DEEL 6 Villafranca.d.B – Compostela

In het donker vertrek ik. Tot buiten het stadje weet ik de weg nog van gisteren. Na de brug over de Río Burbia tref ik een Nederlands echtpaar die ook de weg over de Camino Duro kiezen. Samen zoeken we het eerste stuk.

668_erg_zware_wandelweg__alleen_voor_wan   Vanaf de brug is er keuze; óf je loopt het tracé via de N6, de eigenlijke Jacobsroute. De meeste pelgrims doen dat en nemen het verkeer voor lief. Óf, het alternatief is de zware weg (Camino Duro) over de bergen, die pas later een klein stukje via de autoweg gaat. Waarom zou ik voor het gemak en de uitlaatgassen kiezen? Mijn landgenoten zijn dezelfde mening. Aan het begin van de Camino Duro heeft iemand een bord geplaatst met de tekst: ,,Camino muy Duro, solo para buenos caminantes…. loz”. Erg zware weg, alleen voor goede wandelaars. Voor insiders; de weg komt neer op stukken Hochgrat en heel veel Schwandalpweg! Het Nederlands echtpaar blijft al snel achter. Ze roken beide en krijgen geen lucht. Diep in het uitgesneden dal kruipen de vrachtwagens over de weg. Het landschap is totaal beschadigd door de uitsnijdingen voor de snelweg. De vooruitgang. Als stippen zie ik de wandelaars vanaf mijn hoogte over de snelweg kruipen. Soms sta ik bekaf, puffend en jaloers te kijken naar de wandelaars die op de vlakke weg  lopen, maar die ik niet kan onderscheiden. Tegelijk beklaag ik hen dat ze niet het uitzicht genieten wat mijn loon is voor al deze inspanningen. Schitterende uitzichten en passages door een uitgestrekt bos van tamme kastanjebomen die heel erg oud moeten zijn is mijn loon. Ik ben er zeer tevreden mee. In Ambasmestas kan ik ontbijten. Welverdiend na de zware Camino. Twee Zwitserse dames die vanuit Le-Puy-en-Velay zijn begonnen komen voorbij. Ik trof ze in de refugio. Ze beginnen nu allebei naar het einde te verlangen, vertelden ze. Het wordt lang en zwaar. Het is ook aan hun lopen te zien. Het gehucht Herreías-Hospital Inglés is een plaatje. Een oud bruggetje uit de Romeinse tijd over het beekje, huizen waar de vooruitgang geen vat op heeft gehad. Alleen de rubberen tuinslang over de weg, die vanaf het motorpompje beekwater naar de planten brengt, duidt op vooruitgang. Maar wat is vooruitgang? Het lijkt als je zo rondwandelt of je alle luxe die we kennen kunt missen. Als zwerver heb je zo weinig nodig. Alleen eten en slapen is waar het om draait. Hier op de Camino is dat zo ruim voorhanden en zo betaalbaar dat zorgen niet bestaan. Zeker niet wanneer iedere dag de zon schijnt en de wereld zo afwisselend is. Opnieuw ben ik blij na Wallonië de keuze te hebben gemaakt in opgedeelde fase de hele route te doen. Waarbij de Camino nu al volkomen aan al mijn verwachtingen heeft voldaan.

Alsof de duvel mijn gedachten leest, beginnen donkere wolken zich boven La Faba samen te pakken. Het pad over de bergrug is steil en lang. De koeienhoedster, klompen, broek, rok, dikke jas, shawl op het hoofd, op het smalle bergpad bij La Laguna jaagt gehaast achter haar koeien. Haar schelle stem galmt tegen de hellingen. Ze ziet de al bui hangen. Een welhaast middeleeuws tafereel. Nog voordat ik de grenspaal van Galicië bereik breekt de bui los. Galicië is regen, voorspelde mijn gidsje en het krijgt meteen gelijk. De poncho houdt me droog en in redelijke staat bereik ik O Cebreiro, waar het regenwater met stromen de keien schoonspoelt en doet glimmen.

IMG_10426b pallazo O Cebreiro 23e etappe  De typische palloza’s met hun ronde vorm, de lage muur en het vreemde hoge rietgedekte puntdak liggen er wat voorwereldlijk bij. Het doet me aan de hutten in Swaziland denken. In de refugio municipal is het spitsuur. Iedereen zoekt een droog onderkomen. In korte tijd is het binnen net zo nat als buiten. De regen valt werkelijk met bakken uit de lucht en het lijkt erop dat het nooit meer zal stoppen. Mijn was doen heeft geen zin vandaag. Onder mij ligt de mooie Franse Marianne alweer aan haar postuur te werken. Ik verwonder mij erover hoe zij toch telkens zo vlot een eind is gevorderd. Maar ik krijg het niet te horen en eigenlijk verbaas ik me allang nergens meer over. Onder mijn poncho op mijn Teva’s en kletsnatte voeten ga ik O Cebreiro verkennen. Het dorpje van 10 huizen lijkt meer op een openluchtmuseum, de typische palloza’s, het plompe kerkje geheel opgebouwd uit keien, de grove kiezelstraten. In het kerkje heerst rust. De beheerder heeft de kroeg opgezocht. Wie komt er met dit weer immers naar zijn kerkje kijken? Het verhaal kan ik lezen in een brochure. Het verhaal van een bloedwonder over de monnik die in de 14e eeuw een mis leest in het kerkje. Zijn enige kerkganger is een boer, het is zo’n soort weer als vandaag blijkbaar. De monnik leest wel de mis, maar heeft het geloof van de boer niet hoog zitten en vindt hem maar een ezel dat hij door dit weer naar de kerk komt. Zijn twijfel is er oorzaak toe dat de hostie veranderd in vlees en de wijn in bloed. Het bloed besmeurt de corporale. Later schenkt de koning, terwijl hij op pelgrimstocht is, een reliekschrijn voor de kelk en de corporale. Het wonder van de heilige Graal van O Cebreiro is geboren. Zowel de monnik als de landsman hebben een stenen graf in het plaatsje gekregen. De kelk siert, als Galicische Graal, zelfs het wapen van Lugo en de regio Galicië. Buiten regent het nog steeds pijpenstelen en ondanks mijn poncho word ik nat. Het is koud. Vanaf hier zal de Galicische overheid me op betonpaaltjes elke 500 meter mijn vordering melden op de afstand die nog is te gaan tot Santiago de Compostela. Niet alleen een beetje belachelijk, maar ook demoraliserend voor menigeen want onwillekeurig loop je erop te letten.

