DEEL 3 saint-Jean-Pied-de-Port – Azofra

Saint_jean_pied_de_port_santiago_de_comp_1 

98f851a6481In het Accueil les amis du chemin de Saint-Jacques is het druk. Twee vrijwilligers die de inschrijvingen verzorgen nemen ruim de tijd voor iedere nieuwe pelgrim. Pelgrims moeten hier onthaasten. Laatste adviezen worden gegeven, de stempel en datum in het credencial gezet en ik ontvang een lijst met onderlinge afstanden tussen alle refugio’s aan de Camino. Die zal me de hele tocht goed van pas komen. Ik ga het kleine stadje verkennen en drink koffie op een terrasje. Het zijn vrijwel uitsluitend pelgrims die langs komen wandelen. Je ziet het aan hun kleding. Intussen wordt door de mensen van ,,L’Esprit du Chemin” een voortreffelijke maaltijd bereid en later met alle pelgrims genuttigd aan een gezellige eettafel. Lekker en boordevol kracht voor de eerste etappe. Ik ontmoet er Willem uit Limburg. Willem heeft de Fransman Claude ontmoet en afgesproken met hem samen te wandelen. Herbert uit Osnabrück wil graag dat wij samen lopen en om hem ter wille te zijn stem ik uiteindelijk toe het te proberen. Eigenlijk wil ik liever alleen lopen en eventueel afspreken in welke refugio we elkaar s’avonds treffen. Ik ben teveel individualist en wil me hier vrij voelen.

152a Bettina en Herbert Sant-Jean-Pied-de-Port  De volgende ochtend een stevig ontbijt, een lunchpakket en de eerste etappe naar Roncevalles kan beginnen. Het is net licht en een frisse ochtendbries maakt het lopen comfortabel. Door de Porte d ‘Espagne verlaten we Saint-Jean-Pied-de-Port. Ik besef dat ooit Napoleon en eerder Karel de Grote hier het stadje verlieten. De Pyreneeën laten me meteen al flink klimmen. Niet zozeer in grote hoogten, maar de duur van de stijgingen, zo’n vijf en een half uur achtereen, maakt het lopen inspannend. Ook het lopen met de rugzak moet weer even wennen. Omdat er onderweg tenminste één bron is volgens mijn gids, heb ik minimaal water meegenomen. Het lunchpakket van Huberta en de twee verse bananen zijn mijn krachtbronnen voor deze bergetappe. Aan gewicht voegt het niet veel toe aan de 11 kilo zware rugzak. Het gebied lijkt soms op de Allgäu, alleen worden de vergezichten er minder door bomen belemmerd. Amper 1400 meter hoogte en toch groeit er nauwelijks iets. In Frankrijk ligt de boomgrens blijkbaar lager dan in Duitsland. Herbert loopt met zijn twee stokken alsof hij aan het Nordic wandelen is. Zijn rugzak bungelt ongemakkelijk en is verkeerd beladen. Herhaaldelijk moeten spullen uit de rugzak en op een andere manier worden ingepakt. Behalve de zware rugzak torst hij privé zware lasten mee in de verwachting op de Camino verlichting te vinden. Als hij het zo maar volhoudt, het zou een nieuwe last erbij zijn want hij is gevoelig voor ,,afgaan” heb ik bemerkt. Op de Pas van Ibaniëta moet in het begin van de 11e eeuw het klooster San Salvador hebben gestaan en iets hoger staat de bron van Roeland, de Frankische ridder die het leven liet in zijn strijd tegen de ongelovigen. Prompt komt het ,,Klokke Roeland” mij in gedachten om er niet meer uit te gaan en zuchtend onder het klimmen neurie ik het lied wat we vroeger thuis en bij de verkenners uit volle borst zongen en waarvan ik het rijm nog altijd onbegrijpelijk vind:

Boven Gent rijst, eenzaam en grijst’
’t Oud Belfort, zinbeeld van ’t verleden;
Somber en groots, steeds stom en doods,
Treurt de oude Reus op ’t Gent van heden;
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt,
Zijn bronzen stemme door de stede:
Trilt in uw graf, trilt Gentse Helden,
Gij Jan Hyoens, gij Artevelden:
Mijn name is Roeland, ‘k kleppe brand,
en lui de storm in Vlaanderland!

Met deze Roeland zal het niet veel méér van doen hebben dan dat de klok in Gent wél tijdig waarschuwt denk ik. Hruotland (Roeland) streed samen met Karel de Grote toen deze met zijn leger de Pyreneeën overtrok om zoveel mogelijk Spaans gebied te veroveren. Toen het leger zich in de nauwe pas bevond, lieten de Baskische strijders hen passeren en vielen het leger in de rug aan. Uit ridderlijke trots weigerde Roeland lange tijd om op zijn hoorn ,,Olifant” te blazen en daarmee hulp in te roepen. Toen hij uiteindelijk toch op zijn hoorn blies was het te laat. Keizer Karel kwam hem te hulp maar iedereen bleek gedood. Volgens de legende werden allen begraven in het Silo de Carlomagno, het dodenhuis van Karel de Grote, in Roncevalles. Zingen leidt af, geeft moreel en het loopt goed. Met het Roelandlied voortdurend in mijn gedachten en een korte forse afdaling bereik ik Roncevalles in de middag. Het is nog vroeg, de refugio zal pas om vier uur opengaan. Tijd genoeg voor koffie en een eerste verkenning van de gebouwen van het monumentale Benedictijnenklooster van Roncevalles dat dateert uit het begin van de 12e eeuw. De abdijkerk stamt uit de bloeitijd van de gotiek. Onder een baldakijn op het altaar staat het genadebeeld van de Moeder Gods van Roncevalles (Orreaga in Baskenland), dat uit de wijde omtrek mensen aantrekt. De refugio wordt dit keer beheerd door een viertal oudere heren uit Nederland, een nieuwe toevalligheid met de heer uit Laren. Het gebouw dateert uit de 17e eeuw en heeft dat karakter goed bewaard. In de grote ruimte staan de stapelbedden opgesteld in drie rijen; vrouwen rechts, echtparen in het midden, mannen links. In een grote kelder onder het gebouw bevinden zich douches, toiletten, een keuken en wasruimte. Het is overal opvallend zuiver en schoon. Vrijwilligers moeten toch behoorlijk wat werk verzetten om de nagebleven troep van het leger pelgrims op te ruimen en alles in de middag weer schoon te hebben. ‘s-Avonds is er eucharistieviering met vier heren in de abdijkerk en een pelgrimszegen na afloop. Hoewel er niets van is te verstaan, maakt het geheel toch indruk. Ondanks de grote massa mensen, op enkele bedden na zijn ze alle 80 bezet, slaap ik als een roos. Vroeg in de ochtend word ik wakker van de eersten die hun rugzak aan het pakken zijn. Ik wacht liever tot het licht begint te worden. De dag is nog lang genoeg.

