DEEL 5 León – Villafranca del Bierzo

Leon_kathedraal Bij Alto del Portillo krijg ik een fraai uitzicht op León en de kathedraal die trots boven alles uitsteekt. De oude brug over de Rúo Bernesga komt vertrouwd over; Maastricht, Regensburg. De gele pijlen maken plaats voor bronzen schelpen in het wegdek. Het mag wat kosten, León wil wat doen voor haar pelgrims. Al om 10:15 uur ben ik in León. De refugio van de zusters Benedictinessen is nog gesloten. Een pelgrim die toch voor de poort blijft wachten is zo goed op mijn rugzak te passen zodat ik wat kan rondwandelen. León komt uiterst sympathiek op me over. Een schone stad. Geen schreeuwende reclames. Het oude van de stad en het nieuwe zijn met smaak op elkaar afgestemd. De refugio bij de zusters is groot. Slaapzalen met wel 40 bedden. Het sanitair is niet berekend op zo’n massa. Naar goed kloostergebruik slapen mannen en vrouwen op een aparte slaapzaal. Zo hoort het. Wie wil kan ‘s-avonds om zeven uur de vespers komen bijwonen en om half tien een dagsluiting. Bij het douchen ontdek ik een venijnig blaartje op mijn rechterhiel die is veroorzaakt door de nieuwe inlegzool. Omdat ik die zool in Gemert heb laten inkorten blijk ik nu teveel op de rand te lopen. Ik besluit de oude inlegzool in mijn rechterschoen te doen om zo het probleem op te lossen. Tenslotte had ik voorheen rechts geen last. Ik ga de stad in en zoek de bekende plaatsen op. De Plaza Mayor met de kerk van San Marcelo in strakke herrera stijl, de San Isidoro, het Casa de Botines een gebouw van Gaudi in zijn mathematische Jugendstil. Het is fraai zitten op het terras en goed voor de rust van mijn hak. De dienster biedt me voor een habbekrats een slaapplaats aan midden in het centrum van de stad. Ik bedank, want deze nacht slaap ik bij de zusters. Da’s veiliger ook.

De kathedraal Pulchra Leonina, Santa Maria van León is prachtig. De bouw heeft van 1200 tot in de14e eeuw geduurd. Vanwege een precair evenwicht in het gebouw zijn tot op de dag van vandaag kostbare aanpassingen nodig. De bouwstijl van de kerk is Noord-Franse gotiek. Twee imposante torens van lichte zandsteen worden met elkaar verbonden door een spits middenstuk met kleine torentjes. In het middenstuk een kopie van het beeld van de Witte Maagd, Nuestra Señora la Blanca, en (alweer) een Laatste Oordeel. Hieronder drie rijk bewerkte portalen die toegang geven tot de kathedraal. Van buiten is de kathedraal indrukwekkend bewerkelijk met zijn torentjes, pinakels, steunberen, vensters en openingen; robuust, fragiel en breekbaar tegelijk. Binnen in de kathedraal is het een majestueuze grootsheid die overweldigd. Het maakt je stil en nietig zodra je de immense ruimte op je laat inwerken. Het stenen geraamte van de kerk en de pilaren zijn teruggebracht tot een absoluut minimum, waardoor de zeer hoge glas in lood ramen alle vrijheid krijgen voor een maximale lichtinval. Overal waar je kijkt is ruimte. Ofschoon het voor mijn hak beter zou zijn meer rust te krijgen, geniet ik van alle moois wat León me te bieden heeft. En dat is veel. Ik voel me er thuis. In de vespers zitten 12 oude zusters waarvan er ééntje kan zingen. Ondanks het orgel dat meespeelt, lukt het de anderen niet op toon te blijven. Ook Achtervolger van Sahagún is in de kerk. Hij is zichtbaar gelukkig mij weer te treffen. Na afloop moet ik hem dan ook uitleggen waar en hoe ik verkeerd liep. Hij begrijpt het omdat hij vóór El Burgo Ranero ook de fout in ging maar zich tijdig kon herstellen. Aan de hand van zijn wandelgids bekijken we de zaak grondig, zonder ook maar iets aan het geval te kunnen veranderen. De dagsluiting begint veel te laat. Juist wanneer ik me afvraag of ik niet beter kan gaan slapen, komt een zuster ons roepen. Zo’n 20 personen nemen deel, best veel eigenlijk. De rest is al gaan slapen. De zuster houdt haar praatje in het Spaans, een vrijwilligster vertaald het in het Frans zodat nagenoeg alles me ontgaat, er wordt een lied gezongen en dat was het dan. Kloosters dragen eigenlijk maar weinig bij aan het pelgrimsgevoel. Ik had er meer van verwacht. Het slapen op de overvolle zaal valt niet mee. Vanwege onweer en de straatdrukte zijn alle ramen gesloten zodat het muf en ongezond is in de slaapzaal. Een onvriendelijke Marokkaan die beneden me slaapt snurkt op een nog nauwelijks gehoorde manier. Door met het bed te waggelen krijg ik hem even stil, waarna hij direct en met nieuwe energie opnieuw begint. Ik geef het op. Als ik opsta voel ik mijn hak niet erger dan anders. Het zal dus wel meevallen. De blaar voelt wel gevoelig aan en ik plak hem af met tape.

In het donker zoek ik mijn weg via de bronzen schelpen in het wegdek. Straatvegers zijn actief in de weer om León van vuil te ontdoen. Ze zijn zichtbaar verheugd dat er iemand is die ze groet. Enthousiast groeten ze me terug: Buenas dias señor Peregrino! Het duurt even voordat ik León uit ben en inmiddels wordt het licht. Het lijkt erop dat na 21 juni de ochtenden er meer moeite mee hebben hun licht op sterkte te krijgen. Het wordt elke dag later licht en het proces lijkt een beetje op een spaarlamp. Kon ik in aanvang om kwart voor zes uur ‘s-morgens vertrekken met licht, nu is het al kwart over zes voordat het ochtendlicht moeizaam op gang begint te komen. Via de oude Romeinse brug bij San Marcos verlaat ik de stad. Ik ga de Páramo tegemoet. Even buiten de stad kom ik in La Virgen del Camino waar een modern kerkgebouw aan de weg staat. De interessante bronzen zijdeur en beeldengroep wekken mijn belangstelling. De voorkant is geweldig. Over de hele breedte staan grote bronzen figuren die tot aan het platdak reiken. Apostelen denk ik, het zijn er twaalf met Maria in hun midden. Een hoge ranke toren, naar boven toelopend in de punt van een driehoek, geeft het gebouw macht. Het doet me even denken aan de kerk van Pirk, waar Leo zo mooi beeldhouwwerk en bronzen voor heeft gemaakt.