De andere morgen is het laat licht. Het is droog, maar daarmee is het dan ook gezegd. Nevel hangt zwaar in de bergen, het pad is een drassige leemtroep en blokt onder mijn schoenen. Het is koud op deze hoogte van zo’n 1250 meter. Mijn soft shell komt me opnieuw van pas. Mijn schoenen heb ik goed droog gekregen vannacht. Het pad stijgt behoorlijk en gaat door dicht bos waardoor het nóg langer donker lijkt. Op de Alto de San Roque staat een zoveelste pelgrimsmonument. Deze staat zwaar tegen de wind in te leunen. In zijn houding, de pelgrimshoed als zuidwester op het hoofd, doet het me denken aan een bronzen beeld van de reddingswerker op de dijk van Ameland. Het is gaan regenen, zodat de poncho er weer aan te pas moet komen. Even voorbij de Alto loop ik Claudia, de andere helft uit Canada, achterop. Vanwege haar poncho herken ik haar eerst niet. Ze loopt erg voorzichtig en een beetje hinkend. Haar knie levert problemen op bij het afdalen. Ik bied haar een zwachtel of elastische knieband aan maar ze acht het niet nodig. Het is een eerdere knieoperatie die opspeelt. Ze kent het. Samen lopen we een eind op. In het gehucht Padornelo hebben de koeien de straat veranderd in een mestvaalt. De regen heeft de koeienvla tot drek gemaakt, de straat glad. Het is de eerlijke strontgeur die er tussen de schamele huizen hangt zoals je zelden meer ruikt. Een oud vrouwtje sjofel gekleed, hoofddoek, klompen, lange broek onder haar jurk op weg naar haar koeien houdt ons staande. Ze schiet haar boerderijtje binnen en komt terug met een bord vol pannenkoeken. Ze heeft zelfs een bus poedersuiker bij zich. We nemen beide een pannenkoek en ik geef het vrouwtje wat geld, dat zal de bedoeling wel zijn. Dankbaarheid straalt van haar gezicht af. Wat een armoede in deze bergdorpjes. De bedompte huizen van opeengestapelde leisteen en keien staan er half vervallen bij. Huis en stal zijn één, het vee lijkt er in de kamer te staan. Middeleeuws. Ik vraag me af hoe mensen daarbinnen kunnen leven. Smerig en ongewassen zien ze er uit. En toch stralen ze gelatenheid uit, tevredenheid. Voorzieningen zijn er niet in de buurt. Het kerkje staat er vervallen bij en is gesloten. Op een kopie van de rouwkaart aan een staldeur geplakt meldt de familie aan dorpsbewoners dat Dña Manuel Cela López in de leeftijd van 62 jaar is overleden. Bijna mijn leeftijd. Wat doen mensen hier toch in deze godverlatenheid?

Het weer gaat op en af. Poncho aan, poncho uit. Even voor Triacastela gaat Claudia alleen verder. Ik ontbijt er en drink koffie. Na bijna 20 kilometer lopen is dit mijn eerste eten na de banaan en het stuk chocolade vanochtend om 6 uur. Intussen is de zon gaan schijnen en het weer beloofd stabiel te blijven. Ik kies ervoor de route naar het klooster Samos te nemen, ondanks dat mijn gidsje waarschuwt voor de snelweg waarover de route verloopt. Maar mijn gidsje heeft het verkeerd. De route gaat over sappig groene heuvels, door kleine boerendorpjes langs hoeven en kerkjes, over holwegen, beekjes en onder oude eikenbomen door. Puur genot. Na ruim anderhalf uur doemt het kloostercomplex Samos op in het dal beneden me. Een gigantisch complex uit betere tijden. De refugio is onderdeel van het geweldige complex.

6_samosklein                    IMG_10471a 1e zicht op Samos 24e etappe

Marcel, de vrijwilliger ontvangt zijn pelgrims, schrijft in, stempelt af en ratelt onderwijl zijn gebruiksvoorschriften voor gebruik van de refugio en gebedstijden. Ik meld me aan met de aanbevelingsbrief van Dom Korneel om te zien wat de reactie is. Vol interesse leest hij het relaas en biedt me aan in het klooster te overnachten en te eten. Uit praktische overweging vraag ik in de refugio te slapen, maar een rondleiding door het klooster op prijs te stellen. Mijn voorstel wordt geaccepteerd en een tijd afgesproken. De rondleiding door het geweldige complex loont de moeite. Kruisgangen, drie etages hoog, waarvan de muren van de onderste kruisgang over driekwart van het atrium zijn beschilderd met fresco’s uit het leven van sint-Benedictus. In de grote binnentuin die het atrium omsluit staat een meer dan levensgroot beeld van de heilige Benedictus toe te zien op zijn volgelingen. Het kloostercomplex en de grote kloosterkerk zijn typisch benedictijns en variërend van stijl en karakter. De kerk heeft opvallend veel beelden van mannen met grote zwaarden en ongemakkelijke kerkbanken. De gelofte van armoede is niet af te lezen aan het geheel. Ik woon de vespers en aansluitend de eucharistieviering bij. Het is tenslotte Petrus en Paulus vandaag, niet zomaar een feestdag. De 12 monniken zijn niet bij machte de goede toon te houden tijdens het zingen. Zangers kent deze gemeenschap niet. On-benedictijns eigenlijk waar zang ooit zo’n belangrijk selectiecriterium was. Zachtjes zing ik mee, maar het baat al net zo min als het orgel. Ach, het gaat om de intentie. De refugio is voor de helft bezet. Voor het eerst wordt er niet gesnurkt ’s -nachts en ligt iedereen om zes uur in de ochtend nog op bed. Benedictijnse invloeden waarschijnlijk.