Een legende van sint-Quiteria: In de daling vanaf Roncevalles, aan de camino naar Santiago, ligt het dorpje Zubiri. Het is in de 11e eeuw dat de dorpelingen van Zubiri het de pelgrims makkelijker willen maken om de Rio Arga over te steken door een stenen brug over de rivier te bouwen. Maar een vreemde vloek lijkt het werk aan de brug te verhinderen. Zonder afdoende verklaring mislukt het plaatsen van de middelste pilaar keer op keer. Uiteindelijk besluiten de bouwers dat er niets anders opzit dan de rots waarop de pilaar moet steunen weg te hakken. Op de plaats van de weggehakte rots kwam het stoffelijk overschot tevoorschijn van een mooie jonge vrouw, rijkelijk geparfumeerd. Het bleek het lichaam van Sint Quiteria te zijn, de beschermheilige die wordt aangeroepen tegen hondsdolheid. Besloten werd het heilige gebeente op een muilezel te laden en in processie onder begeleiding van de bisschop naar de kathedraal van Pamplona over te brengen. Maar vlak voor Pamplona weigerde de muilezel om verder te gaan, wat men ook probeerde. Daarop besloot de bisschop dat dit een teken van Boven moest zijn, waarop de stoet omkeerde en Sint Quiteria voor altijd in Zubiri zou blijven. Sindsdien heeft de middelste pilaar van de Puente de la Rabia over de Rio Arga in Zubiri een magisch genezende kracht. Bij aanraking geneest en voorkomt hij bij mens en dier Rabiës, hondsdolheid.

De route naar Larrasoaña belooft afwisselend te worden volgens mijn wandelgidsje. Tegen de dageraad stap ik op, samen met Herbert die uiterst traag op gang komt en opnieuw veel moeite heeft zijn rugzak te ordenen. Het gotische Roelandkruis even buiten Roncevalles is net te onderscheiden onder de donkere bomen. Het is fris, maar fantastisch mooi wandelweer. Iedere stap geniet ik van de wereld om me heen en het veranderende landschap. Onderweg ontbijten we in een bar. Als we weer opstappen lopen we Bettina, de geitenhoedster, achterop tot genoegen van Herbert die idolaat van haar is. Voor wie niet weet waar hij naartoe wil, zijn alle wegen goed, bedenk ik me. Gedrieën lopen we de etappe naar Larrasoaña. Maar wandelen met drieën over smalle bergweggetjes gaat niet goed, waardoor ik veel alleen kan lopen. Het is behoorlijk warm vandaag. De route stijgt en daalt minder dan gisteren. Het landschap is erg afwisselend. Een boer maait zijn grasland met de tractor. Achter de maaimachine, op veilige hoogte vliegt een roofvogel mee op zoek naar vluchtende hazen of konijnen, ik vermoed een wouw. In de bar/winkel van Zubiri drinken we koffie en koop ik een blik linzen voor het geval ergens geen eten te krijgen is. Kraakhelder stroomt het water onder de eeuwenoude brug door. Mijn gidsje vermeldt geen eetgelegenheid in Larrasoaña. Tegen twee uur zijn we in het kleine dorpje Larrasoaña, waar de burgemeester zelf ons opwacht en zijn vrouw ons inschrijft in het register. Naast het bureau dat dienst doet als gemeentehuisje is de refugio gevestigd. Klein maar uiterst gezellig. Er is zelfs een computer met Internet. Na de douchebeurt en het doen van de was ga ik het dorpje verkennen. Daar ben ik vlug mee klaar. Het kerkje is gesloten en staat te vervallen. De twee straten lopen achter het kerkje om en komen daar bijeen. Gelukkig is er een bar waar wat te drinken is en waar ik me zelfs kan inschrijven voor een avondmaaltijd. De slimme waard drijft ook een winkeltje waar ik vers fruit, hazelnoten en een chocoladereep kan inslaan voor het ontbijt morgenochtend. Hij heeft het alleenrecht. Bij terugkomst in de refugio zijn er aardig wat mensen bijgekomen. Veel jonge mensen valt me op. Ze komen uit alle windstreken en maken gebruik van de tijd die ze hebben na hun afstuderen om samen de Camino of een deel ervan te bewandelen. Voor velen is het een bevlieging zoals blijkt uit de slechte conditie en uitrusting. Uitgeteld liggen de meeste op bed na de tweede dag van hooguit 27 kilometer voor velen. En Compostela is nog zo ver. Voor het eerst tref ik er de moeder die met haar dochter het eerste deel van de Camino loopt tot aan Burgos. Ik schat moeder boven de 80 jaar, dochter rond de 60. Later zal ik beide vaker tegenkomen. Ze vertrekken al heel vroeg ‘s-morgens en moeder stapt zo flink door dat ze regelmatig op haar dochter staat te wachten die blijkbaar niet zo’n goede conditie heeft als moeder. De twee dagetappen van 27 kilometer doen me nog niets. Ik heb geen spierpijn, ben ‘s-morgens niet stijf en ben bij aanvang snel ingelopen. Soms voel ik mijn rugzak zitten maar meestal niet. Op tijd vertrekken, alles zien wat er te zien valt, op tijd in een refugio aankomen, het lichaam en de spieren tot rust laten komen en op tijd gaan slapen, dat vind ik belangrijk. Ik merk aan mijn spieren dat ik meer moet drinken. Door het transpireren verlies ik veel vocht. Ik neem me voor op te gaan letten dat transpiratie de urineproductie niet uitschakelt. Ik ben nu eenmaal een slechte drinker. Na het eten bekijk ik de route voor morgen. Pamplona ligt op de route en ik laat het afhangen van de bezienswaardigheden hoeveel tijd ik in de stad zal doorbrengen en er zal blijven. Het is laat donker in Spanje. Vlak achter de refugio staat het frónton, waar de jeugd uit het dorp pelota speelt. Een balspel waarbij een harde bal met een soort houten racket tegen een hoge wand wordt geslagen. Het duurt dan ook even voor ik in slaap ben gevallen.