Mijn hak geeft geen extra probleem, maar het blaartje zit nu precies op de inlegzool te drukken. Ik overweeg wat te doen en besluit om vandaag en morgen rust te nemen. Waarom zou ik het risico lopen op kapotte voeten of doorgaan om vijf dagen vóór mijn raming in Compostela aan te komen? Ik heb alle tijd van de wereld en een rustdag is nooit weg. Bij een hostal informeer ik naar een kamer voor de rest van de dag en morgen. Even later lig ik lui in bad met muziek op de achtergrond! Eenmaal in bad heb ik al spijt van mijn besluit, dit is te luxe. Ik doe grondig mijn was en slaap. Anderhalve dag verwen ik me met genieten, op tijd ontbijt, middageten, avondeten, biertje tussendoor op het terras terwijl ik comfortabel langskomende pelgrims bestudeer. Het Canadese stel komt op het terras zitten en is verbaasd ,,The Flying Dutchman” aan te treffen. Van harte neem ik alvast afscheid van ze. Volgens mijn telling heb ik sinds saint Jean-Pied-de-Port nu bijna 500 kilometer gelopen zonder te rusten, waaronder forse afstanden. Ik maak me dus wijs dat ik deze rust wel verdiend heb, al voelt het bezwaard. De Italiaan die bij me komt zitten is 66. Tanig mannetje, ziet er goed getraind uit. Hij is in Burgos begonnen en loopt door naar Compostela. Hij doet aan marathon lopen en loopt zelfs ieder jaar een 2,5 marathon in Florence. Twee-en-een-halve marathon! Dat zijn dus zo rond de 106 kilometer! Hard en aan één stuk! Bewonderend fluit ik tussen mijn tanden. Ik kijk hem eens goed aan en denk aan mijn jongste broer die dood neerviel tijdens zijn marathontraining. Hoe is dit mogelijk. Hoe kan een lichaam dat verwerken? Maar nu heeft hij een probleem. Een forse blaar maakt het lopen er niet comfortabeler op. Ik bied hem aan de blaar te behandelen en af te plakken, maar het tanige ventje is van mening dat het wel vanzelf zal overgaan. Dat zal ook wel, maar wanneer? Wat zorgelijk kijkend vertrekt hij. Als ik iemand zou moeten beraden dan adviseer ik toch maar om het saaie en geestdodende stuk tussen Burgos en León over te slaan. Mijn bevindingen zijn in ieder geval niet best. Anderzijds, als je de Camino loopt moet je de héle Camino lopen en niet zeuren! Schuldig om mijn luiheid ben ik blij dat ik de tweede dag vroeg weer kan vertrekken. Vannacht heeft het vreselijk geonweerd en geregend, maar ik verheug me er weer op..

Ultreia, ultreia et Suseia, Deus adjuva me.

Met mijn poncho aan vertrek ik. Het regent nog steeds. Het landschap is verpest door saaie dorpen en weinig interessante passages. De regen maakt het er allemaal niet fraaier op. In Villadangos del Páramo hebben ze een blik pelgrims opengetrokken blijkbaar, het is er druk op het pad. Gehuld in poncho’s, regencapes en ander plastic lijkt het een voortsjokkende colonne die verslagen uit een oorlog terugkeert. Spoedig wordt de regen minder en als ik Hospital de Órbiga nader schijnt de zon alweer volop. Dank aan Boven, het is beter voor de foto’s.

67_bruggknik_hospital_de_orbiga_18e_etap  Hospital de Órbiga heeft een wonderlijke brug met een wonderlijke knik en een wonderlijk maar, dit keer, waar gebeurd verhaal. De lange brug met wel 20 bogen over een stroompje van niets heeft ongeveer in het midden een knik. Niet naar boven, nee de brug verloopt in een slappe hoek, waardoor het bouwsel wat krakkemikkig aandoet. Het is een middeleeuwse brug die er in ieder geval in 1434 al was, want toen leefde in Hospital de Órbiga hun plaatselijke held. De hidalgo (een ridder van lagere stand) Suero de Quiñiones. Hij wilde zijn liefde voor een dame bewijzen door iedere donderdag een keten om zijn hals te dragen. Een onpraktische gelofte waar hij vanaf wilde komen door dertig dagen achtereen alle ridders die over de brug naar Compostela wilden uit te dagen voor een treffen. Het lukte en de hidalgo werd ontslagen van zijn gelofte. Als dank schonk hij de halsketen aan Santiago, waar het nog steeds deel uitmaakt van het beeld van Jacobus de Mindere, of ergens in een museum hangt. Na Hospital de Órbiga verandert de natuur. Het vlakke land begint heuvels te vertonen, akkerland maakt plaats voor bos en hei. Ik heb er weer zin in! Het lopen gaat goed. De wisseling van inlegzool is een goede beslissing geweest. Ik werk mijn zangrepertoire weer af, de horde pelgrims is in Hospital de Órbiga blijven hangen dus ik kan alle registers openzetten. Onderweg loop ik voor de zoveelste keer te bedenken hoe prachtig mijn jongste broer dit alles gevonden zou hebben. Ik weet zeker dat ik hem een volgende keer mee had gekregen op de Camino als hij mijn verhalen zou horen. Het lopen, de mensen onderweg; hij zou ervan genoten hebben. Helaas, ik moet nu voor hem mee genieten en doe dat dagelijks en met volle teugen. Ik loop me de hele dag als een spons vol te zuigen met alles wat ik tegenkom.