Onderweg naar Sarria regent het. De poncho moet er weer aan te pas komen. In Sarria ontbijt ik bij een man die als blanke Zuid-Afrikaan in Spanje woont en aan de straat iedere pelgrim naar zijn eetcafé lokt. Hij is blij met een Nederlander. Zo kan hij zijn Zuid-Afrikaans weer eens gebruiken. Hij verwent me met toast, zelfgebakken tortilla en goede koffie. Vanaf Sarria kan het wel eens druk gaan worden. Bij Sarria begint de 100 kilometergrens. Aan een bureautje in Sarria zijn speciale credencials verkrijgbaar die ook recht geven op overnachting in refugio’s, pelgrimsmenu’s en een Compostelana bij het bereiken van Santiago de Compostela. Vooralsnog heb ik er geen hinder van. De holwegen (die hier Corredoira heten), stapplaatsen over riviertjes en met ommuurde weggetjes van opeengestapelde keien werken als voortdurende tranquillizer. Wat een genot , wat een rust. Zó rustgevend dat ik meer op de omgeving let dan op de bewegwijzering. Totdat een koeienhoedster mij vanuit de verte breed gebarend wijst op mijn dwaling. Een jong Engels stel is mij klakkeloos gevolgd. We keren gezamenlijk terug op onze dwaling en delen onze ervaringen. Op het cruciaal fatale punt blijkt een Golfje de oorzaak te zijn geweest omdat het pal voor de markering staat geparkeerd. Golfjes, altijd een ramp op de weg! Een pad tussen aanhoudend muurtjes van opeengestapelde stenen die als afscheiding voor de weilanden dienen en een lappendeken van weilandjes vormen voert me naar gehuchtjes waar ik de eerste hórreo tegenkom. De boer die zijn koeien blijkbaar naar de wei heeft gebracht legt me uit dat  zo’n hórreo vroeger werd gebruikt om maïs op te slaan en het tegen muizen te beschermen. Daarom is zo’n huisje op platte stenen gezet waardoor muizen deze barriëre niet kunnen nemen. De corredoira wordt vochtiger door de bebossing. Deze weggetjes doen bij regen tevens dienst als waterloop. Ik heb geluk dat het redelijk droog is.

IMG_10549 100km paal 25e etappe Bij het gehucht Brea kom ik aan de 100-kilometerpaal. Belachelijk eigenlijk, maar je trapt er toch in. Inmiddels heb ik ontdekt hoe de zelfontspanner van mij camera werkt en leg ik dit moment dus ook maar vast. Zo werkt het nu eenmaal. De resterende afstand komt me voor als een schijntje. En toch, als ik thuis zou zeggen ,,kom, ik loop even naar Marie-Claire in Haarlem” zou iedereen me voor gek verklaren. Nu telt 100 kilometer schijnbaar niet. Erger nog, ik begin voor het eerst het moment te vrezen dat ik Santiago heb bereikt en mijn zwerven gedaan is. De koffie van Brea wordt zelfs in mijn wandelgidsje aanbevolen. Ik laat deze gelegenheid dus niet schieten. Op het terrasje ontmoet ik twee Nederlandse jongens die vanaf Sarria lopen en een vriendelijke Japanse die in Pamplona is begonnen. Ze werkte als juriste op een makelaarskantoor in New York, maar heeft haar baan eraan gegeven om de stress te ontvluchten, het grote geld te laten wat het is en het leven van de Camino te ondergaan om hierna een ander leven te beginnen. Ze wandelt ook ontstresst, stap voor stap bedachtzaam alsof ze iedere nieuwe stap overweegt. Wonderlijk dat ze in haar tempo toch nog behoorlijke afstanden aflegt. De refugio in Ferreiros is hagelnieuw. Als schoolgebouwtje was het niet rendabel. Het jubeljaar 2004 en het geld van de EEG  hebben veel pijlen, richtingwijzers en nieuwe refugio’s opgeleverd. De verwachtte grote stroom pelgrims is echter uitgebleven vinden de uitbaters. Nou ja, bijna 175.000 is toch geen schijntje. Vermenigvuldig het voorzichtig ingeschat met 20euro per persoon per dag en de camino brengt toch wel op. Om de verwachtte grote stroom op te vangen heeft de overheid van Galicië verschillende nieuwe refugio’s gebouwd en wel op de meest vreemde en onlogische plaatsen. Ze zien er keurig uit, ruim, goede bedden, goed sanitair, en een zitkamer. Overnachten is gratis. Donativo: de gift is vrij. Maar helaas liggen ze verkeer in the middle of no where, zonder verdere voorzieningen. Zondegeld. Als nummer 1 van deze dag zet ik mijn naam en registratie in het boek en zoek een bed bij het raam, gebruik de zuivere douche en doe mijn was. Het dagelijks vaste ritueel van mijn tocht. Met de was aan de lijn lig ik onder een eeuwenoude eikenboom te lezen. Pelgrimeren is meer luxe en genieten dan werken. Er komen steeds meer bekenden van de laatste dagen aan, de refugio loopt snel vol. Het kringetje wordt weer groter. Ferreiros is niet meer dan enkele boerenhoeven en een bar. De plaatselijke waard is ondernemer en weet wat pelgrims nodig hebben. Hij spint er goed garen bij, ondanks prijzen waarvoor je in Nederland amper een pak zout koopt. Claudia komt weer voorbij, we drinken samen koffie. Het gaat goddank beter met haar knie en ze loopt nu meer kilometers om haar Tony in te halen. Liefde is drang en stimulans tot grote daden. Laat in de middag komen twee jonge Duitse vrouwen, ik trof ze eerder aan het diner in Samos. Beiden net afgestudeerd, de ene ooit van de Camino gehoord en samen ongetraind en met bijeengeraapte spullen vanaf León op pad naar Compostela. De beheerster is gearriveerd en controleert het boek en de bedden. Alles is vol, helaas. Maar de beide meisjes zijn totaal uitgeput. De 31 kilometer vanaf Samos hebben hen compleet gesloopt, voeten vol blaren. De negen kilometer naar Portomarín overleven ze niet. Met enige hulp en geleende slaapmatjes mogen ze in de zitkamer op de grond slapen. De kunst is om de andere morgen je slaapmatje onder de dames vandaan zien te krijgen.