Herbert heeft teveel tijd nodig vandaag om zijn zaakjes op orde te krijgen. Ik beloof aan de oude toegangsbrug van Pamplona op hem te zullen wachten en vertrek alleen. Weldra nadat ik de oude boogbrug van de Rúo Arga ben overgestoken gaat het asfalt over in een pad dat de boorden van het riviertje volgt. De hoge eikenbomen zorgen voor frisse schaduw, het is al warm zo vroeg in de ochtend. Voor het eerst loop ik helemaal alleen op de Camino, geen pelgrim te zien. Hardop begin ik Attende Domine, et miserere te zingen, in de hoop dat er iemand is daarboven die naar mij wil luisteren en me genadig wil zijn. Het blijft de hele tijd in mijn hoofd hangen en er blijkt een goed marsritme in te zitten. Luistert er niemand daarboven, dan loopt het toch goed. Wat een gevoel! Dit is toch heel wat anders dan het gestuntel in Wallonië. Herhaaldelijk kruis ik de Rúo Arga en de Rúo Ulzama, waar steenresten een oude watermolen en een klooster verraden. Het klooster is schijnbaar zo groot geweest dat het veel mensen uit het dorpje Villava werk bezorgde. De bordjes en gele pijlen wijzen me als vanzelf naar Pamplona, de hoofdstad van Navarra. Schijnbaar heeft het jubeljaar 2004 en een forse subsidie uit de kas van de Europese Gemeenschap voor extra bewegwijzering gezorgd. Soms heb ik de indruk dat een blind paard zich niet zou kunnen verlopen. In Burlada tekent de kathedraal van Pamplona zich al af. Twee zigeunervrouwen zijn met elkaar in gesprek. De éne vanuit het eerste stockwerk van een soort woonkazerne, de andere vanuit de zesde verdieping hangend uit het venster. Hun schelle geschreeuw draagt ver over de straat. Spanjaarden praten allemaal met elkaar of ze ruzie hebben. Daarbij maken ze gebaren of ze zwemmen leren. Op de Magdalenabrug wacht ik op Herbert, zoals beloofd. Wachten duurt altijd lang en al die tijd geniet ik van de mensen die langs komen. Opvallend veel fietsende pelgrims waaronder twee Nederlandse, maar zij hebben geen oog voor een eenvoudige wandelaar. Als Herbert eenmaal is aangekomen overleg ik wat we zullen gaan bekijken in Pamplona. Maar de kathedraal blijkt alleen toegankelijk via het museum dat is gesloten. Ondanks het vroege tijdstip is het druk in de stad. Voor het stadhuis staat een legioen van stakende ambtenaren, die op een politiefluitje blazend hun ongenoegen ergens over uiten. Het doet me besluiten snel uit deze hectiek te verdwijnen. Het stadhuis maakt een on-Spaanse indruk, het doet me aan iets denken maar wat; Alkmaar? In het hoofdpostkantoor koop ik alvast een aantal postzegels. Kaarten zijn op de meeste plaatsen wel verkrijgbaar, maar postzegels is een groter probleem. Alle jarige en feestelijke gebeurtenissen tijdens mijn afwezigheid wil ik niet laten passeren. Eigenlijk ben ik te trouw in het bijhouden van dit soort zaken bedenk ik me, maar ik kan het nu eenmaal niet nalaten, ondanks dat ik me telkens voorneem ermee te stoppen wanneer er wéér geen reactie op komt. Misschien hecht ik me wel teveel aan anderen. Maar ach, soms moet je blijven investeren. We lopen de stad uit door straten met klinkende namen als ,,Calle del Carmen” en ,,Rúa de los Pellegrinos”, halen nog vlug een stempel in ons credencial bij de kerk van San Saturnino en lopen door het park de stad uit. De aanwijzing dat bij de portier van de universiteit een stempel is te verkrijgen kunnen we niet weerstaan. De portier is zichtbaar verheugd, blijkbaar hebben de meeste pelgrims dit extra rondje van 600 meter er toch niet voor over. Als we Cizur Menor naderen zien we de Malthezervlag wapperen op het kleine plompe kerkje. Ons einddoel deze dag is de refugio van de johannieters naast deze oude kerk. Het is erg heet geworden in de middag. Na een douche en mijn dagelijks wasje, zoek ik de koelte op van het oude kerkje. Oude kerken zijn altijd koel, zelfs in het warme Spanje. Het is er aardedonker en ik zoek de lichtbundel van het Romaanse venster op om mijn dagboekje bij te werken. Wonderlijk hoe de sfeer van zo’n oude kerk bezit van je neemt, je terugvoert tot jezelf en je wonderlijk tevreden stemt. Maar wat wil je op zo’n tocht, in zo’n geweldige vrijheid en elke dag met stralend mooi weer door een landschap lopend als zit je naar een film te kijken. De dankbaarheid die bezit van je neemt zou je heel goed kunnen toeschrijven aan een hogere macht. Maar opnieuw besef ik me dat dit een te simpele uitleg is voor millennia evolutie en mensenwerk. God bestaat, áls je erin gelooft.

In enkele uren tijd is de refugio aardig bezet. Er begint eenzelfde groepje te ontstaan waarvoor dagafstanden tussen de 25 en 30 kilometer liggen. Willem, Claude uit de Elzas, Jacqueline en Hubert uit Grenoble, horen er ook nog bij. Ze zijn in Le-Puy-en-Velay aan de route begonnen. Willem begon in Saint-Jean-Pied-de-Port. Tony en Claudia uit Canada. Met het groepje praten we bij, gaan we koffie drinken en eten samen. Zelfs moeder en dochter halen deze afstand blijkbaar, ze blijven op zichzelf en mijden contact. Geen idee waar ze eten. Spanjaarden gebruiken hun avondeten pas op zijn vroegst om half negen ‘s-avonds. Voor ons noorderlingen wel laat, want met een volle maag en enkele glazen wijn gaan slapen lukt me niet goed. Ook is er iemand die geweldig snurkt. Al erger ik me er niet aan, het bevordert het slapen niet. Uiteindelijk val ik toch in slaap.

Met het opkomende licht vertrek ik. Moeder en dochter zijn al een poos vertrokken, ook het jonge stel uit Canada vertrekt elke morgen vroeg. Vanaf vandaag loop ik alleen. Voor Herbert gaat het allemaal te snel, hij kan beter zijn eigen dagritme en wandeltempo aanhouden. Voorzichtig heb ik het hem verteld. Hij begrijpt het. Onderweg voel ik me schuldig, maar troost me met de gedachte dat ik hem tenminste enkele dagen heb begeleid en heb kunnen voorhouden dat hij zichzelf overal mee naar toeneemt en dus ook zijn problemen. Vluchten voor jezelf heeft geen zin. Morgenrood begint het veld te kleuren, een afwisselend landschap dat steeds heuvelachtiger begint te worden. Op de achtergrond tekent zich de Sierra del Perdón af  met over de hele bergkam een lang lint van windmolens. In Nederland zou zoiets ondenkbaar zijn met alle fanaten die verstand van natuurbeheer menen te hebben. Maar de Spaanse natuurfreaks zijn blijkbaar nog niet zo actief. Aan het begin van mijn klim naar de hoogte van de Sierra passeer ik de dochter. Moeder zit even verderop op een steen op haar dochter te wachten. Dochter zal de conditie van vader wel hebben geërfd.

 IMG_9098 Puerto del Perdón monument 4e etappeOp de Sierra del Perdón kom ik bij een pelgrimsmonument. Uit plaatstaal gesneden figuren, mannen met lange stokken, vrouwen, kinderen, paarden en ezels die allen achter elkaar aan op weg zijn naar Compostela. Alleen de fietsende pelgrim ontbreekt, maar ja fieters kunnen hier niet komen. Het tafereel tekent zich prachtig af tegen de blauwe hemel. Ik doe verwoede pogingen te achterhalen hoe de zelfontspanner van mijn fotoapparaat ook alweer werkte. Ik wil mezelf op de foto zetten tussen de stalen figuranten, maar ik kom er even niet achter. Het uitzicht naar beide kanten is adembenemend mooi. De nieuwe morgen kleur het groene land wat ik heb achtergelaten fris en fleurig. Een vruchtbaar land. Het land wat voor me ligt kleurt goudgeel en droog. Het is duidelijk dat hier een natuurgrens loopt. De bergketen is weliswaar niet hoog, maar vormt toch een klimaatscheiding. Tijdens het afdalen loop ik door een bosje met steeneiken. De grond is dor en droog. Enkele druivenvelden en aspergevelden wisselen elkaar af. Amandelbomen en olijven beginnen deel uit te maken van de vegetatie. Werkers op het land groeten me. Elke eerste blik op een nieuwe dorpskerk leg ik vast met mijn camera. Zo krijg ik later een beeld van alle kerken en kerkjes langs de Camino. Maar de kerkjes zijn oud en slecht onderhouden. Een dorpje van 15 huizen heeft soms wel drie kerken. Die kunnen onmogelijk door een kleine parochie worden onderhouden. Bij Obanos kom ik op het oude knooppunt van de Camino Francés. Vroeger kwamen hier de Jacobsrouten van Navarra en Aragón bij elkaar. Nu markeert een sullig pelgrimsmonument deze plaats. Het valt me op dat pelgrimsmonumenten en schilderijen op de route bijna allemaal een sullige pelgrim afbeelden. Zouden pelgrims misschien voor sullig versleten worden?