Vroeg ben ik in Santibañez de Valdeiglesias. De refugio paroissial is nog gesloten. In de plaatselijke bar ernaast zit de oude waard boven zijn krantje te dutten en op klanten te wachten. Hij is zichtbaar blij dat ik de gelederen kom aanvoeren. Amper zit ik aan mijn koffie met koek of er strijkt een gemêleerd gezelschap binnen. Het blijken gedistingeerde Amerikanen te zijn. Ze doen zo’n 10 kilometer per dag te voet en kiezen daarvoor de mooiste stukken uit. Hun bagage en later ook zijzelf worden vervoerd per luxe VAN. Dat zal een probleem worden met die aflaten voor ze. De Kerk heeft zich eerder ook niets aan Luther gelegen laten liggen toen hij protesteerde tegen het afkopen van aflaten. Misschien kan ik hun zonden voor een voor een zacht prijsje overnemen. Maar het zijn stuk voor stuk alleraardigste mensen. Hun leidster is een vrouw van midden dertig. Haar man rijdt de VAN en zorgt voor het kind wat ze samen hebben. We raken in een geanimeerd gesprek over Nederland en de Kerk in Nederland waar zij zo hun eigen opvattingen over hebben. Het kiezelsteentje en de koperen jakobsschelp op mijn rugzak geeft weer andere gespreksstof en nieuwe informatie voor hen. Ze zijn toch niet echt goed voorbereid op de Camino merk ik. In de refugio ben ik nummer twee deze dag. Josef, die Pépe heet, komt uit Alabama en is wetenschappelijk medewerker aan de universiteit. Hij loopt een deel van de Camino om niet met zijn hersens te hoeven werken. Allengs wordt me wel duidelijk dat hij zijn hersens niet kán uitschakelen, ook niet met de hoeveelheid pillen die hij slikt. Hij is alleraardigst en behulpzaam, maar praat aan één stuk door over zijn ellende en de zwaarte van het leven. Maria is de vrijwilligster die de refugio beheerd. Een getinte zware matrone. Ze praat al bijna net zoveel als Pépe, die nu weer Josef heet en vloeiend Spaans spreekt. Maria heeft spoedig twee gebakken eieren klaarstaan en een bord spaghetti, over van gisteren. Als toetje bakt ze ook nog friet! Een wat vreemde combinatie, maar het gaat om de vulling. De refugio beschikt over een computer en Internet. Het apparaat is niet vooruit te branden, dus trek ik er de stekker uit, gooi de troep eruit en laat het ding zijn herstelprogramma draaien. De snelheid die het gevolg is over de luie Spaanse telefoonlijn is verbluffend. Maria kijkt me vol bewondering aan met haar verrimpelde ogen en prijst me of ik er echt verstand van heb. Ach, in het land der blinden is éénoog koning. Na het eten wandel ik het dorpje in. Weer een dorp met een naam waar je jezelf iets geweldigs bij voorstelt. Twee straten, een kerk en een prachtige bron die een eindje onder het maaiveld ligt vormen het hele dorp. Er is een pastoor, want die kwam even in de refugio om koffie te drinken en te vermelden dat er eucharistieviering is vanavond om acht uur. Een druk mannetje. Druk met niets waarschijnlijk, zoals zoveel van zijn ambtgenoten.

68_scharensliep_santibaez_18e_etappekopi   Achter de kerk zit een man op zijn fiets die op een stabiele standaard staat. Al trappende drijft hij een slijpschijf aan die bij het stuur zit. Zo slijpt hij de messen van het oude vrouwtje dat bij hem staat en aan één stuk door ratelt of ze in geen jaren heeft kunnen praten. Waar tref je dit eigenlijk nog? Ik herinner me dat ze vroeger langskwamen bij ons in het dorp de scharensliepen. Ook op de fiets of met een kar, waarop later zelfs een slijpschijf die door een stinkende benzinemotor werd aangedreven. Het was schooiersvolk waar wij het niet zo op hadden. Maar deze man zag er keurig netjes uit. Hij droeg zelfs een stropdas! De nieuwe kerk heeft een oude toren. Zo’n typisch Spaanse platte toren met openingen waar je de klokken ziet hangen. Op de torenspits geen haan, maar een windmolentje zoals mijn jongste broer die edelsmid was ze als hobby maakte. Alweer, bedenk ik. Hij blijft de hele tocht in mijn gedachten.

Het leven is net een pelgrimsweg en omgekeerd is de pelgrimsweg net het leven. Je maakt  je weg, je bént de weg. Je ontmoet mensen en mensen ontmoeten jou. Je stelt jezelf open voor anderen, anderen doen dat naar jou. Je geeft wat je hebt aan de ander die het nodig heeft, je ontvangt wat jij nodig hebt terug. Véél heb je niet nodig. ,,Alles zij u gemeenschappelijk gegeven”. De inhoud van het pelgrimeren wordt bepaald door het toeval van de dag. Wat kom je tegen, wat trekt je aan. Wat is er aan toeval. Welke gedachten houden je bezig en waardoor worden je gedachten bepaald. In de saaie dagen tussen Burgos en León was er veel tijd om te filosoferen, te denken en te overdenken. Ik heb lopen vloeken omdat er geen einde kwam aan de gehate kiezelkeien, de geestdodende eentonigheid en merktekens van de Camino almaar uitbleven. Ik heb staan genieten van de nachtegaal die constant met me meevloog om voor mij alleen te zingen. Heb het landschap stap voor stap in me opgenomen. Kunst, cultuur, geschiedenis. De onderlinge contacten. Het heeft me allemaal al zóveel rijker gemaakt. Ik voel me pelgrim. Niets moet meer, alleen ont – moeten. Iedere dag opnieuw kom ik weer andere mensen tegen, soms ook dagen achtereen dezelfde. Het is al zoals in het gewone leven, door een onzichtbare chemie trek je gemakkelijker naar de een dan naar de ander. Je krijgt een onderlinge band en breekt die even gemakkelijk weer af. Pelgrims onder elkaar. Zwervers eigenlijk met hetzelfde doel. De binnentuin van de refugio in Santibañez de Valdeiglesias heeft wat weg van een klein kloostertuintje. In de lommer van de fruitbomen is het goed toeven en filosoferen. Zelfs bij warm weer als vandaag is het er koel. Inmiddels hebben zich meer mensen gemeld. Maria is kieskeurig. Fietsers worden onomwonden doorgestuurd. Uiteindelijk is er een groepje van zeven mensen in de refugio. Van de zeven komen er zes uit een verschillend land. Om acht uur is iedereen in de kerk. De pastoor heeft haast. Een kazuifel is er niet bij op deze doordeweekse dag blijkbaar. Hij raffelt zijn dienst af en is direct daarop verdwenen. Wie wil kan een parochiestempel in zijn credencial zetten, de stempel ligt achter in de kerk. Ik heb uitgeteld dat ik ongeveer al mijn stempelruimte nodig heb om de laatste stempel van het bureau van Compostela in het laatste hokje te krijgen. In de refugio heerst rust. Iedereen gaat meteen slapen. Josef is de hele nacht in de weer en ziet er ‘s-morgens niet echt uitgerust uit. Hij kent zijn probleem. Gnoti Seautoun: ken uzelf, leer je in de psychologie.

