DEEL 4 Azofra – Mansilla de las Mulas

Even buiten Azofra kom ik langs de Rollo de Azofra, een stenen zuil in de vorm van een zwaard dat ik de grond staat gestoken. Het is een oud symbool van de rechtsmacht van de landheren van Azofra.

57_2e_zicht_op_santo_domingo_de_la_calza_1  Het is een mooie route naar Santo Domingo de la Calzada, afwisselend met fantastisch mooie vergezichten naar alle kanten. De zon schijnt fel en meedogenloos. Er is geen beschutting onderweg. Omdat mijn water op is besluit ik een eindje, op geleide van mijn gidsje, om te lopen langs de bron in Ciruña. Het is de moeite waard, heerlijk koel water en goed van smaak. Twee fietsers bij de bron zeggen uit Veghel te komen. Ik verdenk ze er zelfs van uit Keldonk, gemeente Erp, te komen aan hun tongval en reclameshirts te oordelen. Maar wie kent in godsnaam Keldonk in dit werelddeel behalve ik toevallig, omdat ik jarenlang directeur was ook in Erp? Ik ga het gesprek niet aan, bekijk vol interesse hun fietsroutes en luister naar hun enthousiaste verhaal. Het is me eerder opgevallen dat ik maar af en toe fietsende pelgrims zie daar waar het wandelpad vlak langs de verkeersweg loopt en vroeg me dan af hoe hun route eigenlijk verloopt. Pelgrimeren op de fiets lijkt me toch heel iets anders. Ze moeten toch alles anders ondergaan en ervaren minder van de oorspronkelijke, eeuwenoude pelgrimsroute. Maar wat voor mij geldt ten aanzien van fietsen, kan voor fietsers gelden ten aan zien van wandelen. Na een lange stijging zie ik vanaf het hoogste punt Santo Domingo de la Calzada in de verte in een uitgeslepen vlakte liggen. Uitgestrekt ligt het in de laagvlakte. De toren van de kathedraal verheft zich boven alles uit. Ik meld me aan het loket van de refugio bij de zusters Cistercienserinnen. Het is een oud gebouw, nauwelijks ooit van onderhoud gehoord. Alles versleten en vergaan. Toch heeft het sfeer. De twee Engelse jongens die afgelopen nacht ook in Ventosa waren blijken al op bed te liggen en rusten. Toen ik vertrok vanochtend lagen zij nog te slapen. Vreemd dat ik hen niet heb gezien onderweg. Na enig doorvragen blijkt dat ze de bus hebben genomen! Naar later blijkt een goede gewoonte onder, voornamelijk jonge, pelgrims.

Ik deel de kamer met een vijftal Spanjaarden die in diepe rust zijn. Na de douche en mijn was ga ik de stad in. Maar behalve de bar is alles nog dicht. Dus drink ik koffie en eet wat. Terug in de refugio tref ik oude bekenden. We spreken af ‘s-avonds op de boulevard te gaan eten. In de omsloten binnentuin werk ik rustig mijn dagboekje bij. Zonder vooraankondiging breekt plotseling een hoosbui los met onweer en forse hagelstenen. Het dak boven mijn stapelbed blijkt niet echt waterdicht, met als gevolg twee natte matrassen. Wonder dat de blootliggende elektriciteitsdraden geen kortsluiting hebben gemaakt. In Nederland zou een dergelijk onderkomen al lang zijn afgekeurd en gesloten.

Wanneer de kathedraal is geopend ga ik naar het kippenhok kijken. De kathedraal is een mengeling van Romaanse, gotische en renaissance stijlelementen. Wellicht trekt het kippenhok de meeste bezoekers. In een mooie ruime kooi ingemetseld hoog aan de wand zitten twee kippen, een haan en een hen. Niet omdat er anders geen kip in de kerk komt, maar als gevolg van een legende. Een echtpaar overnacht met hun zoon in een herberg. De dochter van de herbergier probeert de jongen te verleiden, maar deze gaat daar niet op in. Uit wraak stopt het meisje een zilveren beker in zijn bagage. Vlak voor vertrek slaat ze alarm, de beker wordt in de jongen zijn bagage aangetroffen en deze wordt opgehangen. De ouders pelgrimeren naar Santiago en komen op hun terugtocht weer bij de herberg. Hun zoon leeft nog en is niet gestikt in de strop. San Iago heeft hem al die tijd ondersteund, zodat de strop niet aantrok. De bisschop, die toevallig net aan tafel zit en kip en haan eet, gelooft het verhaal niet en roept uit: ,,deze gebraden kip en haan zullen nog eerder vleugels krijgen dan dat ik dit verhaal geloof”. En prompt krijgen ze vleugels en vliegen krijsend van zijn bord. Heer geef me Geloof. . . . Maar sinds de kathedraal bestaat is er wel een kooi met de levende haan en de hen. Domingo (Dominicus, zouden wij zeggen) was een kluizenaar die leefde aan de oever van de Río Oja. IMG_9334a Santo domingo de la Calzada de kippen 8e etappe In de 11e eeuw liet hij een brug over de Río Oja bouwen en een herberg voor pelgrims. Dankzij de pelgrims werd het gebied welvarend. Na de dood van Domingo en zijn heiligverklaring werd het stadje aan de straat (Calzada) wat er ontstond naar hem genoemd. In de stad tref ik mijn Amerikaans/Zwitserse professor en samen slenteren we wat door de straten. Ook de Zweeds/Duitse combinatie is in de stad. De Duitsers krijgen haast want ze moeten op een vastgestelde tijd in Burgos zijn waar hun tocht eindigt. Samen met Willem, Claude, Hubert en Jacqueline dineren we op de boulevard van Santo Domingo de la Calzada. Het lijkt wel vakantie. Terug in de refugio merk ik dat mijn Falke sokken van mijn bed zijn verdwenen alsook twee zelfsluitende plastic zakjes waar ik mijn wandelgids en kladblokje in bewaar als bescherming tegen het nat worden. Maar geen Spanjaard die iets heeft gezien of bemerkt, zeggen ze zonder me aan te durven kijken. Het geeft me geen veilig gevoel. In een refugio mag niets ontvreemd worden. Pelgrims bestelen elkaar niet. Het past niet bij elkaar. Twee van de vijf Spanjaarden snurken om het hardst. Dit keer stoort het me wel. Ik kom regelmatig uit bed om aan hun bedden te rammelen zodat het snurken tenminste even stopt. De andere morgen om 5 uur schrik ik wakker. De Spanjaarden zijn volop aan het pakken. Omdat het nog donker is doen ze het grote licht maar aan. Geen greintje aandacht voor anderen. ‘s-Morgens heel vroeg weg, bang te laat in een refugio te komen. Vervolgens de hele middag op bed liggen om de slaap in te halen en te mopperen op andere pelgrims als ze niet stil willen zijn. Zo maak ik het voortaan vaker mee. Maar ach, het blijven gezelschappen op zichzelf. Ik loop hier niet om me overal aan te storen, dat kan altijd nog. Vanaf zes uur is het toegestaan in deze refugio om op te staan en te vertrekken. De zuster die ik om kwart over zes aantref met haar grote sleutel is helemaal niet verbaasd dat de deur al open is. Ze zal dat wel gewend zijn. Buiten de stad kleurt het ochtendgloren de lucht goudgeel. Nevel hangt boven de velden en geeft het geheel een mystiek aanzien. Wat een landschap, wat een genieten. De Río Oja staat droog. Daar moet de natuur het hier dus niet van hebben. De gotische kerk van Grañion staat massief midden in het kleine dorpje. De bar is geopend voor de eerste ontbijters, maar ik besluit verder te lopen omdat het mij nog te vroeg is en gotiek trekt me toch al minder.