Legende van het vogeltje: Txori of Chori is in Baskenland een klein geel vogeltje.
Het was omstreeks het jaar 1834, ten tijde van de eerste Carlisten oorlog dat een grote groep inwoners van Puenta la Reina zich verzameld had bij het kapelletje op de Romaanse brug waarin het beeld van de Heilige Maagd Maria van Le Puy stond. Hier zagen zij een wonderlijk schouwspel. Een klein vogeltje vloog af en aan om water in zijn snaveltje uit de Rio Arga te scheppen om vervolgens met dat water en zijn vleugeltjes het beeld van de Madonna af te stoffen. Een graaf, die als legeraanvoerder met zijn troepen bij Puenta la Reina was gelegerd, dreef de spot met de bewondering van de dorpsbewoners. Vervolgens kwaad geworden om de beledigingen die de dorpsbewoners hem naar het hoofd slingerden, voerde hij een schijnvertoning op door zijn manschappen hun kanonnen te laten donderen. Toen hij dan ook twee weken later bij de rotsen van San Fausto werd verslagen door de troepen van Zumalacárregui en door de Traditionalisten werd gefusilleerd, waren de inwoners van Puente la Reina het erover eens dat dit zijn verdiende straf was, omdat hij de spot had gedreven met hun geliefde txori.

54_puenta_la_reina_mooie_spiegeling_4e_e  Puente la Reina, de dubbelnaam verraad Baskische invloeden. Ooit was de plaats een de van de belangrijkste op de pelgrimsroute. Puente la Reina is vooral bekend vanwege de brug waaraan de plaats haar naam dankt. De brug van de Koningin, een koningin die in de 11e eeuw opdracht gaf tot de bouw van deze brug speciaal voor pelgrims. Met zijn zes bogen en een knik op het hoogte punt van de brug overspant ze de Rúo Arga. De gotische kerk van Santa Maria el Mayor in het centrum van het kleine stadje is gewijd aan de heilige Jacobus. Ik ontbijt en geniet van de rust op een terrasje. Het is nog vroeg en ik besluit door te lopen naar Cirauqui. Daarmee benut ik deze dag en bekort de route van morgen. Ik loop door een dal waar de hitte van de dag blijft hangen. Na een lichte stijging kom ik op de heuvelrug waar tenminste een lichte bries waait en mijn bezwete rug kan drogen. Met de eerder opgedane kennis heb ik er vandaag voor gezorgd mijn waterzak goed te vullen. Hoe meer ik drink, hoe lichter ik word. Al van verre zie ik Cirauqui liggen. Als een taartpunt ligt het dorpje boven op de bergtop. De kerktoren wijst dominant de weg naar de hemel. Het nadeel van dorpjes die je al van verre ziet liggen is dat het lang duurt voordat je het hebt bereikt. Maar het uitzicht is wondermooi en afwisselend. ,,Wat je van ver haalt is lekker” zou mijn vader zeggen. Lopen is een feest op deze manier! Ik loop te zingen van plezier. Vandaag is het Oosterhuis zijn repertoire waarmee ik bezig ben, zing en overdenk. In de ochtend wisselen ,,Attende Domine”, ,,Licht dat ons aanstoot in de morgen” en ,,Zo vriendelijk en veilig als het licht, zo als een mantel om mij heengeslagen” elkaar af. Zingen en nadenken gaan goed samen. Het is een soort Lectio Divina. De steile smalle steegjes van Cirauqui zijn bloedheet. De warmte blijft tussen de huizen hangen. Verveeld zitten oudjes op een bankje te wachten op de pelgrims die hier moeten langskomen, zoals ieder dag waarschijnlijk. Vriendelijk groeten ze terug, in afwachting of ik een praatje kom maken. Een eeuwenoude stéle staat nonchalant tegen de stadspoort. De route loopt hier onder het gemeentehuis door, de stempel staat op een tafeltje gereed voor wie wil. Zelfbediening. Cirauqui telt maar liefst twee refugio’s, één gemeentelijke en één parochiale. De gemeentelijke is luxe en er zijn maaltijden verkrijgbaar. De refugio paroissial is aanzienlijk minder luxe, er is enkel een klein keukentje. Het is de eerste paroissale albergue die ik tegenkom en ik besluit hier uit te proberen hoe het bevalt. Op de stoep zit een vrouw van voor in de dertig te wachten op pelgrims die met minder luxe genoegen willen nemen. Ze heet Andrea en komt uit Berlijn. Voor drie weken beheert ze als vrijwilligster de refugio. Ik douche en doe mijn was. Omdat er geen buitenplaatsje is vraag ik aan bouwvakkers in de straat of ik mijn waslijntje aan hun bouwhek mag bevestigen. Ze gaan toch rusten, dus vinden dat geen probleem. Wanneer ze weer verdergaan met hun werk hopen ze dat mijn was droog is want ze maken nogal stof, waarschuwen ze. Het komt allemaal goed. Intussen ga ik het dorpje verkennen. De kerk op het hoogste punt is de San Román, een Romaanse kerk met een opmerkelijk trechterportaal boven de hoofdingang. De versieringen doen denken aan oriëntaalse invloeden, er zijn in het geheel geen figuren op afgebeeld. Zoals met nagenoeg alle kerken die ik tegenkom is ook deze gesloten. Ook een tweede kerk blijft potdicht. Op een stenen bankje in het lommer van enkele oude tamme kastanjebomen, geniet ik van het weidse uitzicht over de heuvels voor de volgende dag en werk mijn dagboekje bij. In de bar tegenover de refugio ontmoet ik later enkele bekende en verschillende nieuwe medepelgrims. Blijkbaar is de afstand vandaag te groot voor velen. De vriendelijke waardin is bereid om zeven uur ‘s-avonds een maaltijd voor ons te verzorgen. In dank nemen we haar aanbod aan. Voor  8,-euro krijgen we een forse salada mixta, grote pan spaghetti op tafel, frites, vlees, ijs en koffie met de plaatselijke likeur na. Het is een gezellige tafel. Behalve Willem en ik zijn het twee Fransen, een Amerikaans echtpaar, een mexicaan, twee Zweedse dames van ruim middelbare leeftijd die behalve pelgrimeren schijnbaar op zoek zijn naar de ware Jacob aan hun geflirt te oordelen en twee Duitsers die zich al snel als hun ware Jacob laten verleiden. Laat in de avond komen er nog enkele jonge pelgrims aan in de refugio en zijn de 14 bedden beslapen. Een plotseling opstekende stormwind, midden in de nacht, blaast van onder uit de nauwe straat recht op het half geopende venster van de refugio af en met een geweldige klap stort een grote bloembak achter het eerste stapelbed op de grond. Wonder dat niemand die bloembak op zich heeft gekregen. Kan het misschien worden toegevoegd aan de wonderen op de camino?