Het is opnieuw een prachtige morgen. De natuur ruikt fris, de voeten voelen goed. Weldra bereik ik de hoogvlakte van de Páramo. In de verte zie ik het bergsilhouet van de Montes de León. Geen verkeer, absolute stilte. Alleen de nachtegaal meldt zich weer. Hij blijft me trouw. Uit het bos klinkt het geluid van het korhoen. Hoe zeldzaam, bij ons is het uitgestorven. Even verderop zit een Hop op het pad. Rustig zit hij me aan te kijken, de stralenkrans op zijn kop fleurig opgestoken. Ik pak mijn camera en net als ik afdruk vliegt hij op. Die digitale camera’s hebben het voordeel dat je er heel erg veel foto’s mee kunt maken. Het nadeel is dat ze traag zijn. Maar meteen is de Hop terug met nog vier soortgenoten. Opnieuw leg ik aan, opnieuw zijn ze me te vlug af. Weer gaan ze 25 meter verder op het pad zitten en weer is het mis. Ze spelen een spelletje met me. Als ik blijf wachten vinden ze het blijkbaar niet meer leuk en komen niet terug. Het bewijs wat ik van dit voorval kan leveren is dus vaag en zal het voor het tribunaal niet halen. Jonge konijntjes schieten ijlings over de weg de struiken in. Een buizerd is naar ze op jacht. Hij maakt er blijkbaar meer een machtspelletje van want hevig krijsend vliegt hij heen en weer. Even verderop in de afgraving van een bergwand nestelen oeverzwaluwen. Hun holen tekenen donker af tegen de roodgele wand. Waarschijnlijk hebben ze jonge. IJverig vliegen ze af en aan. Hun zorgdag is al vroeg begonnen. In San Justo de la Vega ontbijt ik. De dienster is opvallend beleefd en waarschijnlijk begaan met het lot der pelgrims: ,,si señor peregrino, no señor peregrino, gratias señor peregrino”. Het is peregrino voor en na. Als ik vertrek en mijn leeg kopje en bord naar binnen breng buigt ze als een knipmes. Ik kijk mezelf eens goed aan in de winkelruit, maar zie niets bijzonders. Op een afstand komt Josef, die Pépe heet of omgekeerd, aangewandeld. Hij loopt of hij een zware last meedraagt. Het kan niet zijn rugzakje zijn. Josef loopt zichzelf te zoeken en torst de last alsmaar verder mee waar hij juist vanaf wil komen. Niet eenvoudig zo in je eentje. Zichzelfzoekers en Godzoekers. Het lijkt of de Camino daar de weg toe is. Wanneer ik een bos met tamme kastanjes uitloop duiken in de verte de torens van Astorga op. Opnieuw een middeleeuws boogbrugje. Zomaar. Spanje lijkt er mee bezaaid.

Overal in Astorga word je aan de Romeinen herinnerd, de Romeinse poort, de huizen, een kanalenstelsel, keramiek wat er nog steeds nijverheid is. Bij het naderen van de stad zijn werkers in grote vierkante gaten voorzichtig naar resten uit de oudheid aan het zoeken. Monnikenarbeid. Met schraper en veger verwijderen ze laagje voor laagje om niets te beschadigen of over het hoofd te zien. Zodra ik het stadje binnenloop tref ik José, de vrijwilliger uit Tosantos, die ook vrijwilliger in Astorga blijkt te zijn. Hij heeft koffie, dus neem ik graag zijn aanbod aan. Ik beloof in Compostela een kaarsje voor hem te branden. De kathedraal doet me heel even denken aan onze sint-Jan, maar als ik dichterbij kom zie ik dat de bouwstijl toch wel wat anders is. Het komt door de torens en ook weer niet. De gotische en renaissance stijlkenmerken geven de kerk een statisch karakter. Het rijkversierde hoogaltaar is geweldig groot en typisch Spaans door het vele goud wat er schittert. Overdaad is eigenlijk het goede woord. Ik houd er niet van, teveel pracht en praal. Uiterlijk vertoon. Opzij, achter de kathedraal heeft de bisschop zijn paleis. Een schepping van Antonio Gaudi, die invloeden van Jugendstil en een mengeling van Catalaanse en Moorse invloeden zo geraffineerd in zijn bouwkunst weet te verwerken. Als ik de stad uitloop kom ik langs een moderne kerk. De voorgevel is één groot mozaïek. In het onderste gedeelte ervan heeft de kunstenaar alle belangrijke kerken aan de Camino afgebeeld. Een wonderlijk geheel en fraai vorm gegeven. Buiten de stad heb ik de wereld weer voor mezelf alleen. Dat is het voordeel van net vóór of net ná een gewilde refugio of grotere plaats te overnachten. Rust. De hermitage Ecce Homo ligt er verlaten bij. Zo doet ze de inhoud van haar naam eer aan. Op de hoogvlakte van de Maragatería aan het lange wandelpad naar Santa Catalina stopt een touringcar. Een groep van zo’n dertig 65-plussers stapt uit en beginnen aan hun wandelingetje. Ieder doet de Camino op zijn eigen wijze en naar eigen vermogen. In het dorpje Santa Catalina de Somoza is het stil. Huizen hangen scheef, de kerkspits ontbreekt, mensen laten zich niet zien. Toch moeten het grappige mensen zijn die hier wonen want eens was dit een dorp van trommelaars en fluitspelers. Mensen die feesten en partijen kwamen opvrolijken voor geld. Ik merk er nu even niets van.

Tussen twee stenen wallen door kom ik het dorpje El Ganso binnengelopen. Ook hier scheefhangende en vervallen huizen tussen huizen die intact en bewoond zijn. Berkenboompjes groeien op dak en torenspits van het kleine kerkje. De ooievaar die er zijn jongen leert vliegen zorgt voor bemesting. De cowboybar heeft het meest strategische punt in het dorpje uitgekozen. Alle pelgrims moeten hier passeren. Waar de beheerder zijn cowboyartikelen vandaan heeft mag Joost weten, het is er een uitdragerskraam en toch niet ongezellig. De koffie is goed, de zelfgebakken tortilla lekker, er is eten en een gezellige dienster. Ik besluit in El Ganso te blijven en zoek de plaatselijke refugio municipal. Geen verwijzing, maar verdwalen in het dorp is onmogelijk. Een oude dame wijst me op het gebouwtje, de deur is open zegt ze. In de zaal staan 14 stapelbedden, het sanitair is nog op slot, de dependance van de gemeente ook. Het boek voor inschrijvingen ligt op tafel, maar ik zie dat er niet zoveel gebruik wordt gemaakt van El Ganso. Een stempel is er niet, die moet ik in de plaatselijke bar halen. Zo heb ik dus ook een cowboystempel tussen alle kerkelijke en gemeentelijke wapens. Ik gebruik de bron om me te wassen en mijn was te doen. Een bijzonder fraai uitzicht over de Maragaterá is er mijn deel. Op een stenen bank onder de tamme kastanjeboom is het goed toeven die dag.