IMG_9356 landschap en Mafkees 9e etappeEen eindje voor Belorade loop ik een apart figuur achterop. Ouderwetse pelgrimshoed op het hoofd met omslag aan de voorkant en schelp. Driekwart lange broek, spierwit zonder smet of vlek. Lange stok in de hand met kalebas waaraan slierten plastic in vele kleuren. Als ik dichterbij kom hoor ik hem hardop bidden tot Maria: Ave Maria gratia plena, dominus tecum . . . .  Zou hij op Mariabedevaart zijn of last hebben van godsdienstwanen? Geen angst, ik ken ze vanuit mijn psychiatrie opleiding. Zoiets weet ik nog wel te temmen zonder pillen. Ik groet hem en hij groet terug. Niks vreemds, ieder het zijne; ,,leven en laten leven”, zou mijn moeder zeggen. Vandaag passeer ik Redecilla del Camino, waar de grens tussen de provincies Rioja en Burgos loopt. Onderweg hoor ik plotseling krekels in de wegberm. Jarenlang geen krekels gehoord, zou mijn ooroperatie van dit jaar wonderen hebben veroorzaakt? Soms moet je het wonder tenslotte een beetje helpen” In dit geval Dr. Nijhuis en een stukje paardenweefsel.

In Belorado koop ik een kaart en stuur die aan Jetje die binnenkort 1 jaar wordt. Ofschoon het een gezellig plaatsje en de markt rijkelijk gevuld is, is het mij nog te vroeg om een refugio op te zoeken. Ik besluit verder te lopen naar de refugio paroissial in Tosantos. Een goede keus. Vriendelijk wordt ik er ontvangen door een oud-missionaris en ingeschreven. Er zijn geen stapelbedden, maar matrassen om op de grond te slapen. Even buiten het dorp in een berg is een grot waar ooit een eremiet woonde. Hermitage Virgen la Peña ligt hoog in de berg. Het is te hoog om op mijn slippers heen te wandelen en ik lig wat lui aan de oever van een beekje naar de lucht te staren. Hubert en Jacqueline uit Grenoble komen ook aan in de refugio. Alweer even niet gezien die twee. Ze weten te melden dat Claude en Willem wat problemen hebben met hun voeten. Een vrijwilliger kookt voor de pelgrims die dat willen en pelgrims op hun beurt helpen mee. Je hebt ook geen keus, in dit dorpje is niets te krijgen. Het is een gezellige eettafel en fantastisch eten. Wonderlijk toch dat de meeste pelgrims dit soort refugio’s liever mijden. Niks mis mee, zouden wij zeggen. ‘s-Avonds na het eten is er een dagsluiting waarbij voornamelijk Taizé liederen worden gezongen. Confitemini domino, quoniam bonus. Iedereen doet mee. Het past bij pelgrimeren. Het Ubi Caritas et Amor blijft herhaald worden. Het zal opnieuw bezit van me nemen na vanavond, gevoed met nieuwe impulsen. Wat zijn er toch veel aardige mensen op weg. De vreemd uitgedoste pelgrim die ik passeerde heeft zijn slaapmatras naast het mijne gelegd. Blijkbaar voorvoelt hij vertrouwen. Voor het slapen gaan bid hij, maar hij blijft voortdurend aan de gang. Tja, wat moet je dáár van zeggen? Hopen dat het vanzelf overgaat.

Vroeg in de ochtend vertrek ik weer. Vandaag promoveert Anneloes van Ruben tot doktor Anneloes. Het zij me vergeven dat ik er niet bij ben. Ze zal het zonder mij ook wel redden en Henny zal mij goed vertegenwoordigen. De dorpjes waar ik doorheen trek lijken steeds armer te worden. Kerkjes staan er vervallen bij, deels ingevallen het gras groeit in de dakgoot en bomen in de toren. Ook de huizen staan er ontvolkt bij en veel huizen zijn ingestort. God is niet alleen uit Jorwerd verdwenen blijkbaar, ook hier is hij op uittocht. In de verte zie ik de Montes de Oca. Na Villafranca-Montes de Oca begint een lange afdaling naar San Juan de Ortega. Over de oorspronkelijk door San Juan de Ortega aangelegde weg (?) door het bos nader ik het gehuchtje, dat bestaat uit kerk, klooster en een vijftal huizen aan het kerkplein. Op het brede pad geurt het heerlijk naar brem, heide en het bos. De brede baan, de hei, het geheel doet me denken aan de tankbanen op de Oirschotse hei waar ik als aankomend dienstplichtig onderofficier, voor instructeur tankcommandant leerde om zelf de tank te besturen en bevelen te geven. Alleen de huizen aan het pleintje zijn bewoond, het klooster staat erbij als een museum, één van de huizen fungeert als refugio. Ik ontbijt in de bar en neem de tijd voor het mooie kerkje, opgetrokken in heldere okergele natuursteen. Juan de Ortega was een leerling van Domingo de la Calzada. Begaan met het lot der pelgrims bouwde hij bruggen voor ze en liet voor hun veiligheid hele stukken bos kappen. Met zijn communiteit vestigde hij zich op deze eenzame plek aan de rand van het bos. De stenen sarcofaag van Juan de Ortega bevindt zich in het kerkje. Tweemaal per jaar, op 21 juni en 21 september, schijnt er de zon precies op een kapiteel met de geboorte van Christus. Hoe ze dat in die tijd toch zo nauwkeurig voor elkaar kregen blijft me intrigeren. (Hoelang heb ik niet moeten passen en meten om op de datum van 21 juni de zon precies op het hoofd van het figuurtje in mijn beeldhouwwerkje ,,opgang” te krijgen!) Na het overlijden van Juan in 1163 werd hij heilig verklaard. Wat was het voor sommige figuren toch een koud kunstje vroeger om heilig te worden. Even voorbij het dorpje San Juan de Ortega in Agés rest een klein boogbrugje, dat stamt uit de tijd van Juan de Ortega. Het bewijs. In Atapuerca maken ze reclame met de veldslag die er ooit plaatsvond door een forse menhir langs de weg te plaatsen en een landschapontsierend groot bord waarop staat vermeld dat hier resten zijn gevonden van een prehistorische mens, de Homo Antecessor. Uit Villalval is God helemaal en al lang verdwenen. De kerk is ingestort. Een grote luidklok hangt half uit de toren, alsof ze er tijdens het luiden ter plekke mee op is gehouden. Schaarse nieuwbouw verraad echter dat stedelingen uit Burgos het platteland hebben ontdekt om hun weekendhuis neer te zetten. Een smoezelige herder met een handvol schapen die schaapachtig achter elkaar aanlopen, daartoe aangespoord door een hond die er geen zin in lijkt te hebben met dit weer. De herder merkt op dat het heet is vandaag. Maar dat had ik ook al in de gaten. Misschien zag hij het aan mijn doorweekte hemd en broek. Alles kletsnat van het zweet. Ik loop mijn kilometers het liefst aan één stuk door, met slechts een onderbreking voor het ontbijt en onderweg kijken en genieten. Rusten maakt me loom en ik moet telkens weer opnieuw opstarten. Regelmatig even stilstaan bij alle moois onderweg geeft me voldoende rust. Drinken kan ik lopend. Mijn camelbak kan tot drie liter gevuld worden en dat geeft me voldoende vocht, naast de bronnen die er onderweg zijn. Wanneer mijn wandelgidsje aangeeft dat er bronnen zijn onderweg beperk ik me tot hooguit anderhalve liter water om mee te slepen. Tenslotte is alles wat je thuislaat meegenomen . . . . . .

Mijn eindpunt deze dag is de gemeentelijke refugio van Cardeñuela-Riopoco. Alweer zo’n wonderlijke naam waar het dorp drie keer in kan. De sleutel wordt beheerd in de plaatselijke bar, waar de vloer bedekt is met peuken en andere troep. Het is heel gebruikelijk in dit land om ter plekke te laten vallen wat je kwijt wil. De peuter die over de vloer kruipt, zal een natuurlijke afweer opbouwen die beter is dan wat je bij de dokter haalt. Een remedie tegen nicotinevergiftiging van peuters moet hier ruim bekend zijn. Inschrijven voor de refugio moet je er zelf doen, de stempel zet de bazin dat hoort bij haar gezag. Ze kan waarschijnlijk niet schrijven. Het is een kleine, maar uiterst nette refugio. Na mijn plichtplegingen van iedere dag vlij ik me op de bank tegen de kerkmuur en bestudeer er de wolken die voorbij trekken door het bladerdek heen. Bij voldoende deelname is de waardin bereid om te koken. Deelname genoeg en vanaf half negen is het eten klaar. Opnieuw sta ik er versteld van wat je voor 8,-euro krijgt voorgeschoteld. Voor het eerst tref ik geen bekenden. Ik maak kennis met Herbert en zijn vriendin, mensen van mijn leeftijd uit Salzburg. Hij loopt de Camino voor de tweede keer en wil zijn nieuwe vriendin laten zien hoe geweldig dat het is. De vriendin deelt de camino manie voor de liefde, dat is duidelijk. Blijkbaar loop ik voor mijn vaste club nu te hard. Enkele dagafstanden van 30 – 35 kilometer zijn teveel voor menigeen, zeker bij de hitte zoals die momenteel heerst. Maar ik vind het zonde om al vanaf 11 uur ergens in een refugio op bed te gaan liggen wachten op de nieuwe dag. Het lopen blijft geweldig goed gaan, al begint mijn linkerhak een beetje op te spelen. Een oude kwaal; hielspoor. Ik zal er toch rekening mee moeten houden.