Met het opkomende licht vertrek ik. Direct buiten Cirauqui gaat het pad over een origineel stuk pelgrimsroute en een boogbrug uit de Romeinse tijd. Geweldig hoe deze brug de tand des tijds heeft doorstaan. Ook een eindje verderop vindt je het Romeinse patroon terug in de keien van het pad waarover je loopt. Het is een prachtig stuk route, waar je het verleden als een rilling door je heen voelt gaan. De benaming Calzada die de Spanjaarden eraan geven slaat op dit soort eenvoudige verharding van een weg, in tegenstelling tot een Sirga dat meer op een stratenpatroon duidt. Aanduidingen die je overigens regelmatig in plaatsnamen ziet terugkomen. De oude boogbrug over de Rúo Salado moet me herinneren aan de legende over pelgrims die hier door twee mannen werden gevild nadat ze toestemming kregen hun paarden te laven. De paarden stierven omdat het water vergiftigd bleek. Voor het eerst valt het me op dat om de paar meter een rij mieren dwars over de weg gaat. De éne rij gaat van links naar rechts, klimt daar in halmen, haalt een deel van de halm weg en neemt het mee naar de andere kant van het pad. Twee tegengestelde mierenrijen die erg actief werken aan hun voedselvoorziening. In de komende dagen zal ik leren zien wat voor het weer het die dag wordt aan de mate waarin de mieren actief zijn; snelle mieren dan wordt het erg warm, tragere mieren minder warm weer. Soms zijn er zoveel mierenrijen over het pad dat ik bijna loop te dansen om ze niet dood te trappen. De ochtendzon geeft me een schaduw van wel drie meter lengte. Naarmate de dag vordert wordt de schaduw korter. Vanaf het middaguur loop ik op mijn eigen schaduw te trappen. Altijd de schaduw. Altijd van achter, ik loop immers voortdurend van Oost naar West. Ik voel het aan mijn kuiten die beginnen te verbranden. Toch goed dat ik Henny haar advies opvolgde en factor 20 heb meegenomen! Ik, die normaliter een hekel heb aan dat smeren met zonnebrandcréme. Nu komt het me toch wel goed van pas. De uitbundig bloeiende gele brem en de dieprode klaprozen overheersen het kleurenpalet van de bermen en geven het landschap fleur. Wat een gelukzaligheid! Vlak voor Estella loop ik langs het laat-romaanse klooster en kerk van San Pedro. Het was en is nog steeds de eerste kerk die pelgrims zagen als ze de stad binnenkwamen. Het grote plompe gebouw heeft over de hele lengte een rijke versiering van beeldhouwwerk. In het archivolt over de breedte zijn de twaalf apostelen uitgebeeld. Het portaal heeft een typische mandorla waarin Christus bij het Laatste Oordeel is afgebeeld Estella heeft een mooie boogbrug met knik die de Rúo Ega overspant. Eigenlijk lokt Estella, maar ik besluit toch maar om door te lopen.

Legende van het processiekruis: In de negende eeuw staat in Villamayor een burcht op de spitse heuvel: het kasteel van Don Esteban de Deyo.Voor de veldslag op de Moren verschijnt aan de koning een schitterend kruisbeeld. Hij neemt het in bezit maar verstopt het omdat hij vreest dat het gestolen zal worden –precies op een plek waar vele eeuwen later een herder met zijn schapen voorbij komt. Eén van de geiten blijft stokstijf staan bij een struik. Omdat de herder bang is dat er een roofdier in de struik verscholen zit, werpt hij met zijn slinger er een grote steen naar toe . Dan ziet de herder het schitterende kruisbeeld liggen dat echter door de steen zwaar is beschadigd. In tranen roept de herder uit: ,, Ach, dat God mijn arm verlamd had voordat ik de steen wierp’’. En prompt daarop gaat zijn rechterarm slap hangen. Het kruisbeeld wordt naar het kasteel gebracht, maar de volgende morgen blijkt het kruisbeeld verdwenen en zich weer de plaats onder de struik te bevinden. Voor de ridder is dit het teken dat daar een kerk moet worden gebouwd en zo gebeurt het ook.
In de Andreaskerk in Villamayor Monjardin bevindt zich nog steeds een processiekruis, zwaar met zilver beslagen.

IMG_9190 basaltkegel Castillo de San Esteban Villamayor 5e etappe  Verder gaat het. Ik wil vandaag aan de refugio van Villamayor de Monjardín geraken. Even na Estella zie ik het klooster Irache al vanuit de verte liggen, een groot 12e eeuws Benedictijnenklooster met een mooie kruisgang. Vlak voor het kloostercomplex is een groep fietsers hun bidon aan het vullen aan een wijnbron van het Bodegas Irache. Uit de muur komt wijn en water uit afzonderlijke kraantjes. Op een bordje de tekst: Pelgrim, als je vol kracht en vitaliteit in Santiago wil aankomen, neem dan een slok van deze grote wijn en klink op het GelukDe groep fietsers die luidruchtig hun bidons vullen komen uit Nederland. Ik loop maar vlug door. Wijn zou me in de knieën gaan zitten, het hebberige gedrag zou me maar onnodig irriteren. De route gaat aan één stuk door bossen met mooie steeneiken. Prachtig om ze ook eens in het echt te zien. Al enkele dagen hoor ik de nachtegaal zingen. Hier lijkt het of een clan nachtegalen het bos heeft gepacht. Ik blijf herhaaldelijk staan om naar de schitterende zang te luisteren. Oppassen niet een tweede Virila te worden. Weer in open terrein springt in de verte een basaltkegel met daarop iets wat op een ruïne lijkt direct in het oog. Het is de ruïne van Deyo in  Villamayor de Monjardín die op grote afstand al te zien is. Vlak voor Villamayor kom ik aan de Fuente de los Moros voorbij, een Moorse bron waarvan het waterbekken diep in de grond zit. Het waterbekken is overkoepeld met een puntdak dat door twee gotische bogen wordt gedragen. Het water is helder en heerlijk koel, maar drinken is moeilijk omdat de waterspiegel zo laag ligt. De refugio in Villamayor wordt beheerd door Nederlandse vrijwilligers van een gereformeerd kerkgenootschap. Ik ben de eerste pelgrim deze dag en wordt hartelijk verwelkomt met koffie en een broodje. De refugio is eigendom van de voormalige burgemeesteres van het dorpje die haar gemeentehuis heeft opgekocht om er een refugio in te beginnen. De vrijwilligers wisselen elkaar door het jaar heen regelmatig af. Een belangrijk voordeel van vroeg in een refugio aan te komen is het aantreffen van nog zuivere douches en toiletten. Met het toenemen van de stroom pelgrims neemt deze zuiverheid gestaag maar behoorlijk af. Respect voor beheerders en vrijwilligers van refugio’s is nauwelijks aan de orde, wat kunnen pelgrims toch een bende maken. Geen enkel respect voor hen die het vrijwillig moeten opruimen. De voordelen van vroeg vertrekken en vroeg aankomen zijn talrijker. De morgenstond heeft echt goud in de mond. Het prachtige opkomende licht, de frisse ochtend. De rust van het landschap. Weinig mensen. Vogels die nog fris zijn en hun hoogste lied zingen. Op het heetst van de dag ben ik op mijn bestemming en kan het verder rustig aan doen. Ik kan onderweg zingen zo hard als ik wil en wat ik wil. Vaak heb ik om negen uur het hele Liber Usualis al gehad. Het alléén lopen doet me goed. Ik hoef niet te kletsen of te luisteren de hele tijd door, zie veel meer van alles wat er om me heen is en kan alles rustig in me opnemen, laten bezinken en erover nadenken. Geen beraadslagingen of aanpassing. Ik voel me goed als solitair, zoek contact en sluit het zonder scrupules weer af. Perfect zo! Vandaag is Mieke jarig. Al in Pamplona heb ik haar kaart verstuurd omdat ik geen idee heb hoelang Correos erover doet een kaart in Nederland te krijgen. Voor de zekerheid stuur ik nog een SMS-berichtje. Ik zoek de koelte van het kerkje en werk er mijn dagboek bij. Weer zo’n mooi oud kerkje, koel, intiem en rustgevend. Waarom moet er in de kerk toch altijd zoveel ritueel gepraat van eigen gelijk plaatshebben. Stilte en meditatieve inkeer op het thema ,,Liefde voor de ander is God” zou absoluut kunnen volstaan. Ieder zijn eigen god. De vrijwilligers van de refugio verzorgen een geweldige maaltijd, het is weer een internationale en gezellige tafel met mensen. Het verzoek om aan de dagsluiting deel te nemen vindt minder aftrek. Een Frans echtpaar en twee jonge Duitse onderwijzeressen vormen met mij en de vrijwilligers samen de dagsluiters. We zingen wat in de verschillende talen en proberen een gesprek op gang te houden wie en waar God is. Behalve de vrijwilligers zijn we het snel eens over het Leitmotiv: ,,Ubi caritas et amor, deus ibi est”. De vrijwilligers hebben een beetje ál te gereformeerde opvattingen en proberen bijbel en gelijk te preken. Maar goed, niks op tegen om het goede uit de bijbel mee te nemen in je opvattingen, het heeft millennia standgehouden! Het heeft me de afgelopen dagen meer beziggehouden. Ik ben tot de slotsom gekomen dat er geen andere God is dan die welke mensen zelf maken of ooit gemaakt hebben. Ieder mens is regisseur van zijn eigen godsbeelden, op ’n manier die hem het best uitkomt. Om iets mystieks een naam te geven zijn mensen het maar God gaan noemen. Het is een bindmiddel. Maar veel meer nog is het iets wat zich rechtstreeks tussen mensen onderling afspeelt. Ik merk het hier op de camino aan de hulpvaardigheid en de band die je zo gemakkelijk aangaat met mensen die gelijkgezind zijn. Ik heb me erover verwonderd hoezeer de Kerk het eenvoudige gegeven, de boodschap van Liefde, van hun voorbeeld Jezus van Nazareth heeft misvormd en misbruikt tot eigen nut. Misschien soms ook wel met de beste bedoeling. Zeker aanvankelijk in de tijd van de eerste christenen, maar later verworden en geworden tot machtsmiddel. Voorzien van dogma’s en stellingen om mensen te binden en in toom te houden, of religieuze allegorieën om een andere werkelijkheid te creëren. Ik verwonder me erover hoe gemakkelijk hoogstaande wetenschappers een geloof aannemen om het vervolgens wetenschappelijk te onderbouwen. Iets wetenschappelijk onderbouwen wat er in werkelijkheid niet is. Zo hebben theologen, exegeten, dogmatici, mystici en anderen eeuwenlang voortgebouwd op elkaars bedenksels. Je zou iets wat je heilig is eigenlijk geen vorm moeten willen geven. De God van de joden is mij eigenlijk nog het dierbaarst: zijn naam wordt niet uitgesproken. Jezus is voor mij gewoon een mens die heeft laten zien dat geloof een manier van leven is, een houding, en niet het onderschrijven van allerlei leerstellingen en dogma’s. Of zie je eigen God in een bloeiende roos, zoals Rilke. Elke en Gudrun, de twee Duitse onderwijzeressen, zijn goede gesprekspartners en samen zetten we nog een flinke boom op over onze god onder mensen. We vinden elkaar, zonder te beweren dat wij nu alle wijsheid in pacht hebben. Te laat ga ik slapen. Tony, de jonge Canadees snurkt de hele slaapzaal bij elkaar, maar ach ik mag hem en stoor me er niet aan.

