn heel verschillend. Hoe dichterbij of beter bevriend, hoe begripvoller de reactie. Uitblijven is ook een reactie. De vrijheid waarvan ik droomde bleek betrekkelijk, taal een barrière.
We denken vaak dat het ons doel is om een bepaald plan te volgen. Weinigen die zich daarbij afvragen of dat plan wel het hunne is en daarmee vergeten ze hun dromen. Hoeveel mensen moeten niet zeggen tegen zichzelf dat ze nooit hebben gedaan of geprobeerd te doen wat ze eigenlijk hadden gewild, gedroomd. Ze leven hun plan op geleide van anderen en vergeten hun dromen. Mijn droom is dezelfde gebleven, alleen mijn plan is veranderd. De enkele dagen die volgen breng ik door met mijn routekaarten die ik vooraf zo zorgvuldig elkaar overlappend uit de Michelingids had gehaald en ingeseald tegen de regen. Direct besluiten Henny en ik om samen het deel door Frankrijk verder te gaan.
Het eerstkomende weekend is alles geregeld en pakken we samen de draad op door naar La Roche-en-Ardenne te lopen. Werkelijk een schitterend landschap de Ardennen. Rustige binnenwegen volgend zonder hinder van auto’s, stukjes GR57, pittoreske plaatsjes waar oude huizen uitgestrooid lijken. Ieder gehucht met zijn eigen kerkje. Af en toe een sneeuwbui, maar heerlijk fris stralend wandelweer. De buizerd, zwevend door het zwerk op zoek naar prooi. De prachtige vos in de slootkant, morsdood gereden. De rust van het glooiende landschap, waar je als vanzelf een ruime blik krijgt en je toch naar binnen doet keren in jezelf. We genieten nu dubbel van al het moois onderweg. Al blijft me het me toch een dubbel gevoel geven.

 12_abbaye_orval_a De abdij van Orval straal macht, pracht en praal uit wanneer je van afstand nadert. Als een geweldig machtsblok domineert ze het dal in de eenvoudige streek tussen Semois en Maas. Begin 1900 herbouwd op de resten van het oude klooster uit de 12e eeuw. In volle pracht domineert een gigantisch Mariabeeld de Westgevel van de abdijkerk. De architect Henri Vaes heeft de Romaanse bouwstijl op zijn eigen wijze teruggebracht in kerk en klooster, die zijn opgetrokken uit okergele steen. Het bier wat overal wordt aangeprezen, de kaas en het vee legt de monniken bepaald geen windeieren zo te zien. Het geweldige complex, waarin de ruïnes zijn opgenomen, straalt een rust uit die direct bezit van je neemt. Vaes is geslaagd in zijn opdracht.

We gebruiken de tijd om alles rustig in ons op te nemen.

cid-95342381025012007-0b4a

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

2 reacties op DEEL 1 ’s -Hertogenbosch – Stenay

  1. Arthur Welluns zegt:

    Wat goed om er niet enkel maar een successtory van te maken, maar ook de realiteit te durven tonen. Er zijn teveel opgeblazen verhalen of ,,niet te evenaren pelgrims” die mij als pelgrim minder inspireren.

  2. Piet Wiboom zegt:

    Deze door jou gekozen route spreekt me wel aan. Ik neem contact met je op om eea met je te bespreken. Begin 2012 wil ik vertrekken. Goed verhaal overigens!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s