IMG_9447 Burgos bronzen schelpen in straat 11e etappe   De volgende dag stap ik in alle vroegte op Burgos aan. Afhankelijk van wat ik er aantref zal ik er blijven, bevalt het niet dan loop ik verder. De weg naar Burgos loopt vele kilometers langs de autoweg en is lang en uiterst saai. Auto’s, niets dan auto’s met mensen die naar hun werk gaan. De lucht van uitlaatgassen maakt me misselijk na wekenlang frisse landelijke lucht te hebben ingeademd. Links en rechts bedrijfsgebouwen, bedrijven in alle soort, er komt geen einde aan. Ruim anderhalf uur duurt het voordat ik de binnenstad van Burgos nader. Het is opeens een heel andere wereld waarin ik terecht kom. Een wereld waar commercie de dienst uitmaakt en mensen zich haasten, ’n misselijkmakend spoor van stank achterlatend. De eerste groepen toeristen worden rondgeleid over het plein van de kathedraal. Als een machtig bouwwerk troont hij hoog en breed boven alles uit. Een schitterend gebouw dat respect afdwingt. Binnen is het een museum en pas om negen uur open. Ik besluit dat ik voor de rest van Burgos nog wel eens ooit terug zal komen en vertrek om zo vlug mogelijk de stad uit te zijn, de hectiek en stank te ontvluchten. Overal op kerktorens staan de jonge ooievaars hun vliegkunsten te oefenen. Net buiten Burgos foerageren ooievaars samen met duiven op een pas ingezaaid land. Dat zal de eigenaar niet leuk vinden, zo’n zwerm vogels. De Camino heeft ook hier weer plaats moeten maken voor de vooruitgang. Het uitzicht door hoge viaducten en snelwegen is er niet echt fraaier door geworden. Eindelijk kom ik terug in de rust van de natuur. Het is de veldleeuwerik die me komt begroeten en een eind met me meevliegt. De weg begint lang en heet te worden. Er is geen boom te bekennen en op de hoogvlakte overzie je een weg te gaan zover je kijken kunt. Een voorproef van het Meseta gebied. Tegen twee uur kom ik aan in Hornillos del Camino. De lange smalle straat waar de huizen als lintbebouwing aan elkaar zijn gebouwd zindert van de hitte. Het dorp heeft tenminste een bar en een winkeltje. De refugio naast het kerkje is netjes. Een oude man draagt er zorg voor inschrijving en betaling: 3,-euro . Waar tref je zo’n eenvoudige slaapgelegenheden voor zo weinig geld? Geen wonder dat jonge mensen massaal de Camino gaan gebruiken als een goedkope manier van vakantie houden. En als het lopen even niet gaat nemen ze de bus. Op het pleintje voor de kerk en de refugio staat een bron met een gedenkzuil, een haantje op de top. Een andere manier om kippen de kerk in te lokken. Buiten de éne straat bestaat Hornillos del Camino alleen nog uit heuvels waarin veel caves zijn uitgehouwen die met een deur zijn afgesloten. Waarschijnlijk zijn het bewaarkelders voor fruit en groenten of zo. Het is er in elk geval koel, terwijl het buiten naar ik schat bijna 40 graden is. In de refugio tref ik weer een totaal ander publiek, geen enkele bekende. De mooie Franse Marianne had model kunnen staan voor haar nationale symbool. Maar ze is dan ook constant druk in de weer met oefeningen om lijf en leden in optima forma te houden. Haar kaalhoofdige vriend schijnt zich op een andere manier om zijn uiterlijk te bekommeren, hij slaapt veel en daar wordt je ook mooi van. De bediening in de plaatselijke bar is geweldig. De dienster loopt in een broekpak dat voorheen dienst deed in het ziekenhuis van Burgos waarschijnlijk. Haar gezette figuur komt er ook beter in tot zijn recht. Maar haar bediening is uiterst zorgvuldig en netjes. Als ik het stevige maal en haar bediening waardeer met een fooi, esto es para usted, komt ze met een tevreden lach een kersenbonbon brengen met dezelfde gulheid. Ik ga vroeg op bed liggen. Mijn linkerhiel moet zoveel mogelijk rust hebben. Tijdens het lopen voel ik het wel, maar ik kom er goed mee verder. Misschien zijn de afstanden toch te groot? Het moet iets met het slijten van mijn hakken te maken hebben, vermoed ik.

Als ik in alle vroegte Hornillos del Camino verlaat zijn de mieren al erg actief bezig met het verslepen van graan. In ijltempo gaat de éne rij strak achter elkaar naar het korenveld, in hetzelfde ijltempo gaat de andere rij naar het nest. Het zal weer heet worden vandaag. Maar mieren zweten niet en hoeven geen rugzak te dragen. Al is de verhouding van hun last ten opzichte van hun lichaam zeker zo groot als bij ons mensen.

64_meseta_12e_etappekopie_a  Het is nog vroeg en in de koelte beloop ik de eerste Méseta. Een langgerekt pad nog in oorspronkelijke staat zonder het ingrijpen van mensenhanden, gebleven waarvoor het ooit was bedoeld; pelgrimspad. Schitterende vergezichten maken mijn dag nu al goed. Wat is de wereld toch mooi! Wat kun je toch fantastisch genieten van zo’n schoonheid. Op het ritme van Ubi Caritas kom ik aan Sambol voorbij. De herberg en bron van Sambol worden beheerd door vrijwilligers die met een esoterisch sausje zijn overgoten. Een bomengroep bij de herberg is de enige schaduwleverancier in deze barre streek. Een comfortabel pad brengt me in Hontanas, waar de tijd nog altijd lijkt stil te staan. Huizen opgebouwd uit stro en leem. Goede beschutting overigens tegen de koperen ploert aan het zwerk, die ongenadig zijn gouden stralen rondstrooit over veld en beemd. Het ligt in mijn bedoeling vandaag tot aan de Ermita de San Nicolás te gaan. Ik wil als uitgetreden eremiet van Augustinus toch wel eens in een echte eremitage slapen. Een gele zandstenen boog van de ruïne van het oude klooster van San Antón waar ik aan voorbij kom overspant de weg. Alle gebeeldhouwde figuren zijn weggesleten door weer en wind. Een vreemd gezicht waardoor alles ook een beetje nep lijkt. In twee nissen aan de weg werden in de 12e eeuw door de monniken water en brood gezet voor passerende pelgrims. Deze goede gewoonte bestaat helaas niet meer, maar de nissen zijn gebleven. Ook lijd ik niet aan Antoniusvuur, vroeger het gevolg van schimmelinfectie in het moederkoren. Ik behoef dus ook niet de verpleging, waarvoor deze monniken toen bekend waren. Voor mijn hielspoor hebben ze de oplossing niet voorhanden, ze gingen alleen over Antoniusvuur als hun specialisatie. Mijn hoop blijft dus gevestigd op mijn eigen medische kennis en gezonde verstand.