Het is een mooie ochtend als ik vroeg richting Portomarín vertrek. De dames slapen door alles heen. Een van de weinige honden die ik op de hele route ben tegengekomen druipt met de staart tussen de benen af wanneer ik aan kom lopen. Ik zie er toch niet gevaarlijker uit dan de doorsnee pelgrim en wil eigenlijk wel eens de confrontatie met een hond aan. Mijn zingen zal hem wel niet bevallen. Cultuurbarbaar. De weggetjes gaan over bochtige corredoira’s en ’n asfaltweg waarover op dit uur van de dag geen mens komt. Een brede baan laaghangende nevel in het dal van Mixó kondigt aan dat ik bij het stuwmeer van Portomarín in de buurt komt. Bij het stuwmeer aangekomen is de nevel opgelost en schijnt de zon ook hier weldadig op het land. De bosweg na Portomarín is drukbevolkt. De 100 slaapplaatsen in het stadje waren goed bezet zo te zien. Om 11 uur ben ik Gonzar. Te vroeg om er te blijven. Ook hier staat weer zo’n mooie refugio van de Galicische overheid in niemandsland. In de schaduw van eikenbomen loop ik verder tussen braam en brem. Het eeuwenoude wegkruis, cruceiro zeggen ze hier, bij Ligonde verhaalt van een rijk roomsch leven. Hoog op zijn ranke pilaar legt het stille getuigenis af van een eeuwenoud geloof. In Eirexe tref ik opeens Willem en Claude op het terras. De toestand van Claude zijn voeten is zo slecht dat ze de race tegen de klok hebben opgegeven. Ik adviseer hem het laatste stuk met bus of taxi af te leggen. Zijn voeten zijn oedemateus en ongezond opgezwollen. Op eigen kracht en in eigen tempo sukkelt hij uiteindelijk verder naar Palas de Rey waar we hem in de refugio zullen treffen. Ik loop met Willem samen op. Palas de Rey heeft niet zoveel te bieden. Zelfs het Big-Ben geluid dat elk kwartier klinkt is nep en komt via een versterker uit luidsprekers op het dak van het gemeentehuis. Helaas liggen gemeentehuis en refugio vlak bij elkaar en blijft het raam ‘s-nachts open om lucht te krijgen. Ik waan me in Londen.

Legende van een kwijnende jonkvrouw: In de nabijheid van Palas de Rei vielen huurlingen herhaaldelijk pelgrims aan en beroofden hen. Hierdoor ontstond de legende van een Franse ridder op pelgrimstocht die was aangevallen en zwaar gewond in een naburig kasteel werd verpleegd, alvorens hij verder kon. Op zijn terugweg bezocht hij weer het kasteel en werd verliefd op de jongste van de twee dochters. Hij trouwde haar en nam haar mee naar zijn kasteel in Frankrijk.
Maar ook de oudste had zich in de ridder verliefd. Zij tuurde iedere morgen uit het raam in de hoop de ridder te zien terugkeren voor haar. Tevergeefs. Zo kwijnde ze weg en op een kwade dag vond men haar dood voor het raam, haar ogen gericht op Frankrijk.

.375_ochtendgloren_12e_etappe_a   Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan. Een prachtige dag, opnieuw. Het lied zit me in het hoofd vandaag en laat me niet los. Wat wil je ook met zo’n schitterende zonsopkomst achter je.

De 29 kilometer naar Arzúa voeren me door een sterk afwisselend landschap. Mooie luchten versterken het decor. Oude dorpjes, veel hórreo’s, oude veldkruizen, Romeinse boogbruggetjes en origineel straatwerk wanen me eeuwen terug op de Camino. De hórreo’s worden steeds fraaier. Het lijken tevens sierraden, naast hun functie voor maïsopslag. Smal, langwerpig van bouw met versierselen aan weerszijde van het puntdak op de korte kant. De wanden bestaan uit open lattenwerk zodat de lucht er doorheen kan en de maxefs niet verstikt. De verhoging waarop de hórreo is gebouwd wordt afgedekt met een grote platte steen om te voorkomen dat muizen bij de maïs kunnen komen. De eerste Eucalyptusbomen beginnen te verschijnen. Ik ruik hun typische geur en raap enkele bladeren op om ze te testen. Fraai zijn de eucalyptusbossen overigens niet. Wat een saaie boel. Gelukkig is het opnieuw een stralende dag. Wat een geluk! Wat een genot! Voorbij Casanova ontbijt ik in ,,Die Zwei Deutsch”. Jonge mensen drijven de eenvoudige bar met veel liefde merk ik. Ze hebben er zelfs een mondje Duits voor geleerd om de naam van hun bar eer aan te doen. Mussen komen met me ontbijten. Brutaal pikken ze aan mijn brood en uit het boterkuipje. Zou ik toch wat Fransiscus in me hebben? Maar Fransiscaan gaat me nog altijd te ver na mijn ervaringen in Weert. Het zit diep.

77_mus_aan_ontbijt_27e_etappekopie_a   De pastoor van Furelos is nog van het degelijke soort; gezet en in vol ornaat. Hij zorgt dat niemand ongezien zijn kerkje voorbij komt en nodigt uit tot binnenkomen waar hij uitlegt waarom zijn Christus aan het kruis met één arm aan het kruis hangt en de andere arm naar omlaag wijst. Zo wil zijn Christus de verbinding vormen tussen hemel en aarde, aldus de pastoor. IMG_10592 kruis Melide 27e etappeVervolgens wijst hij op de ijzeren kist waarop een briefje ,,donativo”; gaven. Een echte pastoor dus, een uitstervend ras. Furelos moet er zuinig op zijn. Waarschijnlijk is de pastoor de verbindende factor tussen hemel en aarde. Een dorpje verderop in Meldide, tref ik plotseling Tony en Claudia die een stempel halen in het plaatselijke dorpskerkje. De kist ,,donativo” zien ze niet staan. Ze hebben elkaar weer getroffen en zullen samen zondag in Santiago zijn. Ik heb besloten mijn best te doen om niet op zondag aan te komen, bang voor de ontluistering en de toeristische attractie die ik er verwacht. Kilometerpalen vertellen me dat het 50 kilometer en minder is naar Santiago de Compostela. Ik begin meer en meer over het naderende einde van mijn tocht na te denken en terug te denken aan wat achter me ligt. Het geeft een dubbel gevoel. Ik ben gehecht geraakt aan het zorgeloos onderweg zijn. Het dagritme, de vrijheid, het zwerversgevoel, de mensen onderweg, al het moois en de afwisseling ieder dag opnieuw. Het grote genieten. Gevoelens die me nooit meer los zullen laten. De weg die me een beetje hervormd heeft, leren genieten en relativeren. Ik merk bij mezelf dat ik al afstand aan het nemen ben. Compostela is weliswaar het eindpunt van deze tocht maar niet het einde. Het leven gaat verder, de tocht gaat verder. Compostela is niet het doel, onderweg zijn is het doel. Al heeft de magie van Compostela aantrekkingskracht, het is deel van de weg.