587_el_ganso_hondje_19e_etappe_a Een hondje van onbekend merk komt me gezelschap houden. Ik betrap me erop dat ik tegen het diertje praat zoals sint-Franciscus tegen de dieren. Gevolg van het alleen zijn? Toch nog niet zo vlug. Hij verstaat me toch niet, al voelt hij blijkbaar aan dat ik het goed met hem voor heb. Er bestaat ook chemie tussen mens en dier. In de namiddag begint het te rommelen op de hoogvlakte. Er komt onweer. Er is nog steeds geen gemeentelijke persoon of ingezetene komen opdagen om te zien of er toevallig belangstelling is voor hun refugio en de 3,00euro te innen. Er zal ook niemand komen opdagen, El Ganso is inderdaad niet in trek en de plaatselijke overheid neemt niet de moeite iemand met het toezicht te belasten. Voor mij geen probleem, het is goed om eens alleen te zijn. Wat wel een probleem kan worden is het ontbreken van een toilet. Gelukkig is er veel natuur en de plaatselijke cowboybar. Om negen uur al ga ik slapen. Net in mijn eerste slaap word ik wakker van geluid. Waarschijnlijk het dreigende onweer. Opnieuw gerammel. Er blijkt een fietser aan de deur te staan. Een jongen van rond de 25, een doordeweekse fiets met amper bagage achterop. Hij wil slapen, maar ziet de ontvolkte refugio en besluit om de zeven kilometer naar Rabanal de Camino erbij te nemen. Geen probleem voor mij, ik ga liggen en slaap verder als een eremiet in zijn eremitage. Onweer en bliksem deren me niet.

El Ganso ligt nog compleet in het duister als ik vertrek. Het belooft alweer een stralende dag te worden. Verdwalen is hier onmogelijk. Een lange asfaltweg brengt me aan de Roble del Peregrino, de pelgrimseik voorbij. Een forse oude boom met indrukwekkende kruin. Aan de rand van het dorpje Rabanal del Camino is ook al ooit een eremiet neergestreken. Zijn Ermita del Santo Cristo doet al eeuwen geen dienst meer en kost de staat alleen maar handenvol geld voor onderhoud. Tempeliers hadden in Rabanal ooit veel zeggenschap. Ze hadden de kerk en het pelgrimshospitaal in eigendom. Nu is het dorpje meer op toerisme ingesteld, getuige de keurige refugio’s en de vele bar’s. Een vrouw wuift me vanaf haar balkon een Bon Camino. Ze oogt niet Spaans en zal dus wel tot het fietsersgilde behoren. Fietsers groeten altijd in het Frans met bon Camino. Rabanal voorbij loop ik weer in de pure natuur. Prachtige bermen langs het zandpad en mooie uitzichten belonen mijn moeite voor het stijgen. Stug zet de stijging door. Naarmate ik hoger kom wordt het nevelig en kil. Als ik aan de rand van het plaatsje Foncebadón kom is alles zwaar in nevelen gehuld. Het geeft een extra desolate dimensie aan dit verlaten en totaal vervallen oord. Alle huizen zijn in elkaar gestort en liggen als puin en rottend hout door elkaar. Het kruis midden op de weg heeft iets dreigends. Je kunt je niet voorstellen dat dit dorp ooit zó belangrijk was dat de Spaanse Kerk er een concilie hield. Bij het kerkje blijkt toch weer leven. Een bord nodigt uit te komen ontbijten, het kerkje ziet er opgeknapt uit. Ik ga op de uitnodiging in en kom in een sfeervolle gelagkamer, mooie meubels een prima ruimte. Er zijn meer gasten. Aan de spraak te horen twee Duitsers, dus groet ik hen in hun landstaal. Ze nodigen me uit bij hen aan tafel te komen en weldra hangen we aan de lippen van Siegfried uit Berlijn die voor de negende keer zijn Camino loopt. Sinds zijn scheiding heeft hij toch niets beters te doen en hij moet stof hebben om een boek te schrijven. Binnen de kortste keren legt hij al zijn gestempelde credencials en Compostelana’s op tafel. Wie sleept zoiets überhaupt mee op zijn tocht, denk ik dan? Maar Siegfried is tevreden met zijn toehoorders en weet van geen ophouden. Hij is fulltime Caminoganger en doet alle routes. Nu zelfs achteruit van Santiago naar Pamplona. Siegfried hoort zichzelf zo graag praten dat we er niet tussen kunnen komen. Hij doet me in postuur en praten denken aan Kees, mijn oud ,,kaderschoolpuptentjesmaat” en latere collega. Martin, de andere Duitser aan tafel hangt aan zijn lippen, maar komt er ook niet tussen wanneer hij iets van zijn eigen verhaal wil inbrengen. Op mijn vraag waar het boek over zal gaan anders dan in het algemeen over de Camino waar al zoveel boeken over geschreven zijn, komt geen antwoord. Vertellen dat hij de Ruta la Plata ook al heeft bewandeld wint het van mijn vraag. Wanneer ik uiteindelijk opmerk dat het niets zal worden met dat boek omdat Siegfried niet naar mensen op de Camino kan luisteren en alleen zijn eigen verhaal kwijt wil, krijgt hij haast. Hij moet nodig verder, of wij voor hem willen afrekenen. Waarschijnlijk had zijn vrouw al ooit eerder een dergelijke opmerking gemaakt en is ze vertrokken naar iemand die wel kan luisteren. Siegfried vertrekt alsof hij de trein moet halen in Foncebadón. Na negen keer Camino weet hij nóg niet dat die trein óók nooit zal komen. Ik complimenteer de jonge waard en zijn vrouw met hun sfeervolle herberg en het huis waaraan nog wordt gewerkt. Ik betaal voor Siegfried mee als voorschot op zijn boek dat er niet zal komen en neem afscheid van Martin. Buiten is de nevel dikker geworden. Mijn fleece heb ik tenminste al die tijd niet voor niets in mijn rugzak meegedragen, het is kil. Er blijkt nog één autochtoon te wonen in het vervallen dorpje. Zonder dat ik iets vraag wijst hij me bij de wegsplitsing welke weg ik moet nemen. Ervaringsdeskundige.

Mijn pad gaat verder over rijk begroeide bergruggen. Het loopt nagenoeg parallel aan de rijbaan, maar ligt aan het oog onttrokken door het hoogteverschil en de begroeiing. De rust is weldadig, het uitzicht begrenst door de nevel. Duitse vloeken halen me uit mijn dagdroom. Onder me zie ik een man en vrouw op de fiets voorbij gaan. Zij zwaar beladen, hij de lichtere bagage en foeterend op de vrouw dat ze moet doorrijden en haar versnelling moet aanpassen. Het gaat hem blijkbaar niet naar zijn zin tegen de helling op. ,,Dritte gang hab ich gesagt, verdammt noch mal!” De aflaten zullen straks alles weer goed maken.”