Al van verre zie je dat Castrojeriz een belangrijke plaats was. Een forse ruïne op de bergtop en de grote kerk tonen het aan. De burcht stamt uit de 10e eeuw, tijd van de West-Goten. Het dorp heette toen Castrum Sigerici, waaraan de huidige naam is afgeleid. De waard bij de kerk van Castrojeriz staat letterlijk met zijn handen in het haar twee Amerikaanse jongens te woord. Hij begrijpt er niets van en de jongens kunnen hem ook niet duidelijk maken wat ze bedoelen. Ze zien er een beetje smoezelig uit. De waard wil net alle hoop opgeven als ik aankom. Vol vertrouwen schakelt hij mij in. Ondanks mijn uiterst gebrekkige Spaans kan ik hem duidelijk maken dat de jongens een stevige maaltijd willen. Aan de jongens kan ik terugvertellen dat het ‘s-morgens tegen tien uur geen tijd is voor stevige maaltijden in Spanje. Maar ze hebben de nacht buiten doorgebracht en zijn hongerig. Helaas, ze zullen nog enkele uren geduld moeten hebben en het met margueritas moeten stellen. De waard heb ik voor me gewonnen en zorgvuldig pakt hij mijn bestellingen in zilverpapier tegen de hitte en de verschrikkingen van de volgende Méseta. Het dorp beschikt maar liefst over vier kerken. Aan inwoners telt het misschien 1000 zielen. De collegiale kerk van Santa Maria del Manzona is de kerk die ik al van veraf zag. Het is een laatgotische kerk die als museum dienst doet. Verboden voor rugzakken. De bezichtiging houden we dan wel tegoed, met respect voor het feit dat rugzakken nu eenmaal niet in een museum horen rond te lopen. Doodshoofden aan de kerkmuur wijzen me op de betrekkelijkheid van dit bestaan. Mors et vita. Het volgen van de route is een probleem in Castrojerez. Juist als ik sta te bedenken hoe verder en terug wil keren op het ongetwijfeld verkeerde spoor, komen twee meisjes naar beneden van de heuvel waartegen ik wil opgaan. Ze zijn het spoor ook bijster. In zo’n geval ga je het best terug naar de plaats waar je voor het laatst een merkteken zag. Maar ook daar komen we niet verder, elk spoor ontbreekt. Ik vraag het aan een stel oudere dames en zij wijzen ons de goede weg vanuit hun basiskennis. Het komt dagelijks meerdere keren voor, begrijp ik. De meisjes zijn jong, doen schuw en verlegen. Ze blijken uit Duitsland te komen. Samen lopen we een eindje op in de richting van de stijging naar de volgende Meseta. Van Meseta hebben ze nog nooit gehoord. Wanneer ze informeren naar de steen aan mijn rugzak en ik hen uitleg dat deze van thuis is meegenomen voor het Cruz de Ferro (Hierro) hebben ze ook daar nog nooit van gehoord. Wandelende dozen. Ik gebruik ze nog even om een foto van me te laten maken voor de klim naar boven aanvangt. Bewijs dat ik tenminste aan het begin van de Meseta stond voor het geval ik de verschrikkingen van de Meseta niet doorsta. O Mors. Vlak voor aanvang van het steile gedeelte loop ik over een dam die volgens mijn gids nog niet zolang geleden is gevonden en stamt uit de Romeinse tijd. Eenmaal boven, er zijn erger klimpartijen geweest in mijn leven, heb ik mooi uitzicht terug naar Castrojeriz en het omringende land. Vaak loont het om ook eens achterom te kijken.

De Meseta is hier niet erg breed. Na zo’n drie kwartier komt een boomgroep in zicht en nog dichterbij gekomen ontwaar ik een Don Quichotte-achtig figuur te paard. Aanvankelijk lijkt het een standbeeld, maar dichterbij komend zie ik de staart van het paard heen en weer gaan. Iets wat bij standbeelden nog niet is uitgedacht. De man met paard staat blijkbaar op wacht bij de bron van Fuente del Piojo, bron van de luis. Als ik me voorover buig om te drinken komt het standbeeld in actie en gebaart dit niet te doen. Duidelijk. Het water is niet om te drinken, maar er staat geen waarschuwing bij. Het standbeeld neemt zijn pose weer in. Het koren waarmee de hoogvlakte is begroeid werpt een goudgele glans over de uitgestrektheid. Het graanvogeltje vliegt van halm naar halm. Af en toe een zuchtje wind houdt de halmen als golven in beweging. De zon brandt moordend. Patrijzen trekken zich daar niets van aan en lopen nieuwsgierig een eindje met me mee. Ook de leeuweriken hebben geen last van hitte blijkbaar. Ze spelen hun spel met elkaar in de lucht en op het pad met mij. Telkens als ik mijn camera op hen richt en afdruk vliegen ze op. Telkens mis. Nadeel van zo’n digitaal ding; te traag. Het pad voert me naar de Ermita de San Nicolás. Het is pas op het middaguur. Een briefje op de poort vermeld dat pelgrims vanaf 18 uur welkom zijn. Wat een tijd! Om verdorsten te voorkomen hebben de Italiaanse vrijwilligers die de refugio beheren een stenen kruik met koel water aan de deur gezet. Heerlijk water, dat wel. Ik loop door want zes uur wachten is zonde van de tijd en het risico is dat de refugio belegt is door pelgrims met een GSM groot. Helaas, wéér het eremietendom niet bereikt. . . . . . Een brug uit de 12e eeuw, maar nog volop in gebruik voor ons dagelijkse verkeer, voert me over de Río Pisuerga en daarmee van de provincie Burgos in Palencia. Direct over de brug verandert het landschap. Ik waan me ergens tussen Cuijk en Linden. Het uitgesleten stroomgebied van de Pisuerga en de begroeiing hebben het landschap een Nederlands uiterlijk gegeven. Maar even verderop komen de Spaanse sferen weer volop terug. Voorbij de ermitage la Virgen de la Piedad tref ik een bar waar ik kan eten en drinken. Welverdiend na alle inspanningen en ik moet nog verder. De Meseta’s die ik nu heb gehad zijn geen afspiegeling van de verwachting die ik ervan had opgebouwd uit boeken en verhalen. Geen afschrikwekkende dingen. Geen aangeplante bomen die voor schaduw zouden moeten zorgen. Niets van alle voorspelde ellende. Gewoon heet en een lange weg, niet eens saai vanwege de prachtige vergezichten.

Gesterkt door koffie en een broodje onderneem ik de laatste negen kilometer naar Boadilla del Camino. Vriendelijk omzoomt door populieren ligt het plaatsje te bakeren in de zon. Het is inmiddels half vier. Boadilla heeft zelfs twee refugio’s, een luxe en een gemeentelijke. Ik kies voor de laatste omdat ik er meer rust verwacht. Aan luxe hecht ik niet. Al heb ik enige twijfel wanneer ik bemerk dat het gebouw één geheel vormt met de plaatselijke kroeg annex gemeenschapshuis. Maar de waard verzekert me dat er in de avond niets is te doen. Ik zoek het beste bed uit, schrijf mijn naam, nummer en gegevens in het klaarliggende boek en leg mijn credencial en geld klaar voor het geval de beherende persoon komt terwijl ik onder de douche sta of het dorpje in ben. Al is het onmogelijk ergens in dit dorp te lopen zonder dat je van overal gezien wordt. De refugio heeft in verhouding meer sanitair voor de 14 bedden dan andere refugio’s hebben. De zengende zon en een straffe schrale wind drogen mijn wasgoed al bijna voordat ik het aan de lijn heb hangen.