In de vroege ochtend loop ik alleen door het weidse heuvellandschap. Op de achtergrond tekent zich de bergketen van Codés af. Ik loop Tony en Claudia achterop en loop een stukje met hen mee. Van zijn moeder hoorde hij van de Camino. Claudia is een stuk jonger, berucht op avontuur, klaar met een studie en heeft voorlopig tijd tot oktober. Via een broer die in Amsterdam woont en werkt kwamen ze ook met de Eurolines in Bayonne. Tony moet uiterlijk 4 juli in Santiago zijn. Hij wil het zwaaiende wierookvat Botafumeiro vooral niet missen. Vlak voor Los Arcos laat ik ze achter me en loop alleen verder. Het is te vroeg, de kerk van Los Arcos is nog gesloten zodat ik al het moois dat deze Santa Mariakerk te bieden heeft moet missen. Via de Calle San Lazáro, de oude pelgrimsweg, verlaat ik het dorpje. Op de brede zandweg die dwars door akkers en olijfboomgaarden voert loop ik in de richting van het gebergte. Ik loop een Pilgergruppe uit Bayern achterop. Hun dialect verraad hen al van afstand. De oude Pfarrer, zelf afkomstig uit Altötting, voert een gemxealeerd groepje pelgrims aan. Het kleine rugzakje verraad een luxe groep die van hotel naar hotel pilgeren. We praten over wat ons bindt, over Altötting waar we toevallig waren en ze verwonderen zich dat een Flachländer zich zo uit de voeten kan maken met zo’n grote rugzak. Hulde aan de Pfarrer die op zijn leeftijd nog zo fit meewandelt als is het een combinatie busreis – wandelen. Hij blijkt ’n kennis van ons, Pfarrer August Lindner uit Regensburg, te kennen zelf een fervent compostelaganger. Ik loop weer door en één van de mannen vraagt of het goed is dat hij een eindje met me meeloopt. Hij vertrouwt me toe dat hij graag zelf eens de hele route zou willen lopen en heeft informatie nodig over lopen en onderkomen. De achthoekige kerk San Sepulcro in Torres del Rédo doet groots aan in het kleine dorpje. Hoe kwamen zo weinig mensen er ooit toe om zo’n grote kerk in hun dorp te bouwen en met welke middelen deze ze dat, zelf zo arm als de mieren? De kerk blijkt tussen 1160 en 1170 gebouwd te zijn in opdracht van de ridders van het heilig graf. Tempelridders hebben hier overal hun sporen achtergelaten. De route voert me langs de hermitage Nuestra Señora del Poyo waar ik geniet van het uitzicht over het diepe dal en de olijfbomen, wijngaarden en korenakkers. Denkend over de gesprekken gisteravond en mijn eigen gedachten wissel ik het Attende Domine in voor het Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est. Ik ben er steeds heftiger van overtuigd dat ,,daar waar vriendschap is en liefde, dat daar een God is”. In alle toonaarden zing ik het. De gregoriaanse versie is te traag. De versie van Taïzé bevalt me nog het meest, ze loopt ook het fijnst. Het mooie Salve Regina, teruggevonden in oude gezangenboeken van de Birgittinessen in Vadstena, is ook de hele dag in mijn gedachten. Maar ik moet mijn tred teveel aanpassen om ermee in een looptempo te kunnen blijven. Om 12 uur kom ik aan in Viana. De 31 kilometer van deze dag zitten er al op. Ik besluit gebruik te maken van de parochierefugio. De sfeer in refugio’s met een religieuze inslag bevalt me wel. Ik onderga er meer de beleving van het pelgrim te zijn, met iets anders bezig dan alleen maar voortbewegen, genieten en kilometers maken. Manuela, de vrijwilligster ontvangt me of ik een bekende en lang verwacht ben. In de grote torenkamer wordt een derde matras op de grond bijgeschoven. De Braziliaanse naast me doet haar oefeningen. Zo lenig ben ik niet, jaloers volg ik haar bewegingen. De douche is zuiver, het toilet schoon. Binnen de kortste keren hangt mijn was op het veldje achter de kerk te drogen. Toch verstandig dat ik een stuk scheerlijn van de tent heb meegenomen en enkel klemmetjes waarmee ik mijn goed kan vastklemmen aan het touw. Lui leg ik me op de stenen bank en observeer de jonge ooievaars die in hun nest op een aangrenzend dak vliegoefeningen doen, daarbij aangemoedigd door een luid klepperende moeder. Terug in de torenkamer zijn er de nodige matrassen bijgekomen. Manuela zoekt vrijwilligers om de avondmaaltijd mee voor te bereiden en ik beloof mijn hulp zodra ik het stadje heb bekeken. Viana is in 1219 gesticht. Van de omwalling en de burcht resten slechts ruïnes. De stad heeft twee weerkerken waarvan de Santa Maria, waarin mijn refugio is ondergebracht, de mooiste is. De kerk heeft een barok hoofdaltaar en een interessant San Iago (sint Jacob) retabel, waarin de daden van de apostel worden afgebeeld.