70_voor_crus_de_hierro_20e_etappekopie_a  Plotseling doemt het Cruz de Hierro op uit de mist. Cruz de Ferro, zoals meestal wordt gezegd, het ijzeren kruis. Op een bergje staat een houten mast van een meter of vijf met bovenin een ijzeren kruis. De vele afbeeldingen die ik ervan zag laten geen verrassing toe. De enige verrassing die ik onderga is daar nu zelf te zijn en de kermis eromheen. Een deceptie;  picknickplaats, een broodjesverkoper, abdijwinkels in het klein. Vanwege het vroege uur staan er nog net geen rijen autos en autobussen op de rijbaan. Een groep Spaanse wielrenners moet één voor één op het bergje bij het kruis op de foto. Met één hand het kruis omvattend, met de andere het V-teken makend alsof de Alpe d’Huez is bedwongen. Twee wandelaars en enkele fietsers staan geduldig op hun beurt te wachten. Onder hen het Duitse echtpaar van zojuist. De vrouw komt direct op me af. Zij was het die me deze morgen in Rabanal had staan toewuiven, vertelt ze me. Ze wil graag de foto van mij bij het kruis maken, maar ik wil er geen Spaanse wielerclub bij hebben dus wacht ik. Totdat er geen einde lijkt te komen aan de fotodrift van de wielerclub en ik hen vriendelijk verzoek een eind te maken aan hun ceremoniën om ook anderen gelegenheid te scheppen. Met zichtbare tegenzin voldoen ze aan de vraag en op toerbeurt kunnen de andere mensen met het kruis en de stenen op de foto. Ik verkies de andere kant van de steenhoop waar geen mensen zijn voor mijn eigen fotosessie. Als dank vereeuwig ik man en vrouw met het kruis. De steen die ik van huis meenam snijd ik los van mijn rugzak en leg hem ietwat plechtig op de steenhoop. Het is tenslotte een ritueel wat erbij hoort. De steen die pelgrims hier op de steenhoop leggen is symbool voor de last die ze in het leven met zich meedragen. Op deze steenhoop kun je die lasten afwerpen. Ik heb lang lopen denken onderweg welke last ik zou willen afwerpen, maar heb er geen gevonden. Blijkbaar wil ik de lasten die ik heb verder meedragen. Dus heb ik mijn steen opgedragen aan alle mensen die niet in staat zijn naar het Cruz de Hierro te gaan om van hun lasten af te komen. Mijn rugzak is niet lichter geworden nu de steen is afgeworpen.

IMG_10195 Eva kruis 20e etappe Vanaf nu moet ik goed op kruizen gaan letten. Ik heb Karola beloofd foto’s te maken van een kruis dat is opgericht ter nagedachtenis aan haar vermoordde nichtje Eva. Onderweg pluk ik veldbloemen en maak een mooi boeketje om straks bij het kruis te leggen. Vlak voor de ingang van het één huis tellende gehucht Manjarín vind ik het kruis in de linker wegberm. Een flink kruis op een stenen sokkel. ,,EVA”, staat in de kruising van beide balken gebeiteld. Ik leg mijn geplukte bloemen bij het kruis, maak foto’s en denk terug aan de tragische wijze waarop het kind is omgebracht. Terwijl haar ouders naar een concert waren doodgestoken door een verslaafde die was binnengeslopen. Zo je eigen kind te moeten vinden bij thuiskomst moet je hele leven op zijn kop zetten. Josi, dochter van Leo en Karola, die als reisleidster vaak langs de Camino gaat heeft samen met Tomás voor het kruis gezorgd. Tomás, de leider van een sektarische gemeenschap in Manjardín. Met klokgelui aan de bel begroet hij zijn gasten en laat weten met een viering te gaan beginnen. Smoezelig bebaard, ongewassen overkleed wat ooit wit moet zijn geweest een groot tempelierkruis op de voor- en achterkant. Met hem zijn twee knullen van rond de dertig, eveneens smoezelig en in een korte versie van het overkleed. Drie meisjes van rond de 25 jaar zitten wat schaapachtig rond te kijken. De gratis koffie smaakt goed. Ik probeer met Tomás in contact te komen door hem de groeten te doen van Josi en vertel dat ik een foto van het EVA-kruis heb gemaakt. Hij kijkt me begripvol aan. Maar als ik vraag welke inhoud zijn tempelierschap heeft, krijgt zijn gezicht een nietszeggende uitdrukking en draait hij zich om. Adoreren doen hem alleen de meisjes. Tomás gaat met zijn viering beginnen. De meiden nemen iets wat op een lans lijkt ter hand, Tomás en een van de knullen nemen een groot zwaard en dragen dat plechtig voor zich uit naar buiten. Intussen speelt een CD gregoriaanse muziek. Buiten bij een vaandel met eveneens een groot tempelierkruis staan Tomás en zijn kompaan ontzettend vals iets te zingen, te prevelen en vaag met de zwaarden te zwaaien, om daarna in processie weer naar binnen te komen en voor een Mariabeeld verder te gaan met prevelen. De tweede knul heeft wijdbeens postgevat in de tentopening, armen over elkaar als een uitsmijter. Voor mij is het genoeg. Ik heb genoeg gezien en wil deze bonte kermis verlaten, maar de uitsmijter wil dat beletten. Ik maak hem duidelijk dat ik er toch niets van versta of begrijp en er absoluut vandoor ga, waarop hij me met zichtbare tegenzin door laat.

Inmiddels is de nevel opgetrokken en een stralende zon geeft me prachtig uitzicht over het berglandschap. Iedere stap is de wereld om me heen nieuw. Ieder moment wil ik vastleggen, bang het ooit te vergeten. Opnieuw overdenk ik een mogelijk mysterie van de schepping van al dit moois. Maar tijdens deze Camino heb ik al aangenomen dat dergelijke mystiek niet bestaat. Mensenwerk is. Dat alles is omdat het is en door tijd en evolutie zo is geworden. Dat geleerde bollen de mystiek hebben gebruikt om hun theorieën vorm en inhoud te geven. Waarop kunstenaars de vorm en inhoud gestalte hebben gegeven, zodat mensen denken dat hun God een baard heeft en zetelt op een wolkentroon. Dat het werkelijk zin heeft als dagelijks ritueel gebeden te herhalen in de veronderstelling dat daarmee de wereld om je heen verbeterd, zonder zélf die verbetering door te voeren in je eigen situatie. Iets waarmee je je geweten kunt sussen en vervallen tot inactiviteit. Inactiviteit en gebrek aan inzicht zullen de dood in de pot zijn. Duivels hebben geen staart en God geen baard. Geen enkel inzicht kan als waarheid gelden vrees ik. Daarvoor zijn we mensen, ieder op zijn eigen Camino. Ieder met zijn eigen gelijk. Het is misschien wel dáárom dat ik ieder moment van de simpele werkelijkheid die ik nu iedere dag onderga wil koesteren en vasthouden voor altijd. Na de top van de heuvel daalt het pad steil naar beneden. Daken met leisteen bedekt steken net boven de rand uit. Verderop naar benden blijken er huizen onder te zitten. Huizen van alle soort en kwaliteit. Van hout, steen, de meeste oud en niet onderhouden. Balkons aan beide kanten van de straat steken over het wegdek. Waarschijnlijk een methode om het woonoppervlak te vergroten zonder grondbelasting te betalen. De straat is nauw. Van balkon tot balkon kan men elkaar bijna de hand geven. En toch schijnen hier touringcars tussendoor te rijden.