Het dorpje heeft een indrukwekkend laatgotisch kerkgebouw en een prachtig grote gerechtszuil, de Rollo de Boadilla, waarop het leven van de apostel Jacobus is uitgebeeld. 62a_boadilla_del_camino_gerechtszuil_afb De privé refugio is inderdaad luxe. Het zwembadje lokt eigenlijk nog het meest. Ik zie dat er vanaf zeven uur ‘s-avonds gegeten kan worden. Waarom zou dat niet gelden voor eenvoudige pelgrims die voor 3euro in de gemeenteherberg slapen? Terwijl ik belangstellend rond de kerk loop verteld een man me dat hij om acht uur ‘s-avonds de kerkdeur zal openen, wie interesse heeft kan binnen komen kijken. Hoort zegt het voort. Ik gun het gemeenschapshuis mijn eerste bezoek en breng mijn vochtgehalte met tonic op peil. Terug in de refugio merk ik dat er nog een pelgrim is aangekomen. Patricia van rond de 55. Ze woont in India, komt uit New York en heeft een Engelse moeder en een Duitse vader. Patricia is dan ook veeltalig zal later blijken. Ze werkt aan een boek, maar nu even niet. Nu ondergaat ze de Camino. Samen besluiten we in de privé refugio te gaan eten, nadat we de kerk hebben bezichtigd. Een Ascunciónkerk met fraaie renaissance altaren en een romaanse doopvont, wel een allegaartje eigenlijk. In een grote glazen reliekschrijn ligt een mansgrote Christus, in lendendoek gewikkeld, de voeten bloedend van de kruiswonden. Het geheel kan blijkbaar worden meegedragen in een processie, er zitten handvatten aan. Je zou er medelijden van krijgen. Als we na dit alles terug zijn bij onze refugio zie ik een jongeman van begin dertig naderen. Duidelijk zwaar vermoeid. Hij komt van Rabé de las Calzadas gelopen, toch al gauw een dikke 47 kilometer en dat met deze hitte. Het is hem aan te zien. Hij had zich ook vergist in de refugio van Ermita de San Nicolás, het was vol zodat hij verder moest lopen. Ik houd hem de keuze voor tussen de eenvoud van ons onderkomen of de luxe van de privé refugio, maar hij verzet geen stap meer en ploft op het eerste het beste bed wat hij tegenkomt. Moederlijk ontfermt Patricia zich over de jongen en ik verbaas me wat ze allemaal aan wondermiddelen uit haar rugzakje tovert. Wie sleept überhaupt zoiets allemaal mee? Maar Jon, die eveneens uit New York blijkt te komen, is er reuze blij mee en ondergaat alles lijdzaam. Na zich te hebben gewassen ploft hij op bed en is meteen in diepe slaap verzonken. Ook wij gaan slapen, tenslotte was het een lange dag en 40 kilometer met hielspoor laat sporen na. Al blijft het wonderlijk hoe snel je ‘nn vermoeidheid kwijt bent.

Leeuweriken en mieren zijn alweer vroeg actief. Het zal dus opnieuw warm worden vandaag. De vroege ochtendzon schittert in het Canal de Castilla, een in de 18e eeuw gegraven kanaal compleet met sluizen. Ik krijg er het gevoel langs de Zuid Willemsvaart te lopen. In Fromista, de oude pleisterplaats aan de Jacobsroute is nog weinig leven zo vroeg. De vroeg romaanse kerk San Martin blijft gesloten. Niet zo’n ramp want hier gaat het meer om de buitenkant, de met menselijke figuurtjes versierde kraagstenen onder het dak, tronies en dierkoppen. Wat ze in onze Sint-Jan op de luchtbogen hebben zitten hangt hier in het klein onder het dak. Meesterlijk. Het kerkje in Población de Campos lijkt in de grond te zijn gezakt. Meer dan een meter ligt het onder het huidige maaiveld. Is er echt zoveel aarde bijgekomen in al die eeuwen? Na Población begint een nieuwe ellende. Niet het bord ,,Santiago de Compostela 496 km”, als ik in de auto zou zitten zou het me meer doen. Nee, vlak naast de rijbaan loopt een breed zandpad, bezaait met de bekende kogelronde grote kiezelstenen. Bij elke zijweg staan 2 x 2  betonnen palen die moeten voorkomen dat auto’s of tractoren het pad als sluipweg gaan gebruiken. Een kijk ver betonpalen. Het geheel heeft iets weg van de Siegfriedlinie. Werkelijk geen gezicht, dominante betonpalen zover je kunt kijken. Ik vraag me af of het niet beter zou zijn de rotkiezels vast te laten rijden door een toevallige tractor dan dit landschapbedervende betonwoud te laten voortbestaan. Om te voorkomen dat er toch nog pelgrims zullen verdwalen is niet nagelaten met grote regelmaat een markering en gele pijlen te zetten. Wellicht is er toch teveel EG-subsidie verstrekt.

Legende van de staf: Vanaf de 13e eeuw wordt in Villalcazár de Sirga een mirakelbeeld van Maria vereerd, de Virgen Blanca. Een Franse pelgrim had als boetedoening een pelgrimage naar Santiago de Compostela opgelegd gekregen, met als boetelast een staf die maar liefst 12 kilo woog. In de kerk van Villalcázar de Sirga laste hij een pauze in om de Witte Madonna te begroeten. Terwijl hij in aanbidding voor het mirakelbeeld knielde brak zijn staf plotseling doormidden. De pelgrim zag er een teken in van de Witte Madonna en vervolgde zijn weg, 12 kilo lichter.

Het is me al eerder opgevallen maar vandaag wordt het nog me nog duidelijker; Spanjaarden leggen hun dodenakkers ver buiten het dorp in het veld. Alle dodenakkers zijn afgesloten. De graven hebben soms meer weg van een schuurtje waar schijnbaar bij elke nieuwe dode een etage bovenop gezet wordt. Ze liggen er wat troosteloos en vergeten bij. Nooit zag ik er iemand die een graf bezoekt. Maar dat kan ook niet met zo’n afgesloten hek. De kleine omweg door Villázar de Sirga is een verademing in het betongeweld. De gotische kerk van Santa Maria la Blanca vult massief het centrale plein. Op de boog van het Romaanse trechtervormige portaal staat Christus met zijn 12 apostelen afgebeeld. Het is smullen. Om 10 uur zal de kerk open gaan dus wacht ik, ontbijt en drink koffie. Maar om kwart over tien is er nog niets gebeurd en de waard kan me niet beloven dát het gebeurt. Dus stap ik om half elf maar op zonder een bezoek aan de Witte Maagd.

63a_villalczar_de_sirga_pelgrimsherberg_  Het is druk op de route. Je kunt merken dat er sinds Burgos veel mensen zijn bijgekomen. Ze dragen kleine rugzakjes en lopen kleine etappes. De meeste zullen in León weer stoppen om later in het jaar een nieuw traject af te leggen. Maar er zullen weer nieuwe voor in de plaats komen. Om 11:20 uur bereik ik het zusterklooster van de Clarissen in Carrión de los Condes. Voor vandaag is 26 kilometer genoeg. De knecht van de zusters wijst me de kamer en legt uit hoe de kraan werkt. Hetzelfde als bij ons. Ik geniet de luxe een kamer met drie personen te delen. De Duitser die er later bij komt gaat op bed liggen, slaapt en snurkt. De derde die komt is Hubert, een gemoedelijk Fransman, 60-er. Hij komt vanuit Vézelay gelopen en wil zijn verhaal wel kwijt. Carrión de los Condes is een vriendelijk oud stadje. Ik loop het stadje door, bekijk de kerken en het museum en vindt de bibliotheek waar ik op Internet kan. Foto’s maken in de kerk is verboden, anders verkopen ze geen kaarten meer. Bij toeval kom ik langs het postkantoor en vul er mijn postzegelbestand aan, er is nog meer te vieren deze maand. Ik loop naar de oude brug over de Río Carrión en het voormalige 12e eeuwse klooster San Zoilo waar een driesterrenhotel van is gemaakt. Mijn hak begint weer op te spelen dus zoek ik een rustpunt. Terwijl ik op een terrasje zit en mensen bekijk komt een oude man met mopshond naast me zitten. Zijn kleine rugzakje verraad een minipelgrim. Hij is afkomstig uit Ierland en wacht op de bus voor een volgende etappe vertelt hij me. Te oud om te lopen doet hij de Camino met de bus of taxi, in gezelschap van zijn hondje met platgeslagen neus. Hij geniet op zijn manier. Tenminste een plaats waar vanaf zeven uur ‘s-avonds gegeten kan worden. Men stemt zich toch graag af op buitenlandse gewoonten blijkbaar. Tijdens het eten tref ik Patricia en Tony met Claudia, het Canadese stel. Samen eten we ons avondmaal en luister ik indirect en zonder het te willen naar de sterke verhalen van drie Nederlandse fietsers die enkele tafels verderop zitten. Het zijn West-Friezen aan hun taal te horen. Ze hebben niet in de gaten dat iemand hen verstaat. Ze hebben het te druk met elkaar luid af te troeven over de 60 kilometer die ze vandaag hebben afgelegd. Pas als ze weggaan, groet ik ze vriendelijk waarop ze me toch enigszins beteuterd aankijken. Terug in de refugio maak ik me toch ernstig zorgen om mijn linker hak. Ik bekijk mijn inlegzool om te zien of ik iets kan verzinnen op het probleem en merk dat de zool flink is platgelopen en doorgedrukt. Ik heb nieuwe zolen bij me, dus dat zal de oplossing worden.