272_viana_jacobusretabel_detail_matamoro Ik houd eigenlijk niet zo van barok en zeker niet de overdaad die je overal aantreft. San Iago als morendoder in de top van het retabel. Wij zouden om zo’n twijfelachtige heldendaad niet zo hoog opgeven denk ik. Spanjaarden destijds wel. Ze riepen San Iago aan in hun strijd tegen de Moren, hij kwam uit de hemel, steeg te paard en met zijn hulp werden de Moren in de pan gehakt (.) Geloof. De twee onderwijzeressen uit Mönchengladbach kiezen voor de gemeentelijke refugio vanwege het comfort. Ook de twee Zweedse met hun aan de haak geslagen Duitsers kiezen voor het comfort, evenals Willem en Claude. Later blijkt dat dit comfort uiterst betrekkelijk was met veel te veel mensen, veel te weinig voorzieningen en late feestgangers. Pelgrims kunnen als zwijnen zijn. Mijn aandeel in het bereiden van de avondmaaltijd bestaat uit het snijden van stapels uien en groenten. Maar goed ook want mijn kookkunsten zijn sinds de verkennerij nooit verder uitgegroeid. Ik verbaas me er regelmatig over wat sommige mensen kunnen maken met zo weinig ingrediënten. Het avondeten is na de eucharistieviering van acht uur. Acht pelgrims uit onze refugio zijn in de mis en worden na de mis door de jonge pastoor naar voren genodigd om de pelgrimszegen te ontvangen. Het doet me toch telkens wat die aandacht en het ritueel.

274_eettafel_ik_6e_etappe_a  Terug in de refugio helpt iedereen mee en in korte tijd zitten we te eten. De pastoor komt ook mee-eten. In tegenstelling tot veel Spanjaarden spreekt hij een beetje Engels. We praten over kerk en samenleving in Nederland en over hoe mijn dag eruit ziet. Ik vertel hem hoezeer ik geniet van iedere opkomende dag en van mijn zingen. Omdat hij zegt het Attende Domine niet te kennen zing ik een stukje voor. De slimmerik, hij wilde alleen maar horen hoe ik zong en vraagt me te willen zingen bij de dagafsluiting straks in de kerk. Ik stem toe. Er zijn weer vele nationaliteiten verenigd. Behalve de Braziliaanse en haar vriend hebben we nu een Frans echtpaar met hun vriendin, een Mexicaan, een jongen uit India, Josef uit Westfalen, de pastoor en Manuela aan tafel. Limburger Willem, die even komt informeren waar ik morgen heen ga, sluit aan en eet mee. Josef zit naast me en zoekt duidelijk steun en zekerheden. Hoe herkenbaar. Hij is zó gedreven Compostela te halen dat hij teveel kilometers op een dag loopt en daarmee zijn mogelijkheden teveel geweld aan doet. Hij heeft last van veel te veel gewicht in zijn rugzak en begint aan het einde van zijn krachten te komen. Ik beloof hem mee te bekijken welke spullen hij morgen het best naar huis kan sturen. Dankbaar voor de hulp en iemand waartegen hij kan aanpraten is hij niet van mijn zijde weg te slaan. Arme Josef, hij zal het waarschijnlijk niet gaan halen. Ik voel zo’n medelijden met deze goeie kerel dat ik bijna zijn spullen verder mee zou willen dragen. Het doet me denken aan de hulp die ik bood aan een makker die er helemaal doorheen zat en totaal versuft liep te raaskallen tijdens de afmattingsweek in militaire dienst. De beloning was een douw van de commandant en het weekend in de  kazerne doorbrengen. Eenmaal zelf dienstplichtig onderofficier heb ik dit voorval altijd voor ogen gehouden als voorbeeld  hoe je iets juist niet moet aanpakken om wat gedaan te krijgen. Voor de dagafsluiting gaan we door een deurtje van de torenkamer en komen op het oksaal van de kerk. De kerk is aardedonker, alleen het Mariabeeld op het hoogaltaar wordt aangestraald door een schijnwerpertje. De pastoor heeft stenciltjes met teksten in Spaans, Duits, Frans en Engels en ieder leest wat in zijn eigen taal. Ik vertaal uit het Duits ter plekke maar een gebed naar het Nederlands. Als de pastoor me vraagt om te zingen besluit ik om het Salve Regina te zingen naar traditie van de Trappisten die dit iedere dag tot afsluiting  van de dag in de completen doen en op dit tijdstip in de koorbanken hetzelfde lied staan te zingen. Het past ook in deze kerk, waar alleen het Mariabeeld uit het aardedonker wordt aangelicht. Het is een emotioneel moment en sommigen wordt het zelfs te machtig. Gregoriaanse gezangen blijven toch een bepaalde uitwerking op mensen houden. Een samengeraapt groepje mensen en toch zulke intense emoties voor dat moment, voor elk moment. Het bijzondere van de Camino zit in de mensen die haar bewandelen. Aan de hand van wat mensen beleven, ondergaat ieder zijn eigen Camino. Terug in de slaapruimte blijkt de vloer vol. Een man die vlak voor de kerkdienst moe en bezweet is aangekomen, heeft de grote tafel die tegen de muur staat als bed verkozen. Hij ligt al te snurken zoals ik het nog niet eerder hebt meegemaakt. Dit gesnurk is me snel teveel van het goede. Zachtjes neem ik mijn matras mee en leg me in de eetkamer te slapen. Nog voordat ik me goed en wel heb ingenesteld volgen de één na de ander en in de kortste keren ligt nagenoeg iedereen in de eetkamer en heeft de snurker de hele slaapruimte voor zich alleen.