Ik ben in El Acebo. Het is heet en alles is in ruste. Het dorp bestaat uit één straat met een enkele zijsprong die toch weer op de hoofdstraat uitkomt. Het kerkje staat er verlaten bij, zoals andere kerken. De hekken zijn op slot en het gras op het toegangspad laat zien dat er nooit op gelopen wordt. Alleen de klok doet het, maar dat is dan ook een zonnewijzer die altijd de betrekkelijkheid van tijd heeft aangegeven. De zonzijde en de schaduwkant: Lucem demonstrat umbra. Opnieuw het Jorwerd van Spanje. Het raadhuis heeft de vlaggen uithangen, maar dat lijkt meer gevelversiering. De waard van de plaatselijke bar beheert de sleutel van de refugio municipal lees ik in mijn gidsje. Ik drink er koffie, eet wat en vraag de sleutel. De dienster kijkt me verschrikt aan of ik een oneerbaar voorstel doe en roept de baas erbij. Die verklaard met een stalen gezicht dat de refugio niet is geopend. Als ik vraag waarom niet haalt hij zijn schouders op en mompelt vaag iets achter in zijn keel. Hij wijst me de weg, die blijkt uit te komen in zijn eigen refugio. Maffia op de Camino. Even overweeg ik om door te lopen, maar dan ontdek ik Willem en Claude. Na dagen van afwezigheid duiken ze plotseling weer op. Ze zijn langere dagafstanden aan het maken om tijd in te lopen. Claude heeft erg opgezette voeten en zou er naar mijn oordeel verstandiger aan doen een aantal dagen absolute rust te houden. Pijnstillers houden hem op de been, het lopen gaat moeizaam. Maar hij moet verder om op tijd in Santiago te zijn waar hij met zijn vrouw heeft afgesproken. Zo moet hij verder op het gevaar af zijn voeten compleet naar de knoppen te lopen. Ik hoor het vaker onderweg; een ticket voor de terugreis is geregeld en betaald voordat men vertrok, afspraken voor van alles en nog wat zijn vooraf gemaakt en dan zit het onderweg ergens tegen of heeft men zich op de eigen fysieke krachten verkeken. We vieren onze hereniging en blijven toch maar bij de maffiabaas in El Acebo. Geld stinkt. Op mijn verdere ontdekkingstocht in het dorpje probeer ik me voor te stellen hoe mensen hier leefden. De kar met houten wielen staat nog voor het huis, de stokkensnijder oefent zijn arbeid uit aan de straat want daar komen zijn potentiële klanten voorbij. Het hekwerk waar ooit paarden in werden beslagen staat er ongebruikt bij. Blijkbaar zijn de boeren uit El Acebo verdwenen, zoals ook God er verdween. Misschien heeft het wel met elkaar te maken. De maffiakroegbaas zal de kerk niet overeind houden vrees ik. Ik vraag me onderweg vaak af hoelang dit pelgrimeren nog een beetje puur zal blijven. De reclamefolders die overal aan de route opduiken of zijn opgeplakt om slaapplaatsen en eetgelegenheden aan te prijzen ontsieren niet enkel maar de weg. Er verschijnen grote reclameborden om de pelgrim te lokken. Als je wil kun je onderweg in de auto van een privé refugio stappen en je comfortabel naar het onderkomen laten rijden. Taxi’s rijden langs de route om vermoeide of luie pelgrims op te pikken. De commercie neemt hand over hand bezit van de Camino en wil haar aandeel in de potentiële winst die er rondloopt. Aan het diner vieren we gedrieën onze hereniging met een goede fles wijn. Die zorgt er dan ook voor dat ik slaap als een blok.

Adalante Peregrino!

Bergpaadjes en hellingen zijn de ouverture deze dag. Ik voel me in mijn element. De boogbrug in Molinaseca spiegelt zich liefelijk in de ochtendzon. De weerspiegeling in het rimpelloze water zorgt voor een perfecte boog. Mijn route vanochtend voert over een oud muildierpad, over beekjes, bergweggetjes en door een kastanjebos met eeuwenoude bomen. Het uitzicht vanaf de bergen is schitterend. IMG_10262 overdreven 21e etappe Een fantastisch begin van de dag. Het is zondag vandaag en ik wil niet verder gaan dan Ponferrada. De stad heeft van alles te bieden zegt mijn gidsje en de refugio in het voormalige Carmelklooster staat me wel aan. Ooievaars nestelen zich massaal op hoogspanningsmasten. Elke mast wordt gebruikt om een nest te bouwen, soms wel drie op één mast. Via een kleine omweg zoek ik onderweg de oude Romeinse bron op. Heerlijk koel, helder water is de beloning. Van verre zie ik in het dal Ponferrada liggen, aan alle kanten omgeven door bergen. De Montes de León vormen een perfect achtergronddecor. Het is nog vroeg en rustig. Over de oude boogbrug over de Río Boeza loop ik de stad in. Een imposante middeleeuwse burcht die zich hoog boven de stad verheft lokt. Ook hier blijken de Tempelridders hun sporen ruimschoots te hebben achtergelaten. Onder hun leuze: ,,Non Nobis Domine, non nobis, sed nomini tuo da gloriam” heeft de Orde in Gods Naam en ter zijner eer misschien wel meer verkeerd dan goed gedaan. Gesticht in 1129 om Jerusalem te verdedigen en pelgrims naar het Heilig Land te beschermen hielden zij hun kruistochten. Ze namen de Regel van Benedictus aan en werden officieel door de Paus van Rome erkend als Orde. In 1135 schreef Bernardus van Clairvaux voor de Orde in zijn ,,Liber ad milites templi de laude novae militiae” dat het doden van Moslims gerechtvaardigd is. Hij verklaart dat een ridder gelijktijdig eervol strijder en deugdzaam monnik kan zijn. Tempeliers stonden onder rechtstreeks gezag van de Paus, hetgeen ook hun ondergang werd. Te groot, te machtig en te rijk palmde Filips de IV van Frankrijk en de Paus geld en macht van de Orde der Tempeliers in. Op vrijdag de 13e oktober 1307 laat Filips de IV alle tempeliers arresteren. Samen met Paus Clemens de V maken ze de Orde zwart en worden alle bezittingen verbeurd verklaard. Dat was het einde van de Orde der Tempeliers. Een onverklaarbare ondergang en einde.

Wij hebben er ons bijgeloof over vrijdag de 13e aan overgehouden.