IMG_10604 drukte bij refugio Arzúa 27e etappe Bij de refugio van Arzúa zit al een rij van 30 mensen. En dat op dit uur. Het is nog maar half twaalf! Even overweeg ik door te lopen, maar de 29 kilometer zijn genoeg en de volgende refugio is 16 kilometer verder. Bovendien heb ik hier met Willem en Claude afgesproken. Ik stel mijn rugzak op in de rij van wachtenden en ga aan de overkant van de straat zitten lezen. Van daaruit observeer ik het haantjesgedrag van mensen in de rij. Er zijn 36 slaapplaatsen in deze herberg, maar verschillende mensen zijn bang een plaats naar achter in de rij te krijgen. Toch typisch gedrag van na de 100 kilometergrens. Geldingsdrang, agressie en de angst tekort te worden gedaan doen zich natuurlijk vaker voor wanneer er teveel mensen bij elkaar komen. Alleen op de camino verwacht ik het niet. Ik was het ook niet gewend. Een groep Spanjaarden met kleine rugzakjes beslaat de eerste tien plaatsen. Vroeg vertrokken en weinig gelopen vandaag waarschijnlijk, bang geen plek te hebben. Ik begin net voor Willem en Claude te vrezen wanneer laatste de hoek om komt gelopen. Hij is toch verstandig geweest, heeft een stukje gelopen en de rest met de bus afgelegd. Ook Willem is nog net op tijd en samen gaan we koffie drinken. De Duitse Mia, alléén op pad vanaf Lourdes via de Somportpas en de beide Janette’s uit Montreal komen erbij, samen gaan we op zoek naar een eetgelegenheid. Onder het eten worden ervaringen uitgewisseld en ieders impact van het naderende einde besproken.

De laatste wandeldag. Met Willem heb ik afgesproken samen met hem de 35 kilometer naar Monte do Gozo te lopen. Claude doet het rustig aan en komt waarschijnlijk maandag in Santiago de Compostela. Het is de laatste dagen steeds later licht. Vandaag is het half zeven en nog zijn de merktekens slecht te zien. Het miezert. Teveel eigenlijk om niets te doen, te weinig om de poncho aan te doen. Boven heeft blijkbaar medelijden met me en moet een beetje huilen om het naderende einde. Ik kan merken niet meer gewend te zijn aan het met tweeën lopen. Mijn tempo moet ik goed in de gaten blijven houden en afstemmen op Willem. Door met tweeën te lopen ontgaat me veel van de omgeving en wat ik tegenkom. Het praten onderweg leidt me af. Ik neem ook vaker pauze dan ik gewend ben. Zingen is er niet bij vandaag. Het restaurant waar we uiteindelijk toch nog koffie krijgen vindt ons duidelijk maar zwervers. Hoe bestaat het, zo vlak aan de camino waar duizenden mensen langskomen die koffie lusten. We zien de kilometertelling gestaag dalen, elke 500 meter melden de betonpaaltjes dat de afstand tot Compostela verder afneemt. Aanvankelijk behoudt het landschap een liefelijk karakter; bebossing, beekdalen en boerendorpjes. Het Eucalyptusbos waar we doorheen lopen geurt weliswaar sterk, maar spreekt weinig tot mijn verbeelding met zijn saaie en stakerig hoge kale bomen. Geleidelijk aan verliest het landschap zijn karakter van liefelijkheid, armoede en gebrek. Huizen worden groter en luxer. We naderen duidelijk een grote stad. Bij het woud aan schijnwerpers voor de startbaan van het vliegveld bij Santiago begin ik elk gevoel van primitief onderweg zijn te verliezen. Een gevoel wat ik niet eerder had, ook niet bij steden als Burgos of León. Het heeft alles te maken met het naderende einde denk ik. Het dorpje Lavacolla probeert me nog even wat van het oude gevoel terug te geven. Vroeger wasten pelgrims zich hier in het beekje met de grote naam Río Lavacolla om schoongewassen in Santiago aan te komen en trokken ze schone kleren aan als ze die wel bij zich hadden. Het beekje stroomt nauwelijks en het water nodigt mij niet uit tot baden. Via nietszeggende straten komen we aan de plaats waar bussen vol picknickende toeristen zich opmaken voor een bezoek aan Santiago of juist zitten bij te komen van de vermoeienissen door de stad te lopen. Het lijkt er de Abdij van Postel op zondagmiddag. Ook de frietkraam ontbreekt niet. Mijn euforie Compostela te naderen zakt verder weg. Hoog op de Monte do Gozo staat het monument, een krulstaart op een veel te grote kolom met bovenop een kruis. Megalomaan en lelijk. Monte do Gozo, Berg van de Vreugde. Mij kan het helaas niet bekoren en ik merk dat er geen vreugde maar een mineurstemming over me komt. Dat wordt ook niet beter wanneer we het complex van Monte do Gozo betreden. Het doet me denken aan de kazerne in Seedorf, de gebouwen als manschappenbarakken, een restaurant als manschappeneetzaal, een kantine, leegstaande winkeltjes. Een geweldig complex met links en rechts van het oplopende middenpad barakken. Heel veel barakken. En logischerwijs zit het aanmeldpunt in de allerlaatste barak. Zo zie je tenminste nog wat van het complex, anders brengt het helemaal niets op. Een bronzen gedenkplaquette vermeld dat het complex is gebouwd in het jubeljaar 1999. Omdat ook paus Johannes Paulus II naar Santiago kwam moest er voor een volksmassa aan onderkomen gezorgd worden. Nu staat het te verintresten. Het zal waarschijnlijk nooit opbrengen wat het kostte aan bouw en onderhoud. Even overwegen we om door te lopen. Het is echter al ver in de middag en nu aankomen in Santiago zou zeker een anticlimax zijn. Geen zondagse mensenmassa rond de kramen op het plein of alleen maar uit op het grote zwaaiende wierookvat, het botafumeiro. Dat willen we ons besparen. De ochtend lijkt me een beter moment. Dus geef ik me over aan het kazerneleven. We krijgen de sleutel van een 8-persoonskamer. Op zich al een teken dat we in een andere wereld zijn beland. Nooit waren refugio’s op slot. Waarschuwingen voor diefstal zoals hier veelvuldig voorkomen waren we ook nooit eerder tegengekomen. Goed van vertrouwen als we zijn blijkt dat de wielrenners die aanvankelijk ook op onze kamer lagen na hun slaapje vertrokken zijn en daarbij ook Willem zijn dure shirt maar hebben meegenomen. De anticlimax zakt naar nul. In de zelfbedieningseetzaal zonder smaak is soortgelijk voedsel te verkrijgen. Te groot, te saai, te onpersoonlijk. Vlug eten is het devies. Ik tref er ook nauwelijks nog bekenden van onderweg. Het routegevoel daalt onder nul. Tot mijn verbazing tref ik bij terugkomst in onze barak de Duitser Martin aan die ik eerder in Foncabedón ontmoette. We praten wat bij en leggen ons te rusten. Wij op het matras, Martin op een isolatiedeken want hij is bang dat het matras niet zuiver is. Behalve dat hij snurkt, kraakt zijn isolatielaag bij elke beweging die hij maakt. Na enkele keren uit bed te zijn gestapt om voorzichtig aan zijn bed te rammelen krijg ik hem stil.