Vandaag gaat mijn route over de Páramo. Páramo staat voor kaal en leeg gebied. Mijn wandelgidsje bereidt me dan ook voor op schier eindeloze vlakten en een dor landschap. Het wordt slechts doorkruist door veedrijverroutes. De cañadas reales waren brede grazige banen dwars door Spanje die door veedrijvers werden gebruikt om het vee te verplaatsen naar grazige weiden. Ze dateren al uit de 12e eeuw. Tegenwoordig hebben ze voornamelijk landschappelijke en ecologische waarden. Alle cañadas tezamen hebben nu nog een lengte van zo’n 125.000 kilometer en een oppervlakte van 5000 m2. Geen grazige weiden en ook de Río staat droog. Psalm 23: hij voert me naar wateren waar ik kan rusten, is hier niet van toepassing. Ik wil vandaag tot Sahagún komen. Weliswaar meer dan 40 kilometer, maar dan heb ik tenminste een belangrijk stuk van het saaie gedeelte gehad. Het zal van mijn nieuwe inlegzolen afhangen of de afstand er in zit. In ieder geval tijd genoeg om na te denken vandaag. Landschappelijk belooft het niet veel, mijn voeten doen automatisch het werk. De voetstappen die ik achterlaat zullen vanavond zijn overlopen door vele andere of verwaaien met de wind. Het zal niemand opvallen dat ik er was. Mijn gids vermeldt dat er geen bronnen zullen zijn onderweg, geen bars of winkeltjes. Het zal dus een vasten- en onthoudingsdag worden. Net voorbij de oude brug over de Río Carrión beland ik in een ware pelgrimsfile. Met flink doorstappen en mijn ontbijtpauze te verzetten raak ik uit de stoet verwijderd. Een stoet van mensen in de meest vreemde uitmonstering, op sandalen, gymschoenen, slippers, rugzakken overbeladen en rugzakjes van niks, kleding of men de Noordpool gaat verkennen en kleding die weinig om het lijf heeft; ik loop het allemaal voorbij en verwonder me. De nieuwe inlegzool doet het prima. De hak zakt minder diep weg zodat de aanhechtingsspier minder te lijden heeft. Ik voel dat het goed zit.

Bij Terradillos de los Templarios tref ik een oud verlaten augustijnenklooster, merendeels opgebouwd uit leem. Typisch voor dit gebied is dat men vroeger en ook nu nog gebruik maakt van adobe, leem waarmee stenen worden gemaakt door de zon gedroogd of buitenmuren worden bestreken. Men had weinig keus, leem is het enige materiaal in deze streek. Vandaag zing ik uit Augustinus belijdenissen: ,,U hoger dan mijn hoogste hoogte, U dieper in mij dan mijn diepste zelf”, ,,Onrustig is ons hart, totdat het rust in U”. De hymne ,,Magne Pater Augustine preces nostra susipe” wil maar met flarden in me opkomen. Te ver weggezakt denk ik. Al zou het ,,Summum decus praesulum; blijf uw wegen met ons gaan” hier toch wel op zijn plaats zijn geweest. Helaas. Ook op cruciale momenten laat de Stichter me in de steek. Ik ben op weg naar Sahagún en dus naar de plaats waar Joannis a santo Facundo werd geboren. Als augustijn werd hij tot patroon van onze Boskapel in Nijmegen verkozen en als zodanig houden Augustinus en hij me de hele dag bezig. Wat weinig augustijnen hem schijnbaar nadeden; Joannis was vroom van de wieg tot het graf. Salamanca, waar hij studeerde en professor was wist zijn vroomheid te benutten om de eigen status op te vijzelen en daardoor meer studenten aan te trekken. Aan de lange saaie, geestdodende weg lijkt geen eind te komen. Mijn rugzak hangt zwaar vandaag. De zon brandt onbedaarlijk en het zweet gutst met stralen van mijn lijf. Gelukkig heb ik mijn kameelzak tot de rand gevuld vanochtend. Om mijn moreel op te vijzelen zeg ik regelmatig tegen mezelf dat er altijd een eindpunt komt en overal wel een slimme waard is te vinden die graag verkoopt aan dorstige pelgrims. En onderwijl zing ik Augustinus als een CD-speler die op replay staat. In Terradillos de los Templarios tref ik een bar met een uiterst chagrijnige waard die me bijna doet besluiten door te lopen. Ik verwacht hier dezelfde reacties als van de waard in Cardeñuela (niets ten nadele van zijn hulpvaardige vrouw overigens) die opmerkte: ,,Por favor hoef ik niet, ik wil alleen jullie geld”. De benaming ,,de los Templarios”’doet denken aan de Tempeliers, de ridderorde die in de 12e eeuw vochten voor behoud van het Heilig Land. Ridder-monniken waren het eigenlijk, schatrijk geworden door bezittingen en leengoederen. Ten gronde gegaan door de machtsstrijd en haat in de eigen Kerk waar zij zich zo voor hadden ingezet. Koffie en de wetenschap dat er minstens nog 14 kilometers vóór me liggen maken me tam. De dorpjes waar ik door kom lijken uit een andere wereld; lemen huizen, vervallen merendeels en verlaten kerkjes. Jeugd heeft de Kerk in Spanje massaal de rug toegekeerd. De Kerk heeft hen niets te bieden, ze worden niet actief betrokken waardoor een gelatenheid en passiviteit ontstaat die fnuikend is. Het zijn alleen ouderen en merendeels vrouwen die de kerk bezoeken. Het gaat hier als in Nederland. Het lijkt vandaag of ik door de graanschuur van Spanje loop; koren links, rechts, voor, achter me en dat uren achtereen en zover mijn blik reikt. Een aasgier zweeft boven het veld op zoek naar prooi. Als hij het maar niet op mij heeft gemunt. Maar aasgieren worden hier bijgevoerd in de hoop dat ze zich vermeerderen en blijven, weet een plaatselijke boer me te vertellen. Grove kiezels waar geen eind aan lijkt te komen vormen het pad. Mijn voeten krijgen extra massage, al voelt het niet zo prettig aan mijn enkels. Enkele kilometers lang loopt het pad over de autoweg. Het pelgrimspad heeft ook hier plaats moeten maken voor de vooruitgang. Passerende vrachtwagens blazen me zowat van de weg. Van achter hoor ik Nederlanders tegen elkaar schreeuwen. Drie fietsers komen in hoge snelheid van de heuvel gerold. Ze hebben geen oog voor een eenvoudige wandelaar, snelheid is belangrijker. De ene fietser heeft een reservewiel achter op de bagagedrager, je moet tenslotte op alles zijn voorbereid. Aan een andere fiets wappert een kleine uitvoering van de Nederlandse driekleur. Nee, laat mij maar wandelen. In tegenstelling tot wat mijn gids meldde, kom ik na Calzadilla de la Cueza verschillende bronnen tegen. Al met al drink ik 5 liter en zweet er 10 uit is mijn inschatting. Op twee bananen, één peer en twee Marguerita’s (dat zijn cakes) nader ik Sahagún. Van grote afstand tekent de stad zich af. Een merksteen wijst me erop dat ik de provincie Palencia verlaat en de provincie León betreedt. Het landschap past zich direct aan. Saaier en monotoner kan nauwelijks. Vlak, niets wat eruit springt, absoluut geestdodend en de proef op de som voor eenzame pelgrims. De jonge Catalpa’s die links van het wandelpad zijn geplant lijken niet echt tevreden met hun lot. Van de meeste rest niets dan een dode stok, anderen waar nog wel blad aan zit zullen wellicht het volgende jaar niet halen. Als het bedoeld was om het saaie stuk wat op te vrolijke, dan is het mislukt. Waar het saaie pad uiteindelijk tegen een berm met viaduct lijkt vast te lopen, komt achter de hoge berm een eind aan de eentonigheid. Vóór me in de verte strekt Sahagún zich uit. Bedrijfsgebouwen domineren de horizon, een enkele kerktoren probeert er nog wat van te maken. Een pad omzoomd door hoge populieren voert me naar de Ermita Virgen del Puente, de hermitage van Onze Lieve Vrouw van de Brug. Als ik zou besluiten tóch nog eremiet te worden, zou ik hier gaan wonen. Idyllisch ligt het kerkje aan de oude boogbrug. De populieren kleden het plekje aan. Ik zou niet omkijken in de richting van Sahagún, maar mijn blik op het bruggetje en het achterland gericht houden.