In alle vroegte verlaat ik de refugio om het ontbijt niet te verstoren, het is nog donker buiten. Ik heb dan ook de grootste moeite met het vinden van de gele pijlen om Viana uit te komen. Even een terugblik op wat ik achterlaat, een sluimerende stad op een verhoging waar de straatlantaarns nog branden. Bij de hermitage Virgen las Cuevas, Onze Lieve Vrouw van de Grotten, lijkt het wel wat op de heilige Eik in Spoordonk. Nu stil en verlaten, maar de hele infrastructuur wijst duidelijk op een plaats waar veel mensen kunnen samenkomen. Het kan nooit de bedoeling van de eremiet zijn geweest die er ooit de stilte en eenzaamheid zocht. Maar ach, het moet iets opbrengen tegenwoordig. De bergen van Rioja komen dichterbij. Hellingen zijn meer en meer beplant met wijnstammen. Het is nog te vroeg. Straten worden schoongespoten en hekken geplaatst. Het is er feest vandaag. Ik besluit Logroño te laten voor wat het is en de kortste weg te nemen om uit het stadje weg te komen. Ik kom langs de kerk van Santiago en bekijk de beelden van hem, één als pelgrim, één als morendoder. Je kunt je toch niet voorstellen dat weldenkende mensen willen aannemen, zoals in 844, dat de 800 jaar eerder overleden San Iago het christelijke leger te hulp is gekomen en eigenhandig de Moren versloeg? Mensen geloven wat ze willen geloven. Daarvoor zijn het mensen.

IMG_9280 bezwaar tegen snelweg ipv camino 7e etappe Langs de snelweg die de Camino ter plekke heeft verdrongen hebben pelgrims van takken kruisjes gevlochten in het gaaswerk dat de Camino afscheidt van de snelweg. Een stil protest. De poort van het kerkhof even buiten Navaretta is Romaans en maakte vroeger schijnbaar onderdeel uit van het hospitium aan de andere kant van het plaatsje. Omdat ze een poort voor hun dodenakker nodig hadden hebben ze de oude poort maar afgebroken en hier opnieuw opgebouwd. Je kunt het ook maar beter een functie geven eigenlijk. Voorbij Navarette loop ik haar achterop. Ouderwetse broek tot iets over de kuiten, een geruit  werkmansoverhemd komt onder het rugzakje vandaan. De strohoed bekroont een hoofd met halflang strohaar. Van achter heeft het iets weg van een vogelverschrikker zoals we ons die voorstellen. Terwijl ik haar wil passeren lacht ze me vriendelijk toe en het sprekende gezicht wat me toelacht doet me besluiten tot een praatje. Ze is de jongste niet meer. Gepensioneerd professor filosofie aan de universiteit van New York, al jaren woonachtig in Zwitserland haar tweede thuis. Ik merk dat ze wat harder wil lopen omdat mijn tempo hoger ligt dan het hare. Ik neem gas terug. We praten over de camino, de mensen, haar en mijn werk en onderwijl kuieren we op ons gemak verder. Juist ter plaatse laat de bewegwijzering nogal te wensen over. De dorpjes links van ons lokken, maar tegenstrijdige markeringen en een toeterende auto maken ons duidelijk niet in de valstrik te trappen. Haar wandelgids en de mijne geven ook geen eenduidige voorlichting. Een Spaanse dictionaire komt met regelmaat uit het rugzakje maar levert ook niet de oplossing. Ook de betonpaaltjes waarop een vergulde schelp zoals we ze na Logroño herhaaldelijk tegenkomen schieten ons dit keer ook niet te hulp. Één van de drie dorpjes links van ons moet Ventosa zijn. Ze heeft via haar hotel gereserveerd om daar ergens te eten. Zo laat ze alles per dag reserveren, hotel, eten, taxi. Vanwege het trage tempo en de vele keren dat we stilstaan om de juiste richting te bepalen, iets uitgelegd te krijgen of te bekijken, is het twee uur voordat we in Ventosa zijn. Er is een mooie herberg en ik besluit er te blijven. Aan de wolken te oordelen dreigt het weer om te slaan. Achteraf blijkt het een goed besluit. Onweer en regen breken los, nauwelijks nadat mijn wasje is gedroogd. Geluk, toeval, voorzienigheid? Geef het de naam die je wil. Ventosa kent inderdaad een echt restaurant waar we nota bene een pelgrimsmenu kunnen regelen. Pelgrimsmenu’s zijn goedkoop en toch goed, maar in een echt restaurant kun je het bijna geen ,,Pelgrimsmenu” meer noemen. Mevrouw de professor is met de taxi naar haar hotel in Nájera. Helaas duiken de Duitsers met hun Zweedse ook weer op. Ze hebben met vieren aan twee bedden genoeg. Oordeel niet om niet geoordeeld te worden. Wurst.

De andere morgen worden we met gregoriaanse muziek gewekt. De herbergier houdt de touwtjes strak in de hand. Niemand gaat zo de deur uit. Buiten is het fris. Regen heeft de natuur vochtig gemaakt. Het is op het randje maar mijn softshell kan in de rugzak blijven. Ik merk dat Attende Domine en Ubi Caritas vandaag toch weer de bovenhand hebben genomen. Waarschijnlijk als aanroep om mooi weer. Je moet toch af en toe eens een andere boodschap naar boven sturen. Opnieuw komt Roeland opdagen onderweg. Bij Poyo de Raldán, Roelandsberg, zou hij een rotsblok naar de kwaadaardige reus Ferragut hebben geworpen. Mooi toch die sagen.

Najéra tekst EGB1500  Nájera levert weinig problemen op. Een strofe uit het gedicht aan de muur waar ik aan voorbij loop houdt mijn gedachten bezig: ,,Pelgrim, wie is het die je roept, of de geheime kracht die je trekt? Het is niet het Sterrenveld en ook niet de imposante kathedralen”. Het moet de roeping zijn van de pelgrim in me.” Ik laat kerk en clarissenklooster voor wat ze zijn en ben in korte tijd weer in de natuur. Weidse velden worden hier bevloeid door het typisch Spaanse irrigatiesysteem, een lang lint van betonnen bakken die het water overal heen leiden. Het water stroomt met behoorlijke snelheid door de betonbakken en wordt daar afgetapt of weggepompt waar het nodig is. Geen wonder dat Spanje verdroogt, maar misschien zie ik het verkeerd. In rietkragen langs het pad hoor ik de karekiet zingen. Zijn typische roep laat weten dat hij er is. Vogels zingen toch overal hetzelfde. Gisteravond in de refugio hadden we een discussie over taal. Hoe gewenst het zou zijn dat Europa één gemeenschappelijke taal zou krijgen. Een nieuwe taal, niet het Engels. Een soort Esperanto. Maar vogels hebben daar helemaal geen last van. De nachtegaal, de karekiet, de merel, de leeuwerik ze zingen en tjirpen net als bij ons of waar ook. Universeel. Vogels zijn ons ver voor. Hoe vaak heb ik onderweg niet gevoeld dat een goede taalbeheersing zo ongelofelijke mogelijkheden biedt. En tegen welke taalproblemen je oploopt ondervond ik al in Wallonië aan den lijve. Het kan je dagen behoorlijk vergallen en het vertrouwen in jezelf fors ondermijnen. Misschien is een gemeenschappelijk taal wel een mooie oplossing. Anderzijds krijgen we al zoveel eenheidsworst door het centrale Europa. Centralisme wordt alleen maar nagestreefd vanwege de pecunia. Geld, méér en méér geld. Het zuigt mensen als cultuurdragers hartstikke leeg. Wat brengt geld toch allemaal teweeg. In Azofra wil ik ontbijten, maar mijn metgezellin van gisteren zit al aan een tafeltje. Ze heeft, vanuit Nájera gestart, een voorsprong. Ze nodigt me aan haar tafel, maar ik besluit staandebeens iets te nuttigen en door te lopen. Ze vindt het niet erg en hoopt me in Santo Domingo de la Calzada te treffen. Ik beloof het haar, de stad van de haan en de hen zaten al in mijn plan.

cid-95342381025012007-0b4a

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s