Om zeven uur de andere ochtend stappen we op voor de laatste vijf kilometer naar Santiago. Het weer is redelijk, maar de torens van de kathedraal komen niet boven de bebouwing uit. Naast een drukke weg lopend belanden we in de voorstad van Santiago waar bedrijvigheid en trubbels overheersen. In een bar ontbijten we. Door de Porta do Camino betreden we het oude stadsdeel. Niets wijst op het betreden van een heiligdom waar respect uit spreekt voor iemand die er zoveel honderden kilometer voor heeft gelopen. Passanten lopen gehaast voorbij en kijken niet op van wéér twee wandelaars die de kathedraal schijnbaar niet kunnen vinden.

   651 ik voor kathedraal 4 julikopie

Goed geluk brengt ons bij de kathedraal, hier geen mooie koperen schelpen in het wegdek. Juist wanneer ik mijn gidsje pak om de plattegrond te bestuderen komen Hubert en Jacqueline om de hoek. Een fijn weerzien met aardige mensen. Door problemen met zijn voeten heeft Hubert rust moeten nemen en hebben ze een stuk met het openbaar vervoer gereisd. Tot grote verrassing komt ook Claude het straatje in gelopen. Als bij wonder is het groepje op de valreep compleet. Samen lopen we de hoek om waar de kathedraal in al zijn majesteit oprijst. Er zijn nog maar weinig mensen op het plein.

Ik besef dat ik er ben. Deze weg is ten einde. Zonder ontroering of uitgelaten blijdschap. Zonder het gevoel een prestatie te hebben geleverd. Ik vind het eerder jammer dat ik er ben. De fotosessie wordt meteen maar afgewerkt, nu zijn er nog niet zoveel mensen op het plein. Gezamenlijk gaan we naar het Oficina de Peregrinos om meteen onze credencial te laten afstempelen en de Compstela in ontvangst te nemen. Maar het bureau gaat pas om negen uur open, dus zetten we ons op de stoep en nemen alle tijd om ervaringen uit te wisselen. Binnen een kwartier is de groep bekenden uitgegroeid. Als bij toverslag komen ze uit alle hoeken en gaten opdagen. De meeste zijn gisteren al aangekomen en komen nu alleen maar kijken of ze bekenden treffen. Ze vertellen me dat Claudia en Tony op tijd waren en inmiddels al zijn vertrokken. Ik moet de hartelijke groeten hebben. Hun e-mailadres heb ik. De dames van het Oficina de Peregrinos doen hun werk zeker en grondig. De credencial wordt bestudeerd, aanvullende vragen gesteld en uiteindelijk wordt de Compostela ingevuld. Alles in het Latijn, want zo’n bewijs is niet zomaar iets: ,,Dominum Andreum Witlox heeft de heilige tempel met vroom oogmerk bezocht op de 4e  dag van de maand juli in het jaar des heren 2005”. 

Eindstempelklein   We hebben koffie verdiend. De groep blijft groeien en samen bespreken we wat ons heeft beziggehouden en wat ons op dit moment bindt. Het merendeel heeft het er nu op zitten. Sommigen nemen morgen de bus naar Cabo Fisterra. Het was aanvankelijk ook mijn plan, maar gaandeweg heb ik me steeds indringender lopen afvragen wat zo’n busreisje naar het strand nog zou toevoegen aan mijn gevoel van de Camino en van Santiago de Compostela. Ik kan niet de traditie van de pelgrim van eeuwen terug hebben, niet nadoen en moet dat ook niet willen, besef ik. Aan gekunsteld sentiment doe ik niet, al mag eenieder daar zijn eigen gevoelens bij hebben. Ik heb er trouwens ook geen kleding voor over om er te verbranden, zoals het traditie is geworden. Lang pieker ik er niet over. Willem wil zo vlug mogelijk terug en ik besluit met hem mee te gaan. We gaan naar het busstation en boeken de terugreis, morgen om 12 uur gaat er al een bus. Ik ben in Compostela en wil er weg voordat het een gewone alledaagse stad wordt waar commercie in kerk en kroeg de hoofdrol speelt. Santiago de Compostela moet iets magisch blijven houden. De droom kan niet zomaar over raken en eindigen in een gewone goedkope mensenwereld van toeristen en stalletjes of klerikaal verval. Tenminste vandaag wil ik de sfeer blijven proeven en ondergaan van dat oude Compostela; de weg naar het Sterrenveld gevolgd tot waar de ster bleef stille staan. Tenminste vandaag wil ik medepelgrims die ik op mijn weg ontmoet heb terugzien en groeten. De meeste voor altijd.