450_virgen_del_puente_14e_etappe_a Op een picknicktafel leg ik me even te rusten, de banken zijn er vol gescheten door vogels. Het zouden maar vlekken worden die ik niet uit mijn kleren gewassen krijg. De man die me al urenlang volgt passeert me nu, zichtbaar tevreden dat ik uitgeteld op tafel lig. Het kleine rugzakje verraad zijn korte tour. Of misschien heeft hij weinig nodig. Als ik Sahagún nader raak ik verder ontluisterd. Wat een troosteloos geheel. De inkomst loopt via een fantasieloos industriegebied waar kraak noch smaak valt te bekennen en gaat over in lange rijen arbeiderswoninkjes, armoedig en verveloos. Er valt geen groen te bekennen. Het stadsbeeld waarin ik terecht kom wanneer ik de spoorlijn over ben krijgt vooralsnog het voordeel van de twijfel. De refugio ligt direct aan de rand van het stadje. Het is een oud kerkje waar een nieuw dak op is gezet. De grote ruimte wordt gedeeld. Het ene deel is in gebruik als concertzaal en schouwburg. In het andere deel op de bovenetage is de refugio gevestigd. De grote zaal van de refugio is verdeeld in vier lange rijen chambretachtige stapelbedden. Ik kies ervoor zover mogelijk achterin te liggen en kan vanaf mijn bed door het gordijn de plaatselijke fanfare volgen die repeteert. Een heel bijzondere refugio. Tijdens het douchen hoor ik een Nederlander bij herhaling en in steenkolenengels tegen iemand uitleggen dat hij met zijn vrouw wel 2700 kilometer heeft gefietst wanneer ze in Santiago zijn aangekomen. Daar heb je er al weer zo een, denk ik. Als ik uit de douche kom zie ik dat het mijn achtervolger is waartegen de Nederlander het heeft. Achtervolger staat wat ongelukkig naar mij te kijken want hij snapt er helemaal niets van. Ik kan hem duidelijk maken dat de man vanuit Nederland naar Santiago fietst. Maar voor fietsers heeft Achtervolger weinig waardering. Wanneer hij dat in gebarentaal en internationale tekens aangeeft volgt er een Nederlandse scheldpartij op Spanjaarden. Ik geneer me en trek me terug. Tolken is toch al niet mijn sterkste kant, opblazen ook niet. Sahagún ontstond op de plaats waar de Romeinse legionair Facundus stierf. Het kreeg er de naam Santfagunt door, plaats van Facundus. Op deze plaats ontstond een benedictijnenabdij die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste van Spanje. Van dat klooster is niets over. Een klooster voor Benedictinessen is ervoor in de plaats gekomen. Sahagún heeft twee kerken, waarvan de San Tirso het meest indruk maakt door de typische bakstenen toren die vier verdiepingen telt. De toren heeft op elke verdieping vier of vijf open vensters en is versierd met bakstenen kapitelen en zuiltjes. (komt hier de naam van de lekenaugustijnse kroniek ,,Open Vensters” misschien vandaan?) Van binnen is er weinig fraais te zien. Sahagún is een smakeloze stad. De straten liggen bezaaid met troep,  alsof de weekmarkt net voorbij is. Het is zaterdag, maar of men onderling afspraken heeft gemaakt zijn alle eetgelegenheden gesloten. Vandaag komt mijn blik linzen en de worstjes die ik al even meesleep goed van pas. De refugio heeft een keukentje en het is dringen rond het kooktoestel. Een aardige Poolse heeft teveel kersen gekocht onderweg en schenkt mij het overschot. Het fietsende echtpaar zit met ranja en nootjes een kaartje te leggen. Ik praat een poosje met ze om het contact te verbeteren. Vroeg slapen en vroeg weer op. De stad van Joannis a santo Facundo is erg tegengevallen.

Het is nog donker wanneer ik vertrek. Sahagún zorgt maar slecht voor zijn pelgrims, het is erg zoeken om de stad in de goede richting uit te komen. Blijkbaar is Sahagún centraal uitgaanscentrum voor de jeugd. De portieken worden benut om er onbeschaamd te vrijen. Zelfs de politiewagen gaat eraan voorbij. Waar moet ik me als eerbaar pelgrim dan om bekommeren? Vandaag vind ik 25 kilometer genoeg. Het is zondag en ik wil tot Ledigos komen. Achtervolger wil me daar treffen, hij heeft er lol in gekregen blijkbaar. Direct na Sahagún beginnen de vermaledijde kiezels weer. Harde zandgrond met daar bovenop grote ronde kiezels die continue een aanslag op je voeten, enkels en hielen doen. In de berm lopen is geen alternatief; er is geen berm, alleen die rotstenen. Het landschap heeft ook vandaag niet veel meer te bieden dan opnieuw vergezichten met koren of vergezichten met niets. De erg actieve mieren worden vertrapt door de horde pelgrims. Het is er druk vandaag. Geen idee trouwens waar deze horde zo plotseling vandaan komt. Na ruim 11 kilometer komt de eerste bar in zicht. Croissants en café solo. Maar het is er al druk. Een vriendelijke jonge Française die ik trof in de refugio van Sahagún nodigt me uit bij haar aan het tafeltje. Ze doet me aan onze Franse buurvrouw Séverine denken, knap en pittig. Goede baan, maar op bezinning uit vertelde ze me. Maar ik besluit om door te lopen naar El Burgo Ranero een kilometer of acht verderop. Ze is zichtbaar teleurgesteld, maar met haar voorkomen vindt ze vast en zeker een ander gewillig oor.

Legende van de kikkers: Even voorbij Sahagún op de schrale dorre vlakte ligt het typisch Castiliaanse dorpje El Burgo Ranero. Een oude legende verteld over de rijkdommen van dit arme schaapherdersdorpje met zijn lemen huizen; arme inwoners, maar rijk aan appels en kikvorsen. Luid kwakende kikvorsen. Zo luid dat het alle dorpsbewoners van horen en zien vergaat.
Behalve het zoontje van een van de allerarmste families van het dorpje. Hij is doofstom geboren en hij is dan ook de enige die nooit last heeft van de kwakende kikkers. Tevreden zit hij de kikkers te bestuderen in hun springen en spelen en hoe ze de ooievaars proberen te ontwijken. Onderwijl zwaait hij naar de voorbijkomende pelgrims die op weg zijn naar Compostela. Op ’n dag komt een pelgrim voorbij die een bijzondere indruk maakt op de doofstomme jongen. De pelgrim is gekleed in een wijde mantel, hoed met schelp op het hoofd en een staf met kalebas in de hand, zoals zoveel pelgrims eigenlijk. De kalebas schommelt heen en weer aan de pelgrimsstaf, het is duidelijk dat zijn water op is. Erg om op deze droge vlakte zonder water te zitten. Uit medelijden schenkt de doofstomme jongen zijn enige appel aan de pelgrim. De pelgrim bedankt de jongen, maar deze kan hem natuurlijk geen buen camino” toewensen en lacht hem daarom enkel vriendelijk toe.
Terug in het dorp voelt de jongen zijn hoofd zo licht worden, alsof er muziek door zijn hoofd klinkt. Verrast over zichzelf spreekt hij en roept uit: ,,hoor toch mensen, hoor wat voor prachtige muziek er klinkt. Het moeten de kikkers zijn die zingen van ons mooie Castiliaanse land, van de vijvers waarin ze zich spiegelen, de appelbomen, de zon en de hitte van de Cañadas. Ze begroeten de pelgrims die aan ons mooie dorp voorbijkomen”. De dorpsbewoners luisteren verwonderd naar de jongen en ook op hen maakt het gekwaak nu plotseling de weldadige indruk van jubelkoren en muziek.
Alle mensen verstonden het wonder en besefte dat ook de heilige Jakobus zelf de pelgrimsweg bewandeld.