Tempelier2Misschien hebben de Moslims er iets anders aan overgehouden, getuige hun gedrag vandaag de dag. Maar in Ponferrada ligt alles er vredig bij. De bedevaartskerk De la Encina viert feest vandaag. Madonna De la Encina, is de madonna van de steeneik. Zo’n soort heilige Eik als in Spoordonk, maar dan grootser. Sterke mannen dragen de grote baar met daarop het heilig Hart beeld mee in een processie. De Madonna mooi versierd in het midden van de stoet wordt gedragen door de vrouwen. De pastoor daarachter met een megafoon in de hand om de veertig processiegangers te kunnen bereiken. Misdienaars dragen de luidspreker. Behalve dragers, de pastoor en de fanfare bestaat het processievolk uitsluitend uit oudere vrouwen. Aan het einde van de stoet lopen twee mannen. De ene draagt grote vuurpijlen onder zijn arm, de andere steekt onophoudelijk vanuit de hand met zijn sigaret een vuurpijl aan die sissend de lucht in schiet en hoog in de lucht uiteen knalt. Het gesis en de luide knallen moeten de bozen geesten verjagen. Of de Tempelridders? Door de Straat van de Klok loop ik het oude centrum in en nestel me op een terras om koffie te drinken. Ik tref er Willem en Claude, maar zij moeten verder. De refugio in het gerestaureerde Karmelietessenklooster ziet er geweldig uit. Alles is werkelijk prachtig in orde, kleine kamers met weinig bedden, goed sanitair, ruimte, tuin, voorzieningen. De Duitse mensen die de refugio dit keer beheren zijn trots op hun huis. Een markeringssteen geeft aan dat er nog 202 kilometer is te gaan tot Santiago de Compostela. Mijn Camino, Campus Stellae, Via Lactea, begint te korten. Ik tref Tony en Claudia uit Canada in de refugio. Samen gaan we het stadje in om te eten en te praten. Ondanks het benauwde, drukkende weer slaap ik goed.

Waar de meeste pelgrims kiezen voor de asfaltweg neem ik de gecompliceerde route die me landschappelijk mooier lijkt en in ieder geval rustiger is. Vanaf de nieuwe brug kijk ik terug op Ponferrada en zie nu pas de mijnen liggen, die de stad al sinds de Romeinse tijd welvaart brachten. Het duurt even voor ik de stad uit ben. Het is een beetje puzzelen. De sluiproute gaat door een parkachtige omgeving. In Colombrianos ontbijt ik. Een taxichauffeur zit al vroeg op klanten te wachten, desgewenst kan hij ervoor zorgen dat ik nog maar vier dagen hoef voordat ik in Santiago ben, biedt hij aan. Geen schijn van kans, aan mij valt niets te verdienen. Hij lacht wat besmuikt. Het landschap is weer anders en opnieuw schitterend. Landweggetjes tussen wijngaarden door en bebossing wisselen elkaar af en gaan in elkaar over. Het uitzicht op het Cantabrisch Gebergte maakt mijn dag nu al goed. In Cacabelos zijn de laatbarokke Iglesia Las Angustias en het voormalige pelgrimsziekenhuis ernaast in gebruik als pelgrimsherberg. Een gewild oord om te overnachten zie ik. Op grote afstand zie ik het plompe vierkante kerkgebouw San Fransisco van Villafranca del Bierzo al liggen, hoog op een heuveltop. Het stadje ligt verscholen in de kom van het dal. De refugio municipal ligt meteen aan de ingang van het stadje. Een net ogende refugio. De Franse Marianne zit er haar oefeningen al te doen. Alweer.

659_puerta_del_perdn_villafranca_del_bie Even verderop ligt de Santiago-kerk met haar Puerta del Perdón, de Poort der Vergiffenis. Pelgrims die onderweg ziek werden en Santiago niet konden halen kregen hier de absolutie en hun aflaat die hen ontsloeg van hun zonden. Het kerkhof laat zien dat dit nogal eens voorkwam. Villafranca del Bierzo werd niet alleen daarom ook wel ,,Klein Santiago” genoemd, het stadje telt maar liefst vier grote kerken, wat kloosters en kapellen en een forse burcht blijkt als ik door het stadje wandel. Het plaatsje heeft een hoog ,,Monschau karakter”. In de weekends zal het hier wel druk zijn. Vooral de collegiale kerk Santa María is een juweel om in door te brengen. De bouw in late renaissance en vroege barok roept bij mij geen enkel vergelijk op en is daardoor uniek van karakter. De rust en koelte onderga ik weldadig. Op een digitaal bord in het stadsparkje zie ik dat het 34 graden is vandaag. Het meisje dat als tuinvrouw het parkje onderhoud heeft er blijkbaar geen last van. Kinderen lopen in een keurige rij voor de zuster uit naar de grote kerk van San Nicolás. Nog even en ze hebben vakantie. Ik eet het pond kersen dat ik aan een stalletje kocht en kijk hoever ik de pitten kan wegspugen. Wanneer er niemand kijkt doe ik het op de manier zoals we dat vroeger deden, de beide handen gevouwen met kracht tegen de borst trekken en gelijktijdig spugen. Het werkt nog steeds. Op mijn ontdekkingstocht zie ik het augustijns logo in een portaal. Het blijkt een klooster van zusters augustinessen te zijn die er een internaat hebben. De kapel is niet bijzonder. Het hekwerk achterin laat zien dat het ooit een slotklooster was. De foto zal ik aan Lambert van Gelder sturen voor zijn Augustinus verzameling. Bij de oude stenen brug over de Río Burbia staat een lelijk beeld van Jacobus als pelgrim. Het zoveelste lelijke beeld op de route. Wanneer ik zit te eten verschijnt Tony, de Canadees, plotseling. Zijn Claudia heeft problemen met haar knie en hij is alléén verder gegaan om op zondag in Santiago de Compostela te kunnen zijn. Gehaast eet hij want hij wil nog naar Pereje of zelfs naar Trabadelo. Weer een geval van jammer. Haast op de Camino. Terug in de refugio is de kamer vol. Een groep Italiaanse fietsers heeft de bedden bezet en tevens de hele kamer, de douche en de keuken en de zitkamer en het terras en, en, en. Van slapen komt voorlopig niets want in het volle licht moet er worden overlegd, gedeeld, ingepakt, uitgepakt, ingepakt, overlegd met de andere kamer en weer terug. Het busje dat hen begeleidt wordt 30 keer in het uur getest of het wil starten en of de koplampen het nog doen. De lichten schijnen in de kamer, maar ach daar brandt toch groot licht. Gelukkig is het hele gezelschap de andere morgen weer als eerste om half zes volop in de weer om te overleggen, alles uit te pakken en weer in te pakken en te overleggen om te overleggen. Ach, ieder op zijn eigen manier.

cid-95342381025012007-0b4a

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op DEEL 5 León – Villafranca del Bierzo

  1. Johnk364 zegt:

    What’s up it’s me, I am also visiting this site daily, this website is actually pleasant and the visitors are really sharing fastidious thoughts. dafbeddfakgf

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s