Snel vinden we een slaapplaats vlak achter de kathedraal. De kamer in de oude binnenstad kijkt uit op de torens van de kathedraal. Er is weinig bedrijvigheid in het straatje. De Via Sacra nodigt mensen schijnbaar niet uit het hogerop te zoeken. Af en toe zie ik ’n pelgrim lopen die op zoek is naar het pelgrimsbureau om het ,,diploma” af te halen. Ik ga op tijd naar de kathedraal om er de eucharistieviering van 12 uur bij te wonen en loop er wat rond voor de eerste indrukken. Vanmiddag kom ik wel terug om alles rustig te bekijken. De kerk raakt redelijk gevuld met pelgrims en toeristen. Je ziet zo wie pelgrim is en wie toerist. Ik schaar me in de zijbeuk in een bank. De kloosterzuster die voor aanvang van de dienst het kerkvolk aanspoort om het Ubi Caritas et Amor  mee te oefenen slaagt daar niet in, ondanks haar enthousiasme. Breed zwaaiend wil ze de mensen enthousiasmeren, maar in onze zijbeuk ben ik de enige die meezingt. Voor mij heeft het lied en de tekst dan ook speciale betekenis gekregen op de Camino. Maar voor het kerkvolk had de Kerk het beter bij deze eenvoudige boodschap uit dit lied moeten laten; Vriendschap en Liefde. Had zij er verstandiger aan gedaan alles niet zo nodeloos ingewikkeld te maken.

Als ik iets heb ondervonden en geleerd op mijn tocht dan is het dat God in jezelf zit en dat daar waar Vriendschap is en Liefde tussen mensen een God is. Ook al heet die God jan of piet of maken wij mensen hem zelf. De eenvoudige boodschap gaat eenvoudigweg van mens tot mens en is wederkerig in een juiste ,,chemie”. Niemand gelooft omdát God bestaat, God bestaat, áls je gelooft. De consequentie daarvan neemt men er graag bij en het instituut Kerk neemt daarin het voortouw; want hun God heeft aan iets bijgedragen als de uitkomst positief is en wanneer de uitkomst negatief is heeft Hij er andere bedoelingen mee gehad…… Ergo, God krijgt door de Kerk enkel toebedeeld wat goed is. Vandaar dat God, in hun ogen, enkel goed is. Mensen in al hun ellende die zich hartverscheurend afvragen waar God was toen hen die ellende overkwam, krijgen dus als troost dat God daar Zijn bedoeling mee heeft gehad. Hoe is het mogelijk!! Dit simpele gegeven geeft me mijn rijke gevoel terug. Het rijke gevoel van wat ik eigenlijk wist en onderweg heb kunnen herontdekken. De Camino was een test, de ondervinding een les, de ervaringen een gevoel. Ik hoef nu alleen maar te bepalen wat ik met dat alles wil doen. Ieder mens die de moed heeft de confrontatie met zichzelf aan te gaan, alleen te durven staan en het diepste in zichzelf te beleven komt religiositeit tegen en ervaart daarin iets als een God of iets Oneindigs of wat voor naam je er ook aan wilt geven. Omdat ieder mens in zich religieus is. Al lopende ben ik het steeds dieper gaan betreuren dat de Kerk dit gegeven zo heeft misbruikt voor eigen gewin en eigen gelijk. De viering gaat voor een groot deel aan me voorbij. Geen vonken die overspringen. Geen inspiratie zoals in de refugio’s, de eenvoudige kerkjes onderweg tussen medepelgrims of oude vrouwtjes vaak wel het geval was. Vier weken lang heb ik als een spons alles opgezogen wat op mijn weg kwam. Ik heb de streek, de natuur, de mensen en hun cultuur gevoeld, zien veranderen en in me kunnen opnemen. Lopen geeft je de tijd om alles goed in je op te nemen, te overdenken, te verwerken en het een plaats te geven in je leven. Wandelaar was ik, pelgrim ben ik geworden.

In de kerkbank zittend denk ik terug aan het begin van mijn tocht. De tegenvallers. De keuze om het anders te doen. De mooie tijden daarna en het geweldige genieten. De keuze om alleen verder over de Spaanse camino te trekken. De klim in de Pyreneeën, Navarra met zijn wonderlijk mooi landschap, de wijngaarden van Rioja, de Meseta die zo meevalt als je op iets ergs bent voorbereid, Sahagún waar ik zo benieuwd was naar de plaats van de heilige Joannis a santo Facundo en de ellendige geestdodende vlakte erna, de wonderlijke ruimte in de kathedraal van León, alle eenvoud en vriendelijkheid onderweg en de groei naar een anticlimax op het einde. Tussen het nadenken door zing ik uit volle borst de Latijnse gezangen mee, uit solidariteit en ter ondersteuning van de zuster die zo haar best doet. Ik maak ook beter onderdeel uit van het geheel als ik wat te doen heb in de kerk, passiviteit is de dood in mijn pot.