65a_rotstenen_15e_etappe O beata solitudo. Ik loop maar wat te suffen vandaag. Me voortdurend beducht om die rotstenen te ontwijken. Wanneer El Burgo Ranero opduikt blijft het in de verte aan mijn linkerkant liggen en hoe ik ook voortga, het blijft ver weg. Ik twijfel eraan of ik de juiste weg heb. Merktekens waren er al weinig onderweg, alleen af en toe een betonpaaltje met schelp. Ik bestudeer mijn kaartje en de gids, loop een eind terug om toch maar te besluiten door te lopen. Een spoorlijn in de verte geeft me de zekerheid dat ik ergens op het goede pad moet uitkomen. Het lijkt uren te duren en de onzekerheid groeit. Voor het eerst roep ik naar Boven om hulp, om een merkteken of een seintje dat ik goed zit. Maar Boven zwijgt, ondanks dat het zondag is. Ik zie op mijn horloge dat het tijd is voor de hoogmis. De Trappisten zijn nu hopelijk aan het bidden dat het mij goed zal gaan. En juist nu loop ik blijkbaar verkeerd. Ik heb geen keus, teruggaan brengt me ook niet verder. De zon begint te branden, water is er niet, bomen zijn er ook niet alleen een vaag pad en een eindeloos uitgestrekte kale vlakte van de Campo. Omdat er voldoende bronnen waren voorspelt en koffie gelegenheden, had ik maar weinig water meegenomen vanochtend. Mondjesmaat verdeel ik het door de tijd. Eindelijk enige zekerheid. De spoorwegovergang waarop ik had gehoopt en de eerste markeringspaal sinds uren. Op het goede spoor! Mijn moreel stijgt, ik bedank het toeval, Boven en de Trappisten voor hun hulp en begin aan de weg naar Ledigos. Maar hoe lang ik loop, geen Ledigos. Ik loop al een hele tijd op mijn eigen schaduw te trappen; ik loop dus in ieder geval westwaarts. Mijn geest raakt vol van de gedachten aan ’n heerlijke café solo. Antonius kon in zijn woestijn niet erger bekoord worden. Mijn kameelzak is inmiddels leeg, bronnen zijn er niet. De irrigatiekanalen stromen volop en kwistig, maar ik durf het water niet te drinken. Het is heerlijk om mijn hoofd te koelen. Regelmatig dompel ik mijn petje in het frisse water om de zengende zon van mijn hoofd te houden. Ik merk dat ik op mijn reserves ga lopen, niet gegeten, geen drinken. Het weinige fruit en de enkele hazelnoten richten weinig meer uit. Mijn vingers kan ik bijna niet meer recht krijgen als ik mijn wandelstok van de éne in de andere hand verplaats. Opnieuw roep ik naar Boven, opnieuw geen directe verbinding. Ook de doorschakeling via de trappisten werkt niet. Zingen is mijn enige remedie, vloeken helpt niet. Attende Domine komt in alle hevigheid weer op mijn repertoire. Na ruim acht uur ononderbroken lopen ontwaar ik graansilo’s in de verte. Dat moet Ledigos zijn. Boven wordt bedankt en mijn moreel opgekrikt. Opnieuw lijkt het beloofde land niet dichterbij te komen. Het schiet nauwelijks op. Mijn rechterhiel begint zeer te doen. De nieuwe inlegzool rechts gaat opspelen, ik loop teveel met mijn hiel op de rand.

Als ik uiteindelijk als ik bij het dorpje aankom blijk ik in Mansilla de las Mulas te zijn. Na de 41 van gisteren heb ik vandaag ruim 43 kilometer gelopen zonder rust en zonder eten. Gekkenwerk, maar wat doe je als je door Boven volkomen in de steek wordt gelaten? Mansilla de las Mulas telt één refugio die door de gemeente wordt beheerd. Dus is er niemand om in te schrijven. Ambtenaren die werken, werken op zijn vroegst vanaf vier uur ’s -middags. Een vriendelijke Amerikaan legt me uit dat de refugio vol is. Ook dat nog. Ik loop de kamers door om mezelf te overtuigen en zie inderdaad alleen maar belegde bedden. Teleurgesteld loop ik de straat in om ergens privé onderkomen te zoeken. Enkele pelgrims die op een terrasje zitten zien me weer naar buiten komen en informeren waarom ik doorloop. Als ze horen dat er geen plaats is adviseren ze me terug te gaan en in het gebouw achter de binnenplaats te kijken. Daar blijkt inderdaad nog een slaapzaal waar de bedden weliswaar dicht op elkaar staan, maar er is in ieder geval een bed voor me. Na de douche en mijn wasje is dat ook mijn eerste verplichte rust na deze zware dag. Omdat ik mijn vingers niet recht kan krijgen en ik ook nog krampen in mijn kuiten krijg ga ik in de keuken maar eens flink drinken. Water, aangevuld met wat zout moet helpen. Ik denk dat ik zo wel drie liter water naar binnen giet. Bij het eten extra zout en Tonic waar kinine inzit moet voldoende zijn. Inderdaad verbetert de toestand na enige tijd. Het is me wel duidelijk dat ik vandaag teveel kalium ben kwijtgeraakt en dat is niet zo verstandig. Mevrouw van de gemeente is ook aangekomen. Ik kan me inschrijven en krijg een stempel in mijn credencial. Als ze ziet dat ik uit Sahagún kom lopen fluit ze tussen haar tanden. Ik leg maar niet uit dat het een misverstand was. Marie-Claire wenst me een goede vaderdag. Ach ja, dat gaat natuurlijk ook gewoon door. Vandaag wordt Jetje haar 1e verjaardag gevierd. Mijn kaart die ik vanuit Belorado verstuurde zal wel zijn aangekomen. Heeft Jet wat om te scheuren, ze verslindt nu al alles waar lettertjes op staan. Dat belooft wat te worden. Een Duitser die alleen de route fietst heeft behoefte aan een praatje. Ook al een weggelopen vrouw, weet ik na 2 minuten. Maar ach, wat maakt het me uit. Samen gaan we op stap en zoeken een eetgelegenheid. Het is een slimmerik en besteld altijd een salata mixta zonder sla want dan krijgt hij meer van al het andere! Ik ben gewoon niet slim genoeg. Tijdens het eten begint het fors te regenen en te onweren. Het was ook te heet en broeierig vandaag, dat moest ervan komen. Een bui ter afkoeling is erg welkom. Ik slaap als een roos en merk niet eens dat in de slaapzaal iemand een hartinfarct heeft gehad en naar het ziekenhuis is gebracht.

Het is droog en opgefrist vanmorgen. 20 juni. Morgen schijnt de zon op het kapiteel in San Juan de Ortega. Mijn vader zou 109 zijn geworden vandaag, Karola wordt 70, Nancy een stuk jonger. Proficiat alle. Ik zing voor ze. Vandaag doe ik het op mijn gemak. León is mijn einddoel en dat is maar 21 kilometer. Zo houd ik tijd over om in alle rust de stad te verkennen. Een uitgebreid fruitontbijt en ISO-drank moeten me nieuwe krachten geven. Het werkt. Het is een mooie ochtend. De route is niet spectaculair en gaat zelfs hele stukken over de rijbaan. Maar voor het eerst sinds vier dagen loop ik over wegen die niet bezaaid zijn met grove kiezelstenen. Dank aan Boven en de Municipio. Ik train mijn voeten door bewust te lopen en ze goed af te wikkelen tijdens het lopen. Door het dagenlang lopen over de kiezels en de te losliggende rechter inlegzool ben ik verkrampt gaan lopen en voel dat. Maar wat wil je. Als ik de afstanden bezie die ik loop, moet ik onwillekeurig terugdenken aan mijn dienstplichttijd op de Kaderschool Infanterie in Vught. De afmattingsweek die we daar moesten ondergaan, had wel wat gemeen met het lopen nu. Maar nu hoef ik geen metersdiepe kuilen te graven voor een verdwaalde lucifer of me laten kleineren. Nu doe ik zoiets vrijwillig. Omdat ik later ben vertrokken dan anders, beland ik midden in een sliert van pelgrims. Het lijkt op de Vierdaagse. Opnieuw ben ik blij aan een dergelijk evenement niet mee te hoeven doen. 

cid-95342381025012007-0b4a

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s