Santiago de Compostela was de droom en de rede. Aan beide is voldaan zonder op een eindpunt te zijn aangekomen. Onze tocht gaat verder. Ons leven gaat door. Onze Camino gaat verder als onuitwisbaar onderdeel van ons leven. Na de eucharistieviering zwerf ik door de stad en probeer me voor te stellen hoe Compostela er ooit in het begin moet hebben uitgezien. Maar de stad is teveel een stad geworden van commercie rond de vermeende botten van San Iago. Toeristen laten zich de vermakelijkheden uitleggen. Lachen is gezond. Ik keer terug naar de kathedraal. Op de Praza do Obradoiro, het plein genoemd naar de barokke voorgevel van de kathedraal loopt een groepje toeristen. Vaganten, studenten met een opvallend oud hoofd voor een student proberen hun Cd’s met tuna muziek aan de man te brengen. Enkele ouderen vrouwen doen nog verwoede pogingen pelgrims naar hun kamers te lokken. Ik ga de kathedraal binnen door de Pórtico de la Gloria, Romaans en rijk aan beeldhouwwerk van Meester Matéo. Een meesterwerk. Binnen het portaal zit de apostel Jacobus aan de middenzuil. Christus op zijn troon kijkt van bovenaf toe. Het looppad naar de middenzuil is met lint uitgezet om het volk in goede banen te leiden. Ik ontmoet er de vriendelijke Japanse opnieuw. Ze is dus ook al gearriveerd. Samen bekijken we het rijk versierde portaal en genieten van het moois. Ze biedt aan een foto van me te maken terwijl ik mijn vingers in de uitgesleten uitsparingen aan de zuil leg. Ik besef dat dit ritueel erbij hoort en laat me vastleggen. Wanneer zij haar vingers in de zuil legt, wordt het haar te machtig en ontlaadt zich de emotie van haar Camino. Mijn gemoed schiet even vol, ik heb met haar te doen. Mijn carriëre is goed geëindigd, zij moet haar weg nog vinden. San Iago, met de gelijkenis van zijn schepper Meester Matéo, blijft er steenkoud onder. In de koepel hangt het mechanisme en de touwen waarmee het mansgrote wierookvat het Botafumeiro door de kerk wordt gezwaaid. Alleen op feestdagen en als er flink voor betaald wordt. Het hoort bij de kermis. Aan het omarmingsritueel onttrek ik me. Het zou geen ritueel zijn. San Iago zal ongetwijfeld met mij verheugd zijn dat dit deel van mijn tocht zo voorspoedig is verlopen en een goed einde krijgt. Het beeld en zijn entourage glimt en schittert mij teveel. Er zijn geen gegadigden om het beeld van de apostel te omarmen, maar die komt toch niet aan belangstelling tekort. In de crypte onder het hoofdaltaar in een zilveren schrijn zou zich het gebeente van de apostel bevinden. Zélfs de steen waaraan de discipelen het schip met het stoffelijke overschot van Jacobus zouden hebben vastgelegd is bewaard gebleven. De plaats waar men het graf vond heette aanvankelijk ,,Locus Arcis Marmoricis” de plaats van het laat-Romeinse marmeren graf. Later is het ,,Locus Sancti Iacobi” genoemd. Halverwege de 9e eeuw heeft er een klein mausoleum gestaan met daaraan vastgebouwd de Jacobuskerk, het paleis van de bisschop, een kerk van Johannes de Doper en een derde kerk die door monniken van het klooster Antealtare werd gebruikt. In 899 werd het kleine kerkje vervangen door een driebeukige Jacobusbasiliek. De stad heette toen nog Compostela. Pas rond 1150 is de stad naar San Iago, Santiago de Compostela genoemd. In 1075 wordt begonnen met een nóg grotere kerk te bouwen omdat er steeds meer pelgrims komen. In 1128 is de kerk voltooid en goedgekeurd volgens de Codex Calixtinus. Zoals met alle kathedralen van betekenis het geval is, zo is ook de bouw van de kathedraal van Santiago de Compostela een continuing story.  IMG_10757a rugzak hostal 5 juni

De laatste avond brengen Willem en ik samen door op een terrasje vlak bij het hostal. Het is er gezellig. Jonge en oudere mensen vormen een muziekgroepje. Geregeld komt er een nieuwe bij, sluit aan en doet mee. Hun Keltisch aandoende muziek kent vele herhalingen en meeslepende melancholie. Ze hebben er genoegen in. Talent is een voortvloeisel van wat je graag doet, bedenk ik hier. Het is rustig in de stad. Pelgrims en toeristen zijn ergens onder dak. De kathedraal ligt er verlaten bij. Vanuit mijn raam zie ik de verlichte contouren van de torens afsteken tegen de nacht. Morgen is het voorbij. De droom is gedroomd. Ik heb mijn Camino gelopen, mijn schelp naar Compostela gebracht. De weg heeft me geslepen tot wandelaar en gevormd tot pelgrim. Ik heb mezelf ervaren in mezelf in anderen en anderen in mezelf. Ik ben mezelf tegengekomen en heb ervan geleerd. Verwondering was mijn deel.

Ik heb de route ondergaan tot in mijn diepste vezels, elk spoor staat gegrift in mijn gedachte. Ik heb volop genoten van de natuur in zijn voortdurend wisselende gedaanten. Cultuur en bouwkunst heb ik in mij opgenomen en toegevoegd aan waar ik van kan blijven genieten. Stilte en inkeer heb ik gezocht en de rijkdom ervan ervaren. Ik heb het allemaal beleefd, het ondergaan en toegevoegd aan de rijkdom van mijn leven. Het zal me altijd bijblijven. Iedere dag.

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka, wens dat de weg dan lang mag zijn.

Ik voel me rijk.

85_credencialkopie_a 

86_compostelanakopie_a 

84_jet_ik_6_junikopie_a

IMG_3513 André Witlox_Jacobsschelp roodkoper

c-oranjemannetjeloopt    c-oranjemannetjelooptc-oranjemannetjeloopt  c-oranjemannetjeloopt    c-oranjemannetjelooptc-oranjemannetjeloopt c-oranjemannetjeloopt

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

2 reacties op DEEL 6 Villafranca.d.B – Compostela

  1. Jacco zegt:

    Boeiend verhaal André, complimenten. Ik heb het aan één stuk uitgelezen zó boeiend vond ik het.
    Groet,
    Jacco
    Los Angeles

  2. Marie-Josée zegt:

    Een verhaal over de beleving van een pelgrimstocht wat ertoe doet. Echt een bijzonder verhaal, zoals je ze helaas te weinig treft tussen de veelheid van verhalen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s